Inhoud:

8.1 Geschiedenis mest- en compostgebruik
8.2 Verbranden of composteren
8.3 Het koppelbedrijf: samenwerking tussen gespecialiseerde bedrijven
8.4 Wet- en regelgeving betreffende opslag, composteren en transport van mest- en compost

8.1 Geschiedenis mest- en compostgebruik.

Dat uitwerpselen van dieren een stimulerende werking hebben op de groei van planten is al lang bekend. Het gebruik van mest bij de teelt van voedingsgewassen dateert van duizenden jaren voor Christus. We beschikken pas over concrete informatie sinds er geschreven bronnen zijn, die preciezer inzicht mogelijk maken. In het volgende geven we een kort overzicht:

oude Grieken
Homerus (ca 800-750 v. Chr.) verhaalt over de omzwervingen van Odysseus. Wanneer hij na 20 jaar vermomd als bedelaar thuiskomt, ligt zijn hond bij de poort: ”Zijn oude hond Argos herkent hem, kwispelt even met de staart en, daalt dan ten onder in de duistere wereld van de dood. Argos nu lag op de mesthoop voor de poort waar alle mest van de muilezels en runderen werd verzameld, totdat de slaven van Odysseus haar van tijd tot tijd opruimden om er het uitgestrekte koningsdomein mee te bemesten."

De Griekse schrijver Xenophon (435-355 v. Chr.) wijt de ondergang van een landgoed aan het feit dat niemand wist hoe het land bemest moest worden. Ter verbetering van mest adviseert hij stro en gras als strooisel te gebruiken.

Theophrastus (371-287 v. Chr.) bepleit het gebruik van strooisel in de stal om daarmee de urine op te vangen en de hoeveelheid mest te vergroten. Hij adviseert magere, ondiepe gronden rijkelijk te bemesten en de vruchtbare, diepere gronden spaarzamer. Hij geeft ook een kwalitatieve volgorde van de verschillende mestsoorten. Het beste zijn menselijke fecaliën. Dan volgen, in afnemende kwaliteit, mest van varkens, geiten, schapen, koeien en paarden.

Romeinen
De geleerde, schrijver en dichter Varro (116-27 v. Chr.) neemt de kwalitatieve beoordeling van Theophrastus over, maar plaatst vogel- en hoendermest vooraan. Virgilius (70-19 v. Chr.) schrijft: ”Het moge ons niet berouwen wanneer de grond met mest wordt verzadigd.” De boer en soldaat Columella (rond 100 na Chr.) adviseert het vee met klaver te voeren om zo een rijkere mest te krijgen.

De Romeinse voorschriften over de behandeling en het gebruik van mest vertonen een opvallende gelijkenis met huidige wettelijke bepalingen:
• bewaar mest op een ondoorlaatbare plek
• bescherm mest tegen uitdroging door de zon
• gebruik veel strooisel
• rijd niet meer mest uit dan dezelfde dag kan worden ondergewerkt
• laat geen mest achter in hoopjes op het veld
• bemest niet te zwaar ineens, maar kom vaker terug met kleinere giften

bijbel
In het oude testament komt het gebruik van mest op vele plaatsen voor. In Jesaja (32, 20) staat: “Welzalig gij die ….zaait, die rund en ezel vrij laat ronddolen, dan zal hij regen geven voor het zaad, waarmee gij uw akker bezaait …. en de runderen en ezels zullen gezouten voer eten.” In 2 Koningen (6,25) staat: “Daarna sloeg Benhadad, de koning van Aram, zijn beleg voor Samaria. Zij belegerden het zolang dat een maat duivenmest vijf zilverlingen opbracht.”

andere bronnen
In Egypte werd al duizenden jaren voor Christus, en wordt nog steeds, duivenmest gebruikt. In Zuid-Amerika gebruikten de Inca's naast menselijke uitwerpselen die van lama's en guanaco's. Er waren ook voorschriften over mestgebruik. In China werden fecaliën lang geleden al gedroogd, vermalen, in blokken geperst en naar het platteland vervoerd. Daar werden ze in water opgelost en voor bemesting gebruikt.

Europa
Van enige eeuwen voor tot ongeveer 400 na Christus werd landbouw bedreven op de zogenaamde Celtic Fields. Bemesting vond hier beperkt plaats. Tussen 650 en 700 na Christus ontstaat in Noordwest-Europa het zogenaamde essensysteem. Om de stevigheid van de mest in de stal en de kwaliteit en kwantiteit van de mest te verbeteren, werden er heide- of grasplaggen doorheen gemengd. Deze potstalmest werd op een relatief klein oppervlak op de es of eng uitgereden.

