Na afgraven van het veen bleef er een zandgrond over, maar vaak is het organische stofgehalte redelijk hoog door veenresten die ondergewerkt werden. Wanneer het grondwater goed gereguleerd kan worden is akkerbouw mogelijk. Vooral door het gebruik van chilisalpeter in de vorige eeuw is de bodemkwaliteit vaak sterk achteruitgegaan.

Landschap

Het hoogveengebied is het enige landschap in Nederland waar van nature geen bos voorkomt. Na de ontginning ontstond er een veenkoloniaal gebied waar weinig aanplant van bomen heeft plaatsgevonden. Zo heeft het gebied zijn open karakter behouden.

Akkerbouw is het overwegende landgebruik. Soms is ook grasland aanwezig. In dat geval worden de waterstanden in de sloten wat hoger gehouden.

Regionale verdeling

Veenkoloniale gronden liggen in Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel en het westen van Brabant.

Bodemprofiel

De overheersende bodemopbouw is een donkere bovenlaag op dekzand met een veldpodzol. Tussen de bovenlaag en de zandondergrond kan nog een restant van een veenlaag zitten. Ook kan deze veenlaag zo dik zijn dat de hele ondergrond veen is. De humusinspoelingslaag in het zand is soms afwezig en onder de bouwvoor vindt men dan direct het zand met een zeer laag organischestofgehalte. Dit zand kan echter ook lemig zijn.

Het organischestofgehalte in de bovengrond varieert van slechts enkele procenten tot tegen de 20% organische stof. De organische stof is bijna altijd zwart en heeft minder gunstige eigenschappen. De grond versmeert snel en is niet kruimelig. De geringe stabiliteit uit zich ook in de gevoeligheid voor verstuiven in het voorjaar. Bij een hoger organische stofgehalte is de draagkracht minder goed. De ondergrond neigt tot verdichting en moet om de ca 7 jaar losgewoeld worden tenzij beworteling of wormen de grond voldoende los houden.

Landbouwkundige maatregelen

Gewassen
Hoewel de bodem vaak veel organische stof bevat, ontbreekt het aan makkelijk verteerbare organische stof die het bodemleven en bodemstructuur ondersteunt. Verbouw van organische stof opbouwende gewassen, zoals granen en grassen, is wenselijk.
In de winter is het raadzaam de grond zoveel mogelijk bedekt te houden met een gewas. Dit voorkomt uitspoeling van voedingsstoffen en gaat verstuiving tegen.

Groenbemesters
Organische stofopbouwende en stikstofrijke vlinderbloemige groenbemesters zijn beide van belang. Een intensief wortelstelsel zal de bodemstructuur ondersteunen.

Mest en compost.
Gebruik van dierlijke mest heeft de voorkeur. Groencompost en GFT zijn hier minder op hun plaats. De mest is bij voorkeur vast en kan vrij vers worden toegediend, tenzij de bodem sterk verdicht is.

Bodembewerking
Losmaken van de ondergrond moet periodiek gebeuren tenzij een profielstudie uitwijst dat dit niet nodig is.