Op de Flevolandse kleigronden zijn hoge opbrengsten mogelijk. De wortels van de gewassen kunnen het grondwater goed bereiken. Vaak door gangen van rietwortels uit de ontginningstijd. De bovengrond heeft een laag organische stofgehalte en zware machines met brede banden richten veel schade aan. 

Landschap

Het landschap van de Flevopolders is in sterke mate door de mens bepaald. Beplanting langs wegen en diverse natuurgebieden bepalen naast uitgestrekte open gebieden het beeld. De wegen- en kavelstructuur is strak en grootschalig. Hoewel het niet direct zichtbaar is, helt het oppervlak van de polders vanaf de voormalige Zuiderzeekust van Overijssel en Gelderland naar het westen van 1 à 2 m onder NAP tot 4 à 4,7 m onder NAP.

De natuurlijke vegetatie die op dit soort gronden thuishoort, bestaat onder meer uit es en iep. Vooral de essen zijn in grote getale aangeplant en samen met de natuurlijke ondergroei ontstaat een specifiek landschapsbeeld.


Bij de bossen zien we dat de groei in het voorjaar traag op gang komt. Bij diverse boomsoorten, onder meer de populieren, is tijdelijk een licht rode kleur aanwezig. In de ondergroei domineert vaak de brandnetel. Deze brandnetel ontwikkelt zich aanvankelijk uitbundig om in de loop van september voor een groot deel af te sterven Ook veel bomen, vooral populieren, laten al vrij vroeg, in september, veel blad vallen. Herfstkleuren zijn nauwelijks en in sommige jaren vrijwel niet aanwezig. Het blad valt bruin of groen op de grond. Hier verteert het al voor een groot deel tijdens de winter. De strooisellaag is daarom vaak dun. Het makkelijk verterende blad wordt al snel door de regenwormen opgenomen.   

Regionale verdeling

De Flevopolders bestaan uit onderwaterafzettingen. In de Noordoostpolder is de bouwvoor gemiddeld wat lichter dan in Oostelijk Flevoland, waar deze in westelijke richting geleidelijk zwaarder wordt. Naar beneden toe worden de gronden lichter van textuur. Alleen in de omgeving van Schokland, Urk, ten noordwesten van Tollebeek en tussen Emmeloord en Marknesse komt in de Noordoostpolder veen binnen 120 cm diepte voor. Dit is ook het geval in Oostelijk Flevoland ten westen en ten zuiden van Ketelhaven. Hier komen zelfs enkele gebieden met veengronden voor. Langs de oostelijke rand van de Noordoostpolder ligt uiterst fijn lutumarm materiaal met een zaveldek.

Bodemprofiel

De bouwvoor bevatte na inpoldering relatief veel makkelijk verteerbaar organisch materiaal. Samen met de kalkrijkdom geeft dit vaak een goede bodemstructuur. Na verloop van tijd verteert deze makkelijk verteerbare organische stof. Wanneer er weinig aanvoer van verse organische stof is, daalt het organischestofgehalte en ontstaan er structuurproblemen. Onder de bouwvoor treffen we in het algemeen gelaagd materiaal aan. De lagen kunnen het gevolg zijn van de afwisseling van wat zandiger en wat zwaarder materiaal, maar vooral dieper in het profiel kan donker gekleurd materiaal, rijker aan organisch materiaal, de gelaagdheid veroorzaken. Dit is organische stof uit het voormalige veengebied.

Bodemprofiel van een lichte zavelgrond bij Lelystad

Hoewel de oorspronkelijke gelaagdheid in de Flevopolders nog aanwezig is, is de laag wel doorwortelbaar. Dit is te danken aan poriën die onder meer door de rietgroei bij de ontginning zijn gevormd, of bij de zwaardere gronden door scheurvorming bij indrogen. De doorwortelbaarheid van de laag onder de bouwvoor is van groot belang voor vochtaanvoer uit de ondergrond. De gronden zijn vanwege deze poriën goed opdrachtig: in de zomer kan er steeds vocht uit het grondwater aangevoerd worden.
Verder spelen deze poriën ook een belangrijke rol bij de afvoer van water in natte perioden. Door werken met zware machines onder natte omstandigheden kan de laag onder de bouwvoor verdichten. Daardoor wordt beworteling naar de ondergrond moeilijker en daarmee de vochtaanvoer. Verticaal gravende regenwormen (pendelaars) kunnen de laag doorboren om beworteling naar diepere lagen mogelijk te maken.

Blauwe luchtarme delen door bodemverdichting

Landbouwkundige maatregelen

Gewassen
Gewassen die organische stof opbouwen (grassen en granen) zijn van groot belang. Diepwortelende gewassen (bijv. granen) ook, want de ondergrond moet meer organische stof en bodemleven gaan bevatten

Groenbemesters
Klavers en andere stikstofrijke groenbemesters onderhouden hier de bodemstructuur. De bodemstructuur is evenwel niet de zwakste kant van deze gronden. Opbouw van organische stof moet vooral aandacht hebben. Dit doen grassen en granen meer.

Mest en compost
Gecomposteerde vaste mest verdient de voorkeur boven verse mest. Verse mest kan anaerobe plekken in de grond veroorzaken. Humusopbouwende compost is ook wenselijk op deze gronden.

Bodembewerking
Losmaken van de ondergrond is in het algemeen niet wenselijk. Losmaken van een eventuele verdichte laag onder de bouwvoor verergert vaak de problemen. Per situatie moet dan beoordeeld worden hoe groot het probleem is. Verticaal levende regenwormen kunnen van groot belang zijn. Alleen bij zeer grote problemen is loswoelen van de verdichte ondergrond wenselijk. Dit moet dan onder droge omstandigheden gebeuren.