De Vlaamse landbouw, die rond 1550 ontstond en tussen 1600 en 1750 zijn hoogtepunt bereikte, was een geheel nieuwe ontwikkeling gebaseerd op zorgvuldige toepassing van mest en teelt van klavers. Er werd mest in alle soorten aangevoerd: secreetmest, duivenmest, haardas en oliekoeken. De Vlaamse landbouw zou in de 19e eeuw ook in Duitsland en Engeland toegepast worden en vormt de basis van de huidige, gangbare landbouw.

humustheorie
Tussen 1830 en 1840 ontwikkelt von Liebig zijn ‘Mineralstofftheorie’. Planten blijken te kunnen groeien in oplossingen met mineralen. Daarvoor dacht men dat planten op humusrijke gronden groeiden. Deze zogenaamde humustheorie had in de negentiende eeuw een stimulerende invloed op het gebruik van mest. In Duitsland was één van de laatste vertegenwoordigers van deze theorie de landbouwkundige Albrecht Thaer. In 1809 formuleert hij de humustheorie als volgt: “De vruchtbaarheid van de bodem hangt eigenlijk alleen van de humus af. Het is de humus die planten voedt. Zoals de humus een product van het leven is, zo is ze ook een voorwaarde voor het leven. Zonder humus is geen individueel leven mogelijk.” Rond 1880 wordt de ‘Mineralstofftheorie’ algemeen aanvaard en wordt de humustheorie verlaten.

stalmest
Vooral in Duitsland is er na 1900 veel onderzoek gedaan naar stalmest. De potstalbewaring werd vervangen door gescheiden bewaring. Stapelmest en andere systemen werden ontwikkeld om de verliezen aan mineralen beperkt te houden. In de Tweede Wereldoorlog is het onderzoek met onderbrekingen opgepakt. De resultaten van het naoorlogse onderzoek in Nederland, aangevuld met die van ouder Duits onderzoek, zijn samengevat in het boek ‘Stalmest en gier’.24

compostering
Albert Howard stichtte in 1910 in India enkele zelfvoorzienende boerderijen (Pussa, Quetta en Indore) waarin het gebruik van compost centraal stond. Zijn compostreinigingsmethode werd afgekeken van de inheemse bevolking. De compost werd in lagen opgezet in een afwisseling van mest, plantenafval en kalk. Gedurende de 22 jaar dat Howard deze compost gebruikte had hij weinig last van ziektes bij plant en dier, hoewel die in de omgeving wel voorkwamen. Howard formuleert "een gezonde grond geeft gezonde planten en gezonde planten geven gezonde mensen en dieren."
Zijn composteringsmethode werd de ‘Indore-methode’ genoemd. In zijn boek ‘An agricultural testament' (1947) beschrijft Howard zijn ervaringen. In Engeland inspireerde hij Lady E. Balfour (de oprichtster van de Soil Association) en in de Verenigde Staten I. J. Rodale. Beiden zetten zich actief in voor de biologische landbouw.

biologisch-dynamische landbouw In 1924 geeft R. Steiner in Koberwitz een cursus waaruit de biologisch-dynamische landbouw voort zou komen. In Nederland wordt deze voor het eerst toegepast op de bedrijven van Loverendale. Tot 1935 is E. Pfeiffer hier directeur. In 1935 vertrekt hij naar de Verenigde Staten en richt zich op het composteren. Zijn werk daar vormt de basis voor meerdere initiatieven op het gebied van compost in Europa. Op de eerste wetenschappelijke IFOAM-conferentie in 1977 in Sissach (Zwitserland) zegt Lady E. Balfour: “Ik weet niet waar of wanneer de ideeën die ons hier samenbrengen voor het eerst een beweging genoemd mogen worden, maar ik weet wel dat de belangrijkste inspiratiebron Rudolf Steiner was en meer op landbouwkundig gebied: Sir Albert Howard, Dr. William Albrecht en Dr. E. Pfeiffer.”

recente ontwikkelingen In de jaren tachtig van de vorige eeuw neemt de verwerking van GFT- en groenafval een grote vlucht. Deze ontwikkeling wordt gestimuleerd doordat de aanvoer van composteerbaar materiaal bij de vuilverwerkinginstallaties steeds duurder wordt. Een pionierrol bij de verwerking van groenafval speelde de familie Lübke uit Oostenrijk. Hun methode is gebaseerd op het eerder genoemde werk van E. Pfeiffer in de Verenigde Staten. De grote aandacht voor het composteren van GFT- en groenafval zet een aantal ontwikkelingen in gang. Onderzoek naar de techniek van het composteren wordt intensiever opgepakt. Ook wordt een groot aantal machines voor het composteren ontwikkeld. Er is dan nog weining onderzoek naar de landbouwkundige waarde van compost.

8.2 Verbranden of composteren

groene stroom De toegenomen behoefte aan groene stroom maakt de vraag actueler naar energiewinning uit biomassa (organische resten van plant en dier). Deze winning wordt als duurzaam gezien omdat zij geen absolute toename van het koolzuurgehalte van de atmosfeer veroorzaakt en daarmee niet bijdraagt aan het broeikaseffect.
In 1999 werd in Nederland ruim 80% van de groene stroom uit biomassa verkregen (tabel 8.2.1). Volgens het beleid van de overheid moet in 2020 een kwart van de stroom duurzaam zijn. Uitgaande van biomassa moet een vijfde deel van Nederland voor de energieteelt van houtige gewassen worden gebruikt . Op zich is dat niet realistisch, maar het geeft wel aan dat de druk om planten of mest als energiebron te gaan gebruiken zal toenemen.

