Kleigronden ontstaan door bezinking van klei in water, meestal daar waar een vegetatie is. Dat kunnen schorren, slikken en kwelders zijn. Op de oevers van rivieren staat een bos waar klei in bezinkt, maar periodiek wordt ook zand afgezet. Rivierklei is daarom vaak een mengsel van zware klei en zand. In rietmoerassen bij zee en bij moerasbossen tussen de rivieren wordt de klei bij afzetting ontkalkt en krijgen we zware kalkloze klei. De klei van de Flevolpolders is in open water bezonken. Een kort overzicht over de verschillende kleigronden vindt u hieronder. Een pdf met een uitvoerig overzicht over heel Nederland kunt u downloaden: pdfbodemvruchtbaarheid_per_bodemtype.pdf

 Op de Flevolandse kleigronden zijn hoge opbrengsten mogelijk. De wortels van de gewassen kunnen het grondwater goed bereiken. Vaak door gangen van rietwortels uit de ontginningstijd. De bovengrond heeft een laag organische stofgehalte en zware machines met brede banden richten veel schade aan. 

Deze kleigronden zijn ontstaan onder schorren, slikken en kwelders. De wortels van de begroeiing veroorzaakten een poreuze grond. Hierdoor is een diepe beworteling mogelijk. De bovengrond is vaal matig van kwaliteit door weinig aanvoer van organische stof en teveel ploegen. 

 Wanneer er een dichte vegetatie is in stilstaand water kan er zware klei ontstaan. Bij vertering van de plantenresten ontstaan zuren die de kalk oplossen. Deze moeilijk te bewerkern gronden liggen meestal onder gras. 

 Rivierkleigronden zijn al wat ouder en hebben al lang een vegetatie die bodemvorming gaf. De landbouw, bijvoorbeeld fruitbomen met gras, droeg daar ook aan bij. In het rivierkleigebied komend de mooiste gronden van Nederland voor.