De bodems van de wereld van zuid naar noord hebben geheel verschillende eigenschappen. Het beheer en de bodemvruchtbaarheidsproblemen verschillen sterk. Wat bij de een goed is, is bij de ander slecht. Bodemheerders kunnen zo van elkaar leren. 

Landbouwkundig gezien geeft de indeling in jong, midden en oud interessante perspectieven. Veel bodems hebben specifieke tekortkomingen waar een boer constant aan moet werken. Deels om op korte termijn, deels om op lange termijn, een goede groei van de gewassen te krijgen
In onderstaand schema, waarin zeven belangrijke bodems zijn ondergebracht, staan enkele voorbeelden van landbouwkundige maatregelen die bij de verschillende bodemtypes van belang zijn. De genoemde bodems worden in hoofdstuk 3 nader beschreven.

De bodemvruchtbaarheid staat in grote delen van de wereld onder druk:

Verenigde Staten: teelt van gewassen die weinig plantenresten achterlaten zoals mais en soja. Gewasresten van mais worden gebruikt voor dierenvoedsel en energiewinning.

- Noord-west Europa: akkerbouw met steeds minder granen en grassen. Teelt van snijmais met te geringe organische stofaanvoer.

- Oost-Europa: dalende organische stofgehalten door te intensief gebruik.

- Azie en Zuid-Amerika: kappen van regenwoud en teelt van soja die de bodem niet voldoende verzorgd. Slecht 15% van de palmolie wordt verantwoord geteeld.

- Afrika: te intensieve begrazing. Teelt van gewassen die de bodem niet voldoende onderhouden.

Klimaatverandering maakt een hoger vochthoudend vermogen en een betere weerstand tegen erosie nodig.