De belangrijkste methoden van energiewinning zijn verbranden en vergisten.

Verbranden kan alleen met houtachtig materiaal. Speciaal voor de energiewinning wordt er geëxperimenteerd met teelt van populieren, wilgen en miscanthusgras. De laatste is een verhoutende, tropische grassoort (olifantsgras) die 3 tot 4 meter hoog kan worden.
Vergisten kan met veel meer materialen, bijvoorbeeld met het organische materiaal dat met de groenbak wordt verzameld. Onder luchtarme omstandigheden en na toevoeging van methaanvormende bacteriën wordt methaangas geproduceerd. Bij deze procedure wordt niet alle organische materiaal 'verbrand'. De rest kan na een aërobe composteringsfase alsnog in de landbouw worden gebruikt.

bodemvruchtbaarheid Wanneer planten of mest voor energiewinning gebruikt worden kunnen ze geen of weinig (zoals bij vergisting) bijdrage leveren aan de bodemvruchtbaarheid. Naar schatting hebben 75% van de Nederlandse gronden te weinig organische stof, die actief in de bodemprocessen is opgenomen. Deze actieve organische stof draagt bij aan bodemleven, evenwichtige plantenvoeding en ziektewerendheid van de bodem. Een te laag organische stofgehalte betekent meer energiegebruik per kg product, maar ook meer uitspoeling van voedingsstoffen en een hoger gebruik van bestrijdingsmiddelen. Het is dus moeilijk om bepalen of je organisch materiaal moet verbranden of moet inzetten in het kader van organische stofopbouw. Wel is duidelijk dat energiewinning uit biomassa alleen verantwoord is wanneer alle aspecten, dus ook de bodemvruchtbaarheid, meegenomen worden in de overweging.

8.3 Het koppelbedrijf: samenwerking tussen gespecialiseerde bedrijven.

Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het samenwerken tussen verschillende landbouwsectoren om tot verbetering van de mestkwaliteit en tot een kringloop van stoffen te komen. Door middel van een praktijkvoorbeeld wordt informatie gegeven over de mogelijkheden van samenwerking tussen gespecialiseerde landbouwbedrijven.

meerwaarde van mest
Dierlijke mest is in Nederland van een onmisbaar product veranderd in een ongewenst afvalproduct. Toch heeft dierlijke mest ten opzichte van kunstmest een meerwaarde. In de jaren tachtig noemde La Lande Cremer deze extra waarde het resteffect van dierlijke mest (hoofdstuk 5.3)53, dat zorgt voor een extra opbrengst aan gewassen in vergelijking met kunstmest. Dierlijke mest heeft namelijk bodemverbeterende eigenschappen. Het humusopbouwend karakter is de daarvan bekendste eigenschap. Daarnaast heeft dierlijke mest een positief effect op het bodemleven en op de bodemgezondheid (zie hoofdstuk 5).

mestprobleem
Vroeger was vee noodzakelijk om de bodemvruchtbaarheid op peil te houden terwijl het nu lijkt dat er te veel mest word geproduceerd. In de huidige situatie, waar externe hulpbronnen (import van krachtvoer, kunstmest) inzetbaar zijn, is er op landelijke niveau een overschot aan mineralen. Dit is een belasting voor het milieu geworden. Door de wet- en regelgeving wordt getracht milieuproblemen op te lossen.

Met name door MINAS is de acceptatie van dierlijke mest in de plantaardige sector verminderd. De hoofdoorzaak is de betere afstemming van het mineralenaanbod die mogelijk is bij het gebruik van kunstmest . Maar het eentonig gebruik van kunstmest leidt tot problemen in de natuurlijke bodemvruchtbaarheid, met in de toekomst grote gevolgen op de bodemstructuur, bodemleven en plantenvoeding. Dat resulteert uiteindelijk in het niet kunnen handhaven van een betrouwbare productie (zie hoofdstuk 5 voor relatie bodemvruchtbaarheid en dierlijke mest).

mestaanbod
Het aanbod van dierlijke mest zal groeien omdat veehouders moeten gaan betalen voor de mestoverschotten op hun bedrijf. De toekomst van de (intensieve) veehouderij is deels afhankelijk van de afzet van dierlijke mest in de plantaardige sector.

mestkwaliteit
Op de huidige mestmarkt is de mest vaak van slechte kwaliteit. Drijfmest wordt vaak omschreven als dun, waterig, slecht gemengd en slecht verteerd. Dit komt mede doordat in de veehouderij kunstmest als een belangrijke groeifactor wordt gezien en de mestkwaliteit er niet zoveel toe doet .

