Podzolgronden zijn meestal ontstaan onder heide. Bij droge heide was er vroeger ook bos en de berk is in het landschap vaak nog opvallend aanwezig met zijn witte stam. Waar natte heide was zijn er vaak grotere open vlakten

Landschap

Alle podzolgronden zijn nog niet zo lang in cultuur. Ze zijn meest in het begin van de vorige eeuw ontgonnen. Restanten van de oorspronkelijke vegetatie zijn bijna altijd nog aanwezig. De meest opvallende is de berk. Deze ontbreekt bij de beekeerdgronden, die ook in dit landschap voorkomen, en wordt ook bij de enkeerdgronden zeer weinig aangetroffen. Langs percelen en in bossen wijst deze boom op de aanwezigheid van podzolgronden.

De oudste ontginningen van de huidige podzolgronden zijn enkele honderden jaren oud. Daar waar plaggenmest werd gebuikt, nam de donkere bovenlaag per jaar met ca 1 mm in dikte toe. Bij een gebruikelijke dikte van 30 tot 50 cm is de grond dus 300 tot 500 jaar in cultuur. Deze gronden heten laarpodzolgronden. Ze komen over het gehele zandgebied voor. Naast de genoemde berk treffen we hier ook vaak wat zwaardere eiken langs wegen en percelen aan. De verkaveling is vaak een rechthoekige blokverkaveling. In Friesland echter komt een strokenverkaveling voor met houtwallen langs de percelen.

De overige podzolgronden zijn onder te verdelen in droge en natte. Beide zijn voornamelijk in het begin van de 20e eeuw ontgonnen. Ze hebben nog geen dikke donkere bovengrond, mede ook omdat kunstmest de dominerende bemesting was. De ontgonnen gebieden waren voorheen uitgestrekte heidevelden en het landschap is na ontginning nog steeds open met lange rechte wegen. Bij de droge podzolen zien we berk, eik en den langs percelen en in bossen. Bij de natte podzolen komen deze boomsoorten veel minder voor omdat deze gronden, die vaak de overgang naar veengebieden waren of ooit zelf een veendek bevatten, van nature geen bos als begroeiing hadden, maar een natte vegetatie met dopheide, veenbies en pijpestrootje.

Regionale verdeling

In het zandgebied van Noord-, Oost- en Zuid-Nederland zijn podzolgronden het overheersende bodemtype.

Bodemprofiel

Binnen de podzolgronden is er variatie in dikte van de donkere bovengrond, in de mate van verdichting van de laag onder de bouwvoor en in de aard van de ondergrond. Verder kan de grondwaterstand wisselen en kunnen er afwijkende lagen voorkomen, zoals keileem.

De donkere bovenlaag kan wisselen in dikte. Ze is maximaal 50 cm dik. In het noorden van het land is de organische stof vaak zwart, in het zuiden vaak bruin. De gronden met een zwarte bovenlaag hebben meestal hogere organische stofgehalten dan de bruine. Dit moet niet zonder meer als positief worden gezien. De zwarte organische stof is veelal van zeer hoge ouderdom en ter plekke ontstaan of met plaggenmest aangevoerd. Deze organische stof wordt niet meer door het bodemleven omgezet en levert dus geen bijdrage meer aan dat deel van de bodemvruchtbaarheid, dat aan het bodemleven moet worden toegeschreven. Bij droogte treedt makkelijk verstuiving op. De bodemstructuur is vanwege deze soort organische stof vaak een probleem. De gronden met een bruine organische stof zijn ruller van structuur en daarom veel makkelijker te bewerken. Intensieve groenteteelt wordt vooral op deze bruine gronden aangetroffen.

De ondergrond is van nature verdicht en moet mechanisch losgemaakt worden. De hoger gelegen podzolgronden zijn sterker verdicht dan de lager gelegen natte podzolen. Bij de hoger gelegen podzolen is de organische stof in horizontale banden ingespoeld. Bij de lager gelegen podzolen is de inspoelingslaag veel homogener en bruin van kleur.

De ondergrond van de hoger gelegen podzolen is in het algemeen alleen na een mechanische grondbewerking doorwortelbaar. Het loswoelen moet na een aantal jaren meestal herhaald worden. Bij een voldoende aanvoer van organische stof kunnen pendelende regenwormen zich goed ontwikkelen en de ondergrond loshouden. Woelen van de ondergrond is dan niet meer nodig. Een profielstudie geeft uitsluitsel. Op het biodynamische bedrijf De Vijfsprong in Vorden wordt vaste mest gebruikt en verdere granen en groenbemesters. Hier is heel mooi te zien dat regenwormen onder goed gekozen omstandigheden daadwerkelijk de ondergrond los kunnen maken (zie foto's hieronder).

De meeste lager gelegen podzolen laten in de laag onder de bouwvoor donkere spikkels zien. Dit zijn resten van pijpestrootjewortels van voor de ontginning. Soms zijn deze gangen nu nog door wortels van landbouwgewassen te gebruiken. De lager gelegen natte podzolen zijn minder vast dan de hoger gelegen droge. Woelen om de ondergrond los te maken is voor deze gronden veelal niet nodig, tenzij er duidelijke bewortelingsproblemen zijn.

Aandacht voor een goede pH op deze van oorsprong zure en steeds weer verzurende gronden is van groot belang.

Wanneer keileem in de ondergrond aanwezig is treffen we meest natte podzolen aan, nu ook wanneer de grond wat hoger gelegen is. De keileem verhindert de waterafvoer naar beneden. De ondergrond van gronden in keileemgebieden is moeilijk te verbeteren. Bodemverbetering moet zich op de bovengrond richten.

Wormgangen waar wortels in groeien op De Vijfsprong in Vorden

Landbouwkundige maatregelen

Gewassen
Omdat de organischestofgehalten van podzolgronden vaak laag zijn, zijn gewassen die organische stof opbouwen (grassen en granen) van groot belang. Ook bij hogere organischestofgehalten kan het zijn, dat de zwarte organische stof overheerst en toch aanvoer van omzetbare organische stof nodig is. Zorg ervoor dat de grond in de winter bedekt is, bijvoorbeeld met een groenbemester.

Groenbemesters
Klavers en andere stikstofrijke groenbemesters onderhouden de bodemstructuur. Daarnaast zijn ook groenbemesters die organische stof opbouwen van belang.

Mest en compost
Composteren van mest is hier niet wenselijk. Dit moet je alleen doen bij een zeer slechte structuur. Humusopbouwende compost is aan te bevelen op deze gronden.

Bodembewerking
Losmaken van de ondergrond is vaak nodig. Voer een herhaling alleen uit na een profielbeoordeling.