Rivierkleigronden zijn al wat ouder en hebben al lang een vegetatie die bodemvorming gaf. De landbouw, bijvoorbeeld fruitbomen met gras, droeg daar ook aan bij. In het rivierkleigebied komend de mooiste gronden van Nederland voor. 

Landschap

Het rivierkleigebied omvat vooral de afzettingen van Rijn, Maas en IJssel. Globaal is het onder te verdelen in wat hoger gelegen stroomruggronden en lager gelegen komkleigronden. Hieronder wordt ingegaan op de kalkhoudende gronden van de eerste groep; kijk voor de tweede groep bij de kalkloze kleigronden.
De goed ontwaterde rivierkleigronden zijn al lange tijd in cultuur. In de Romeinse tijd zijn ze al vaak in cultuur geweest, maar daarna weer verlaten rond 1000 na Chr. vanwege hoge waterstanden. Na 1200 werden dijken in het gebied aangelegd en vond er voornamelijk akkerbouw en fruitteelt plaats. De blokverkaveling geeft een specifiek landschapsbeeld, vergelijkbaar met dat van de enkeerdgronden van het zandgebied, waar blokverkaveling ook het gebruikelijke verkavelingtype is. Beide landschappen zijn in dezelfde periode ontstaan.

Rond de blokvormige kavels liggen vaak houtwallen. Verspreid vinden we bossen. Es, eik, beuk, linde en verschillende soorten fruitbomen zorgen voor een zeer divers landschap, dat sterk door de mens beïnvloed is, maar ook verwant is aan de vegetatie die van nature op dit soort gronden thuishoort.

Regionale verdeling

De kalkhoudende rivierkleigronden liggen vooral in de Betuwe en langs de IJssel. In Utrecht en langs de Maas onder Venlo zijn ze ten dele kalkloos.

Bodemprofiel

Vele honderden jaren begroeiing betekent dat gedurende een lange tijd organisch materiaal is aangevoerd. Dus zijn gedurende vele honderden jaren humuszuren gevormd. Het organische materiaal is verteerd en er is vele honderden jaren koolzuur geproduceerd bij het ademingsproces van het bodemleven. Deze zuren lossen de kalk op en onvermijdelijk spoelt er dan calcium uit. Deze afname van het kalkgehalte vermindert het sterke mineraliserende karakter van een grond en geeft meer ruimte voor humusopbouw in de bovenlaag en ook dieper in de grond. Regenwormen en mollen homogeniseren na verloop van tijd het profiel tot op grotere diepte (vaak tot 90 cm diepte), hetgeen resulteert in een humushoudende grond met een goede bewortelingsmogelijkheid. Mineralen die in de winter naar een diepere laag spoelen kunnen in de zomer voor een deel weer door de wortels worden opgenomen. Er ontstaat als het ware een kringloop in het profiel.

De bodemvorming zoals hierboven geschetst is het meest uitgesproken bij gronden die langere tijd onder een boomgaard liggen en een grasbegroeiing hebben. Dit soort gronden behoren landbouwkundig gezien tot de mooiste van de wereld.

Typisch voor de gronden, met name de zwaardere, is de kaliumfixatie. Kalium wordt door kleideeltjes gefixeerd en komt moeilijk meer vrij. Onderin het profiel komen roestvlekken voor. Vaak gaan deze gepaard met zwarte concreties die lijken op organische stof, maar in feite mangaanhoudende concreties zijn.

Landbouwkundige maatregelen

Gewassen

Bijzondere maatregelen om eenzijdigheden op te heffen zijn hier niet nodig.

Groenbemesters
Ook wat betreft groenbemesters zijn geen bijzondere maatregelen nodig.

Mest en compost
Wanneer de bodemstructuur door bijvoorbeeld te intensieve mechanische bewerking minder goed is, is het beter geen verse, maar gecomposteerde mest te gebruiken. Bij een goede bodemstructuur is dit minder van belang. Plantaardige compost is voor deze gronden niet op zijn plaats.

Bodembewerking
Losmaken van de ondergrond maakt het probleem in het algemeen groter dan het was. Stimulering van regenwormen is belangrijk. Op deze gronden komen veel pendelende regenwormen voor. Het telen van gras en groenbemesters helpt deze te onderhouden.