Kwaliteitsverbetering van dierlijke mest is essentieel om de mestmarkt aantrekkelijker te maken voor de afnemers: de plantaardige sector. Daardoor komt de toekomst van de veehouderij niet in gevaar door problemen met de mestafzet. Investeren in mestkwaliteit is ook zeker belangrijk voor de plantaardige sector. Om een betrouwbare productie te handhaven is dierlijk mest nodig, omdat die zorgt voor de natuurlijke bodemvruchtbaarheid.

samenwerken
Door samenwerking van de plantaardige sector en de dierlijke sector kan verbetering van dierlijke mest plaatsvinden. Door akkerbouwers, tuinders en veehouders met elkaar in contact te brengen komen kwaliteitseisen van dierlijke mest in beeld en kunnen wensen en mogelijkheden afgestemd worden. Dat resulteert in een efficiënte inzet van dierlijke mest in de Nederlandse landbouw .

koppelbedrijf
De samenwerking tussen gespecialiseerde veehouderijbedrijven en gespecialiseerde tuin- en akkerbouwbedrijven wordt het koppelbedrijf (of partnerbedrijf) genoemd. Het concept wordt ook wel ‘een gemengd bedrijf op afstand’ genoemd. Naast het optimaliseren van het gebruik van mest (zie hoofdstuk 7) biedt samenwerking de mogelijkheid om naast grondstoffen als voer(graan) en stro ook kennis uit te wisselen. Het koppelbedrijf zorgt ervoor dat mineralen en organische stof efficiënter kunnen worden gebruikt door restproducten uit de ene sector te gebruiken in de andere sector. Restproducten uit de dierlijke sector kunnen ingezet worden ten behoeve van de bodemvruchtbaarheid in de plantaardige sector. Restproducten uit de plantaardige sector kunnen gebruikt worden als strooisel in de stallen en als voeder voor de dieren. Door deze koppeling zal de externe input minder zijn en kan ook arbeid efficiënter worden ingezet . Tevens kan met de combinatie van dierlijke en plantaardige systemen milieuvoordelen behaald worden .

kwaliteitsverbetering De kwaliteit van dierlijke mest is afhankelijk van rantsoen, huisvesting en mestbehandeling. Door deze factoren te veranderen heeft de boer de mogelijkheid om de mestkwaliteit te sturen. Zie hoofdstuk 3: Meststoffen en composten voor verdere informatie over mestkwaliteit.

mestkwaliteitseisen Bij het formuleren van mestkwaliteitseisen zijn er beperkingen. De kwaliteitsverbetering van dierlijke mest is afhankelijk van de vraag naar een bepaalde eigenschap en de mogelijkheid om die eigenschap te creëren door de veehouder. In de praktijk blijkt dat de plantenteler niet altijd de mest kan krijgen die vanuit het gewas gezien ideaal is, zoals de veehouder soms genoegen zal moeten nemen met voer en strooisel dat niet helemaal optimaal is voor zijn dieren. Het is samen zoeken naar de meest geschikte mogelijkheid voor de bedrijven. Dit kan betekenen dat compromissen noodzakelijk zijn.

direct contact Door persoonlijk contact tussen veehouder en akkerbouwer ontstaat een vertrouwensband waardoor (gezamenlijke) investeringen in de toekomst gestimuleerd worden. Eén van de voordelen van direct contact en afstemming is de bewaking van de mestkwaliteit. Tevens kan er ingespeeld worden op behoefte van beide partijen.

_____________________________________________________________

Een voorbeeld uit het project ‘Ontwikkeling en Demonstratie koppelbedrijven Noord-Holland’.

koppelvoorbeeld
In 1998 is het Louis Bolk Instituut, samen met een groep van 10 biologische boeren, begonnen met het project ‘Ontwikkeling en Demonstratie Koppelbedrijven’ in Noord-Holland. Doel van het project is om de voordelen van het gemengde bedrijf te her-introduceren in de biologische landbouw en de mogelijkheden te onderzoeken van meer gesloten kringlopen in de bedrijfsvoering. Hieronder een voorbeeld van twee partners die hun bedrijfsvoering op elkaar hebben afgestemd122

Klaverhoeve
Het melkveebedrijf Klaverhoeve van Jan en Annet Vrolijk (Oosthuizen) heeft 60 melkkoeien op bijna 52 ha klei op veengrond. De melkproductie per koe is ongeveer 5600 kg en de dieren krijgen in totaal 50 ton krachtvoer per jaar. Er wordt 40 ha gras-klaver geteeld, 4,5 ha graan (GPS en/of arensilage) en er is 12 ha natuurland van Staatsbosbeheer. De klaver bindt zoveel stikstof dat er nog maar 50 tot 70 kg N per ha aanvulling uit mest nodig is. Deze kan het meest efficiënt als een voorjaarsbemesting worden ingezet. Omgerekend is de resterende mestbehoefte voor 40 ha circa 350 m3 drijfmest plus 200 ton vaste mest. Voor het weidevogelbeheer in het natuurland is een extra hoeveelheid van 200 ton vaste mest nodig. Het bedrijf produceert 750 m3 drijfmest en 800 ton potstalmest uit een hellingstal. Er is dus 400 ton vaste mest beschikbaar voor het akkerbouwbedrijf. De afvoer van mest leidt echter wel tot een negatieve fosfaat- en kalibalans op het bedrijf. Om het tekort aan fosfaat compenseren kan natuurfosfaat, GFT of kippenmest gebruikt worden.

