Globaal zijn de bodems van de wereld in te delen in drie groepen. Bij de polen zure en door humus verdichte gronden en vaak ook veen. In de tropen is er weinig organische stof in de bodem en is de kiezel uitgespoeld. Daar tussenin de vruchtbare gronden met humus gebonden aan klei en een divers bodemleven. 

Bodems ontstaan doordat er planten op verweerd gesteente groeien. Klimatologische omstandigheden hebben veel invloed op de aard van de processen die hierbij in de loop van de tijd optreden. Omdat het uitgangsgesteente, de vegetatie, de temperatuur en de watersituatie overal op de wereld anders zijn, ontstaan overal op de wereld andere bodems.
De laatste zestig jaar is er veel aandacht besteed aan een wetenschappelijk gefundeerde naamgeving van de bodems. Deze naamgeving is evenwel een richting ingegaan die het moeilijker maakt om de naam te koppelen aan bijpassend bodembeheer door de landbouw.
Een indeling van bodems in jong, midden en oud maakt de koppeling van bodemtype aan landbouwkundige maatregelen beter mogelijk, zoals een duurzaam beheer van de fosfaathuishouding en goed koolstofbeheer dat bijdraagt aan zowel de bodemvruchtbaarheid als aan vermindering van het klimaatprobleem. In onderstaande figuur is weergegeven waar deze drie groepen bodems zich, bij benadering, in de wereld bevinden. In de volgende hoofdstukken wordt duidelijk hoe de bodemtypes met hun wetenschappelijke benaming in deze leeftijds-indeling kunnen worden ingepast en wat dit oplevert.

'Globale' indeling van de wereld in gebieden met eenzelfde basisprincipe voor onderhoud en verbetering van de bodemvruchtbaarheid. Deze indeling is een benadering. Binnen een groep komen ook bodems met afwijkende eigenschappen voor. In de tropen kan bij zeer arm zand bijvoorbeeld een oude Podzol ontstaan en bij de polen kunnen zeer humusarme rivierafzettingen met jonge bodems voorkomen. Binnen iedere, op de kaart aangegeven, groep zijn er dus ook bodems uit andere groepen aanwezig.

Jonge bodems

Verweerd gesteente vormt de basis van een bodem. Hierop groeien planten en zo komt er organische stof in de bodem. Wanneer er weinig organische stof is, blijven de minerale delen (het verweerde gesteente) de eigenschappen bepalen. Een laag gehalte aan organische stof komt voor bij bodems die nog niet zo lang begroeid zijn, zoals bij rivier- en zeeafzettingen, maar ook bij bodems in de tropen, omdat een vochtig klimaat en een hoge temperatuur een snelle afbraak van organische stof veroorzaakt. Ook droogte of kou kunnen de reden zijn dat er geen vorming van organische stof optreedt. Gronden met weinig organische stof en weinig afvoer van mineralen door bodemvormende processen, noemen we jonge bodems. Dit is dus een kwalitatieve indeling. Een jonge bodem kan, zoals in de tropen, ook heel oud zijn. Jong betekent hier dat het proces van bodemontwikkeling door opbouw van organische stof (nog) niet op gang is gekomen.

Midden bodems

Bij gunstige klimatologische omstandigheden komt er door activiteit van het bodemleven steeds meer organische stof in de bodem, zowel in de bovenlaag als dieper. De organische stof kan zich ook aan klei gaan binden. Op de bruine gronden (zie 3.4) treffen we van nature gemengd bos aan en bij de Chernozems (zie 3.5) steppeachtige vegetaties. Deze gronden noemen we midden bodems. Ze zijn bij uitstek geschikt voor landbouw.

Oude bodems

Bij een neerslagoverschot kunnen bodems onder een vegetatie steeds zuurder en armer worden, doordat voedingsstoffen uitspoelen. Ook kan er instabiele zwarte organische stof uit de bovenlaag verdwijnen en op een bepaalde diepte weer inspoelen, zodat een inspoelingslaag ontstaat. Er ontstaan dan Podzolgronden. Deze diepere laag kan verdichten waardoor er zeer natte omstandigheden ontstaan en veenvorming optreedt. Maar ook door uitsluitend natte omstandigheden en kou kan er veenvorming optreden. Zo ontstaan oude bodems.