Deze kleigronden zijn ontstaan onder schorren, slikken en kwelders. De wortels van de begroeiing veroorzaakten een poreuze grond. Hierdoor is een diepe beworteling mogelijk. De bovengrond is vaal matig van kwaliteit door weinig aanvoer van organische stof en teveel ploegen. 

Landschap

Jonge zeekleigronden worden aangetroffen in Zuidwest-Nederland, in Noord-Holland, Friesland en Groningen. De ontstaanswijze en de datum van ontginning variëren sterk, maar het landschap vertoont in de verschillende gebieden toch veel overeenkomsten. De gronden zijn bijna alle ontstaan door inpoldering ten behoeve van de landbouw. De natuurlijke vegetatie op deze gronden, zoals iep en es, wordt vrijwel niet aangetroffen. Wel zijn er iepen en essen aangeplant. Zo karakteriseren zij het gebied passend bij de bodem. Daarnaast zijn veel populieren aangeplant. De oudste polders zijn al rond 1150 na Chr. ontgonnen; de jongste in Groningen en Friesland vrij recent, tot in de vorige eeuw. Akkerbouw is het belangrijkste gebruik. Weidebouw wordt onder meer in Friesland aangetroffen.

Regionale verdeling

Bijna alle jonge zeekleigronden zijn afgezet in een gebied waar ooit veen de dominerende afzetting was. Omdat de gronden dicht bij de kust liggen, is het veen vaak geheel verdwenen of alleen op grotere diepte aanwezig. Daar waar de afzetting op een bestaand veengebied plaatsvond, is het materiaal tijdens de afzetting ontkalkt en behoort tot de kalkloze kleigronden die elders beschreven worden.

In Zeeland zijn de gronden in een schorrengebied ontstaan: dat zijn dan echte zeekleigronden. Daarnaast zijn er ook afzettingen in een gorzengebied geweest onder zoete of brakke omstandigheden. Waar de klei op veen is afgezet, is het veen vaak ingeklonken en liggen de kreken, waar het veen is weggeslagen, nu hoger in het landschap dan de gebieden ertussen.

In Noord-Holland is een onderscheid te maken tussen kleigronden die later door veen zijn bedekt, en gronden die altijd aan de oppervlakte lagen. In droogmakerijen zijn deze kleigronden veelal weer aan de oppervlakte gekomen en vaak nog kalkrijk. Ze zijn soms rijk en soms arm aan organische stof. In het noordwesten van Noord-Holland treffen we veel jonge zeeklei aan: kalkrijk, arm aan organische stof en vaak zandig. In West-Friesland zijn veel gronden nooit door veen bedekt, maar gedurende lange tijd begroeid en daardoor rijk aan organische stof. Deze woudeerdgronden worden nu voor groenteteelt gebruikt.

Typisch voor Groningen en Friesland zijn de kwelderwalgronden. Deze kwelderafzettingen zijn in het algemeen kalkrijk, maar de oudere, meer in het binnenland gelegen, zijn soms tot 50 cm diepte ontkalkt.
Enkele boezems (Middelzee, Lauwersboezem en Dollardboezem) zijn gedeeltelijk met kalkrijke en met kalkarme klei opgevuld.

Bodemprofiel

De klei van jonge zeekleigronden is bezonken in een vegetatie van schorren en kwelders. Wortels en andere plantenresten en de activiteit van gravende dieren hebben voor een poreuze massa gezorgd. Door deze poriën kunnen de wortels het grondwater bereiken. Ook in de zomer vindt nalevering van vocht uit de ondergrond plaats. Deze poreuze laag met de zogenaamde sponsstructuur is evenwel zelden nog aanwezig direct onder de bouwvoor. De oogstmachines in de herfst hebben een verdichte laag van 25 tot 40 cm diepte veroorzaakt. Voor de beworteling is deze laag sterk remmend. De beworteling concentreert zich in de bouwvoor en maar een beperkt aantal wortels bereikt de grondwaterzone.

Doordat de gronden jong zijn, is in de laag onder de bouwvoor nog weinig toelevering van organische stof geweest en heeft er weinig homogenisering door het bodemleven plaatsgevonden.
De bovengrond is steeds goed gerijpt. De ondergrond niet altijd. In de ondergrond kan organische stof aanwezig zijn, dat onder luchtarme omstandigheden naar beneden gespoeld nitraat omzet in stikstofgas, zodat dit beperkt in de drainbuis wordt aangetroffen. Het kalkgehalte kan sterk wisselen. Het wordt bepaald door het kalkgehalte van de afzetting en door de mate van ontkalking na afzetting. Het organische stofgehalte is gekoppeld aan de zwaarte van de grond en aan het bodemgebruik in het verleden. Een organische stofgehalte van 1% bij 5% lutum tot 6% bij 30% lutum is normaal.
Wanneer onder de bouwvoor een zandlaag wordt aangetroffen, kan in de zomer verdroging optreden. Vooral in Zeeland komen deze zandplaatgronden voor.

Landbouwkundige maatregelen

Gewassen

Organische stof opbouwende gewassen (grassen en granen) zijn van groot belang. Diepwortelende gewassen (bijv. granen en luzerne) zorgen voor organische stof in de ondergrond.

Groenbemesters
Klavers en andere stikstofrijke groenbemesters onderhouden de bodemstructuur. Organische stof opbouwende groenbemesters dragen bij aan een beter organischestofgehalte.

Mest en compost.
Gecomposteerde vaste mest verdient de voorkeur boven verse mest. Verse mest kan anaerobe plekken in de grond veroorzaken. Humusopbouwende compost is ook wenselijk op deze gronden.

Bodembewerking
Losmaken van de ondergrond is in het algemeen niet wenselijk. Het losmaken van een eventuele verdichte laag onder de bouwvoor, verergert vaak de problemen. Per situatie moet beoordeeld worden hoe groot het probleem is. Alleen bij zeer grote problemen is losmaken nodig. Verticaal levende regenwormen zijn belangrijk. Krijgen deze wormen via gewasresten, groenbemesters, mest en compost voldoende te eten, dan maken zij een eventueel verdichte onderlaag in voldoende mate los.