Hoeve Vertrouwen
Het akkerbouwbedrijf Hoeve Vertrouwen van Wim en Wiert Postema (Wieringerwerf) omvat 36 ha kleigrond. Het bouwplan is in tabel 8.3.1 weergegeven.

vruchtwisseling De 7-jarige vruchtwisseling werd aangepast mede aan de behoefte van de Klaverhoeve. De 2-jarige luzerne wordt nu gestart met voertarwe waar luzerne onder wordt ingezaaid. Hierdoor stijgt het aanbod van voergraan. Om een hogere voederwaarde te bereiken wordt de luzerne niet 3 keer gemaaid, zoals in het verleden, maar 5 tot 6 keer per seizoen.

krachtvoer Van de luzerne en gerst wordt krachtvoer gemaakt, de zogenaamde ‘Lugabrok’. Daarvan is er genoeg voor het veebedrijf, dat 50 ton krachtvoer nodig heeft. Er gaat 200 ton vaste mest naar de Klaverhoeve. Deze hoeveelheid kan door het veebedrijf afgevoerd worden omdat de klaver zorgt voor de nodige stikstof in de graspercelen en de graszode zelf genoeg organisch materiaal aanmaakt.
Voor de huisvesting van het vee is 90 ton stro per jaar nodig. De teelt van tarwe levert 20 ton stro. Van de arensilage op het melkveebedrijf komt 15 ton stro. Aanvullend moet dus nog 50 ton stro worden gekocht. Een betere stroverdeler in de hellingstal en het gebruik van alternatief strooisel (bijvoorbeeld riet) kan de strobehoefte met 20 ton doen dalen.

waardebepaling mest
Een eerste vraag van bedrijven die een koppeling willen starten gaat vrijwel altijd over de waarde van de producten die ze onderling gaan uitwisselen. Wat kan je vragen voor je product? Het vaststellen van de waarde van biologische mest is niet makkelijk. Mest geeft organische stof én nutriënten én een zekere onderdrukking van ziekten. De kunst is om daarvan de waarde te bepalen.

Uiteindelijk komen prijzen tot stand door vraag en aanbod, waarbij op de achtergrond meespelen de hoge grondprijzen, de bedrijfsgrootte, het mestoverschot en de lage prijzen voor grondstoffen in de gangbare landbouw. Ook de regelgeving heeft invloed op de prijzen. Zodra de regelgeving strikter wordt zullen de prijzen van de grondstoffen omhoog gaan en zullen velen op zoek gaan naar alternatieven.

factoren
In tabel 8.3.2 zijn factoren genoemd die de waarde van meststoffen en compost bepalen.

Tabel 8.3.2. Aspecten die van belang zijn voor de waardebepaling van mest en compost.
• mineralengehalte (N, P, K en de verhouding N/P)
• sporenelementen
• organische stofgehalte
• kiemkracht van eventueel aanwezige onkruidzaden
• oorsprong, diersoort
• kwaliteit van het bedrijf
• fase van compostering
• composteringstechniek
• vraag en aanbod
• marktprijs
• regelgeving
• transportafstand
• stro prijzen

Uiteindelijk lijkt de waarde van mest een proces te zijn dat ontstaat bij het uitwisselen ervan. Er zal overleg tussen de betrokken partijen plaatst moeten vinden en daar rolt een prijs uit. Waarschijnlijk is in het begin het beste om de marktprijzen als richtlijn te gebruiken, maar die kunnen sterk verschillen per regio. In Noord-Brabant wordt varkensdrijfmest met geld toe geleverd. Zie verder hoofdstuk 3 waar een aantal voorbeelden worden genoemd voor het bepalen van ‘reële’ mestprijzen.

