Wanneer er een dichte vegetatie is in stilstaand water kan er zware klei ontstaan. Bij vertering van de plantenresten ontstaan zuren die de kalk oplossen. Deze moeilijk te bewerkern gronden liggen meestal onder gras. 

Landschap

Kalkloze kleigronden zijn relatief laat ontgonnen (in het begin van de vorige eeuw), mede vanwege de hoge grondwaterstanden in deze gebieden. Ze werden voor de ontginning vaak gebruikt als hooiland.
De ontstaanswijze en daarmee de bodemopbouw vertoont een grote regionale variatie. Echter, het landschap is in grote mate hetzelfde. Grasland is het overheersende gebruik, strokenverkaveling het overheersende verkavelingstype en els, wilg en populier zijn de overheersende boomsoorten.

Regionale verdeling

Kalkloze kleigronden zijn afgezet in een moerasachtig gebied, wat verder van zee of de rivier gelegen. In Zeeland vormen deze gronden de kern van enkele eilanden. Soms is veen in de ondergrond aanwezig. In Noord-Holland, Friesland en Groningen treffen we kalkloze kleigronden met respectievelijk de naam pik-, knik- en knipklei. Deze zijn onder brakke omstandigheden in een rietmoeras ontstaan en hebben een ondergrond met een zeer dichte structuur. In het rivierkleigebied zijn grote oppervlakten met komkleigronden die naar het westen overgaan in klei-op-veengronden.


Bodemprofiel

De gronden zijn in het algemeen zwaar tot zeer zwaar van textuur en vertonen in de zomer scheurvorming. Eventuele verdichte lagen worden hierdoor doorbroken. Beworteling naar de grondwaterzone is door deze scheuren mogelijk. Dit is belangrijk, omdat de zware klei van de bovengrond het vocht stevig bindt en maar een beperkt vochtleverend vermogen heeft. Een ander effect van de scheuren is dat er vanuit de bovengrond grond in kan vallen. Bij het dichtzwellen in de herfst en winter heeft dit tot gevolg dat er een extra verdichting optreedt. De bodemstructuur in de ondergrond is hierdoor vaak zeer dicht. De kwaliteit van de grond wordt echter in sterke mate bepaald door de bodemstructuur van de bovengrond. Soms zijn er na 5 cm diepte al geen wortels van betekenis meer aanwezig. In andere gevallen is er op 30 cm diepte nog een actieve beworteling. De dikte van de laag met een betere structuur valt af te lezen aan het soort structuurelementen en de intensiteit van de beworteling. Op de knipkleigronden wordt de betere bovenlaag de bruunlaag genoemd.

Landbouwkundige maatregelen

Gewassen

Naast gras wordt soms maïs verbouwd. Indien de bodembewerking zorgvuldig gebeurt, kan dit een positieve invloed op de bodemstructuur hebben.

Groenbemesters

Bij een goed beheer van pH, en de fosfor- en kaliumvoorziening kan een redelijke klavergroei plaatsvinden, waarmee de stikstofvoorziening wordt aangevuld.

Mest en compost

Gecomposteerde vaste mest verdient de voorkeur boven verse mest. Breng dunne mest zo oppervlakkig mogelijk in. Humusopbouwende compost is niet nodig.

Bodembewerking

Wanneer de grond nog te nat is, kan inscharen van vee of berijden met zware machines een duidelijk negatieve invloed op de bodemstructuur hebben. De gronden zijn hiervoor zeer gevoelig. Een goede ontwatering is voor deze gronden zeer belangrijk. Ook de pH moet niet te laag worden, niet onder pH-KCL 5,0.