Door ouderdom en zure omstandigheden gaan kleideeltjes uitspoelen en vormen onder de bouwvoor een verdichte laag. Deze laag heet Briklaag. Bij vlakke ligging een groot probleem voor de doorworteling. Op hellingen komt de laag na erosie boven te liggen en is na ploegen en goed beheer juist beter dan de weggespoelde bovenlaag. 

Brikgronden ontstaan doordat kleideeltjes uit de bovengrond naar beneden spoelen en inspoelen in de laag van 40 tot 80 cm diepte. Dit kan alleen op goed ontwaterde gronden die al lange tijd in cultuur zijn. We hebben met oude landschappen te maken met een blokverkaveling die vaak dateert uit het begin van de jaartelling. Brikgronden liggen in reliëfrijke landschappen waar dorpen, oud geboomte en kastelen mede het karakter van de streek bepalen.

Regionale verdeling

Brikgronden komen voor in oudere rivierafzettingen rond Montferland, langs de Maas en verder in de loessgebieden van Zuid-Limburg.

Bodemprofiel

Wanneer rivierkleigonden of loessgronden na langere tijd ontkalkt raken en daarna zeer zuur worden, wordt de bodem minder stabiel en gaan de kleideeltjes uitspoelen. De bovenlaag wordt zandiger en de laag op 40 tot 80 cm diepte kleiiger. De verminderde stabiliteit uit zich ook in toenemende gevoeligheid voor erosie. Bij gronden die op een helling van tenminste 2% liggen, is de zandiger bovenlaag in het algemeen verdwenen en ligt de zwaardere inspoelingslaag aan de oppervlakte. Bij een helling van tenminste 8% gaat ook de inspoelingslaag eroderen. De erosiegevoeligheid wijst er al op dat de gronden door de ontkalking hun stabiliteit zijn verloren. Hierdoor zakt de bouwvoor makkelijk in en komen structuurproblemen vaak voor. De laag onder de bouwvoor kan zo dicht worden dat de ontwatering een probleem wordt en de beworteling zich beperkt tot de bouwvoor.

De ondergrond is vaak wel los gemaakt door pendelende regenwormen. Bij zwaardere inspoelingslagen treedt scheurvorming op in een droge zomer, waardoor de verdichting van deze laag vermindert.

Landbouwkundige maatregelen

Gewassen
Gewassen die humus opbouwen en een intensief wortelstelsel hebben zijn op deze gronden van belang. Dit zijn bijvoorbeeld grassen en granen.

Groenbemesters
Vooral humusopbouwende groenbemesters horen hier thuis.

Mest en compost.
Bodemleven en bodemstructuur kunnen hier met gecomposteerde vaste mest het beste onderhouden of verbeterd worden. Plantaardige composten kunnen aanvullend werken.

Bodembewerking
Bodembewerkingen onder te natte omstandigheden moeten zoveel mogelijk vermeden worden. Losmaken van de ondergrond is vaak nodig. Beoordeel eerst goed de profielopbouw. Wanneer regenwormen of op zwaardere gronden scheurvorming de ondergrond open houden, is woelen van de ondergrond niet gewenst.

De pendelende regenwormen die de ondergrond loshouden, kunnen gestimuleerd worden door de teelt van groenbemesters en gras. In de winter moet de grond bij voorkeur bedekt gehouden worden om erosie te voorkomen. Door niet te diep te ploegen (niet dieper dan ca 20 cm) blijft de organische stof bovenin en kan deze beter de bodemstructuur onderhouden.