Als er in de toekomst meer uitwisseling van producten plaatsvindt, zal er meer duidelijkheid komen over de waarde- en prijsbepaling van mest en compost.

mestafzetovereenkomsten
Een ander belangrijke factor die speelt bij het uitwisselen van producten is de mestafzetovereenkomst. De invoering van een stelsel van mestafzetovereenkomsten is een belangrijk onderdeel van het nieuwe mestbeleid van de overheid. Dit nieuwe systeem is op 1 januari 2001 ingegaan. De kern van dit systeem is: het aantal dieren dat op een bedrijf mag worden gehouden is afhankelijk van de mogelijkheden om mest aan te wenden en af te zetten op eigen grond of bij een ander bedrijf. In de eerste plaats zullen de intensieve veehouderijbedrijven hiermee te maken krijgen. Deze bedrijven zijn niet of beperkt grondgebonden. Het stelsel van mestafzetovereenkomsten (uitgedrukt in kilogrammen stikstof) houdt bij de bepaling van de mestplaatsings- of mestaanvoerruimte rekening met gronden in eigendom, pacht of zakelijk recht. Let wel, de afnemer heeft een afnameplicht, de leverancier heeft geen afzetverplichting. Voor meer informatie zie www.minlnv.nl .

afspraken Naast de verplichte gegevens die vermeld moeten worden in een mestafzetovereenkomst is er in een bijlage de mogelijkheid om aanvullende afspraken te maken. Hierbij kan gedacht worden aan afspraken over transport, levertijdstip, termijn van uitbetaling, afzetverplichting van een minimum hoeveelheid, minimum gehalte aan stikstof, minimum gehalte aan droge stof en de tijd dat de mest gerijpt heeft.

Naast afspraken over de uitwisseling van mest kunnen er ook andere (tegen)afspraken op de bijlage genoemd worden, zoals levering van stro of voer. Het voordeel hierbij is dat de uitwisseling gelijk een rechtsgeldigheid heeft en is er maar 1 akte noodzakelijk.



8.4 Wet- en regelgeving betreffende opslag, composteren en transport van mest- en compost.

Stel: een landbouwbedrijf voert plantsoenafval aan, mengt dit met aangekochte kippenmest en gaat dit vervolgens composteren. Dit composteren gebeurt direct op de grond. Het vindt op een zorgvuldige wijze plaats waardoor er nauwelijks ammoniakverliezen naar de atmosfeer of stikstofuitspoeling naar het grondwater plaatsvinden. Vervolgens wordt de compost over een fosfaatarme grond uitgereden waarbij jaarlijks 100 kg P2O5 per ha wordt gegeven.

Dit lijkt allemaal in orde en zeer te billijken, maar …het bedrijf overtreedt vele malen de wet. Er is een discrepantie tussen dat wat in individuele gevallen wenselijk is en wat volgens de wetgeving toegestaan of verboden is. Dat maakt de kans groot dat een boer, bij composteren op eigen bedrijf, zich niet aan de wettelijke voorschriften houdt. Daarbij komt nog dat gemeentelijke, provinciale, landelijke en Europese wetgeving niet goed op elkaar afgestemd zijn, zodat voor jou andere regels kunnen gelden dan voor je buurman. Dus moet je bij het starten met compostering op het eigen bedrijf precies uitzoeken wat de betreffende gemeente of provincie toestaat. In het volgende wordt aangegeven wanneer met de gemeente en wanneer met een andere overheid contact moet worden onderhouden.

Het beleid tot en met 2017
De Meststoffenwet heeft tot doel de verontreiniging van bodem, grond- en oppervlaktewater door stikstof en fosfaat als gevolg van het gebruik van meststoffen te beperken. Belangrijk onderdeel van de Meststoffenwet zijn de regels over het gebruik van meststoffen. Er zijn twee typen regels: gebruiksnormen en gebruiksvoorschriften. Deze laatste zijn mede gebaseerd op de Wet bodembescherming.

Landbouwbedrijven hebben te maken met drie soorten gebruiksnormen: een gebruiksnorm voor fosfaat in mest, een gebruiksnorm voor stikstof in mest en een gebruiksnorm voor dierlijke mest gebaseerd op de stikstofinhoud.
Gebruiksnormen voor fosfaat
Deze normen betreffen zowel dierlijke mest, kunstmest als overige organische meststoffen.

Gebruiksnormen voor fosfaat
Voor fosfaat zijn er gebruiksnormen voor grasland en voor bouwland. Er wordt geen onderscheid naar grondsoort gemaakt. Met ingang van 2010 hangt de hoogte van de gebruiksnorm af van de hoeveelheid fosfaat die in de grond zit (fosfaattoestand uitgedrukt in Pw voor bouwland en PAL voor grasland). Er gelden voor de fosfaattoestand drie niveaus: Laag, Neutraal en Hoog.

Bouwland (kg fosfaat per hectare per jaar)
Categorie Pw Tot en met 2017
Laag < 27; 75
Neutraal 27 - 50; 60
Hoog > 50; 50

Grasland (kg fosfaat per hectare per jaar)
Categorie PAL
Laag < 27; 100
Neutraal 27 - 50; 90
Hoog > 50; 80

Gebruiksnorm voor dierlijke mest
Zoals vastgelegd in de Nitraatrichtlijn geldt voor de aanvoer van stikstof via dierlijke mest een norm van maximaal 170 kilogram per hectare.
Nederland heeft in 2014 van de Europese Commissie toestemming gekregen om graasdierbedrijven die minimaal 80% grasland hebben, een hogere gebruiksnorm toe te staan (derogatie). Deze norm ligt bij graasdierbedrijven op klei- en veengrond op 250 kilogram stikstof per hectare. Voor graasdierbedrijven op zandgrond geldt deze norm ook voor het Noordelijk zandgebied (Drenthe). Voor het Centrale en Zuidelijke zandgebied geldt een norm van 230 kilogram stikstof per hectare. Deze derogatie geldt tot en met 2017.

Gebruiksnormen voor stikstof
Voor stikstof is het stelsel van gebruiksnormen ingewikkelder dan voor fosfaat. De stikstofgebruiksnormen hebben net als voor fosfaat betrekking op kunstmest, dierlijke mest en overige organische meststoffen, maar van beide laatstgenoemde soorten mest telt alleen de werkzame hoeveelheid stikstof mee. De werkzaamheid van organische meststoffen is wettelijk vastgelegd door middel van de werkingscoëfficiënt (w.c.) en deze varieert van 10% tot 80% ten opzichte van de werking van kunstmest (w.c. = 100%). Voor vaste dierlijke meststoffen gelden waarden tussen 30 en 60%. Voor dunne dierlijke mest liggen de waarden tussen 45 en 80%.
Daarnaast wordt er een onderscheid gemaakt zowel naar gewas als naar grondsoort. Voor bepaalde gewassen wordt ook verschil gemaakt in ras. Voor grasland hangen de gebruiksnormen af van het beweidingsysteem en van de duur van de grasbedekking (tijdelijk/permanent). Bij maïs is ook nog verschil gemaakt tussen bedrijven met derogatie en bedrijven zonder derogatie.
De stikstofgebruiksnormen voor de belangrijkste gewassen staan hieronder vermeld. Deze vertegenwoordigen ruim 80% van het areaal cultuurgrond in 2014.

Grasland Klei
kg werkzame stikstof per hectare per jaar t/m 2017
Met weiden, klei 345
Met weiden, veen
Met weiden, zand en löss
Volledig maaien, klei 385
Volledig maaien, veen
Volledig maaien, zand en löss

Bouwland Klei
kg werkzame stikstof per hectare per jaar t/m 2017
Consumptie aardappelen, hoge norm1 275
Consumptie aardappelen, lage norm1 225
Zetmeelaardappelen 240 4
Wintertarwe 245
Suikerbiet 150
Maïs, bedrijven met derogatie 160
Maïs, bedrijven zonder derogatie 185 4

Grasland Zand/löss/veen
kg werkzame stikstof per hectare per jaar t/m 2017
Met weiden, klei
Met weiden, veen 265
Met weiden, zand en löss 250
Volledig maaien, klei
Volledig maaien, veen 300
Volledig maaien, zand en löss 320

Bouwland Zand/löss
kg werkzame stikstof per hectare per jaar t/m 2017
Consumptie aardappelen, hoge norm1 2604
Consumptie aardappelen, lage norm1 2104
Zetmeelaardappelen 2304
Wintertarwe 1603
Suikerbiet 1454
Maïs, bedrijven met derogatie 1404
Maïs, bedrijven zonder derogatie 1404

1 de hoge norm geldt voor vastgestelde aardappelrassen met een hoge stikstofbehoefte; de lage norm voor vastgestelde aardappelrassen met een lage stikstofbehoefte. Voor aardappelrassen die niet tot een van beide categorieën behoren geldt een tussenliggende waarde. 2 bij deze gewassen zijn de normen voor lössgronden 5 kilogram lager dan voor zandgronden. 3bij wintertarwe is de gebruiksnorm voor löss 30 kilogram hoger dan voor zand. 4 voor deze gewassen geldt de norm van 2014 met uitzondering van het Zuidelijk zandgebied en het lössgebied. Hier geldt per ingang van 2015 een korting van 20% op de gebruiksnorm van 2014. Deze verlaging is van toepassing op alle uitspoelingsgevoelige akker- en tuinbouwgewassen inclusief maïs De gewassen waarvoor dit geldt en de precieze hoogte van de gebruiksnormen worden nog bekend gemaakt.

Voor informatie over de stikstofgebruiksnormen van de overige gewassen (20% van areaal wordt ingenomen door overige akkerbouwgewassen, groente- en fruitteeltgewassen, alsmede bloembollen- en kwekerijgewassen) wordt verwezen naar de tabellenbrochures van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken (DR-loket). Op het DR-loket zijn de meest recente wijzigingen van de wettelijke voorschriften te vinden.

Referenties
• Ga via www.overheid.nl/overheidsinformatie naar Meststoffenwet
• Ga naar het DR-loket van het Ministerie van EZ (www.drloket.nl.) en kies onderwerp mest
• Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 19 december 2013, nr. WJZ/13215682, tot wijziging van Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en de Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen ter uitvoering van het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn
• Derogatiebeschikking Europese Unie Publicatieblad L 148/88 (2014)
• Evaluatie Meststoffenwet 2012, Syntheserapport

Relevante informatie
• Benutting van de plaatsingsruimte voor stikstof en fosfaat uit dierlijke mest, 2008-2013
• Mestproductie door de veestapel, 1986-2014
• Stikstof- en fosfaatproductie door de gehele veestapel per landbouwgebied, 2014
• Stikstof en fosfaat in dierlijke mest en kunstmest, 1990-2014
• Milieudruk thema Vermesting: inleiding en beleid

Achtergrondliteratuur
Meststoffenwet (zie www.overheid.nl) Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 19 december 2013, nr. WJZ/13215682, tot wijziging van Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en de Uitvoeringsregeling gebruik meststoffen ter uitvoering van het vijfde actieprogramma Nitraatrichtlijn
Derogatiebeschikking Europese Unie Publicatieblad L 148/88 (2014)

Toepassing van mest
Gebruiksvoorschriften voor de manier waarop mest wordt toegepast en de perioden waarin dit gebeurt. Zo komt de mest op het juiste moment en op de meest efficiënte manier bij gewassen terecht en wordt verlies naar het milieu beperkt.
Een stelsel van dierrechten dat grenzen stelt aan het aantal dieren dat mag worden gehouden. Zo wordt voorkomen dat er meer mest geproduceerd wordt dan nuttig gebruikt kan worden bij de teelt van gewassen.
Regels voor de afvoer van mest van veehouderijbedrijven. Zo is altijd bekend waar de mest vandaan komt en naartoe gaat en wordt 'dumpen' van mest voorkomen.

In het Besluit gebruik meststoffen (Bgm) zijn er voor dierlijke mest regels opgesteld voor het tijdstip van bemesting. Daarin wordt onderscheid gemaakt naar grondsoort en naar type mest (vaste mest dan wel drijfmest).

Op grasland mag drijfmest op alle grondsoorten uitgereden worden vanaf 16 februari tot 1 september. Vaste mest mag op klei en veen uitgereden worden van 1 februari tot 16 september en op zand- en lössgrond van 1 februari tot 1 september.
Op bouwland mag drijfmest op alle grondsoorten uitgereden worden vanaf 1 februari tot 1 augustus, of tot 1 september als uiterlijk op 31 augustus een groenbemester wordt geteeld of als in het najaar bollen geteeld worden. Vaste mest mag jaarrond uitgereden worden op bouwland op klei en veen. Dit geldt ook op zand- en lössgrond indien op de desbetreffende grond bomen worden geteeld, voor zover het uitrijden direct voorafgaand aan de aanplant plaatsvindt; anders mag vaste mest op zand- en lössgrond van vanaf 1 februari tot 1 september worden uitgereden.

Gebruik van maaisel uit natuurgebieden
Het maaisel uit natuurgebieden wordt gezien als een afvalstof en mag alleen gecomposteerd worden door een gecertificeerde composteerder. Het is mogelijk om een ontheffing aan te vragen. Er moet dan een beroep gedaan worden op de -Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond-. Maaisel uit natuurgebieden moet in het natuurgebied worden gebruikt. Indien dat niet kan moet een agrarisch bedrijf dat het wil gebruiken binnen een kilometer van het natuurgebied liggen. De gemeente moet wel toestemming geven. Met een vergunning mag ook in het natuurgebied zelf gecomposteerd worden. Voor vervoer van deze compost naar elders gelden verhandelingseisen.

Wat wel mag is dat het maaisel ongecomposteerd naar een landbouwbedrijf wordt vervoerd en daar op een akker wordt uitgereden. Dit mag evenwel alleen wanneer het gedeelte van het natuurgebied door het landbouwbedrijf wordt gepacht. Het wordt dan bedrijfsgrond. Het maaisel heet dan ‘gewasresten’. Als het niet van bedrijfsgrond afkomstig is, is het volgens de wetgever afval en dat mag niet op de akkers worden uitgestrooid. In feite valt deze regeling onder dezelfde wetgeving waar destijds de preitelers ook mee zaten.

Biologische teelt

Voor de biologische teelt geld in 2015 de norm dat 60% van de aangevoerde stikstof afkomstig moet zijn uit biologische meststoffen (A-meststoffen). Verder mogen B-meststoffen gebruikt worden. Hiervoor is een lijst opgesteld. De biologische regelgeving rekent niet met de beschikbare stikstof, maar met het totaalgehalte.

Vinasse en GFT-compost zijn B-meststoffen. Biologische luzerne en groencompost zijn A-meststoffen.

Demeter
Bij Demeter producten uit de biologisch-dynamische teelt mag maximaal 96 kg stikstof worden gebruikt uit dierlijke en plantaardige mest of compost. Stikstof uit compost (groencompost en champost) telt voo 10% mee. Plantaardige hulpmeststoffen mogen tot maximaal 40 kg N per ha gebruikt worden. Dierlijke meststoffen als beendermeel, bloedmeel en verenmeel mogen niet gebruikt worden. Ook GFT-compost, gangbare drijfmest en gangbare pluimveemest zijn niet toegestaan.