Inhoud:

7.1 Gebruik van rekenregels
7.2 Simulatiemodellen
7.3 Organische stof
7.4 Mesttoediening

De grote lijn voor de afweging welke soorten mest of compost gebruikt kunnen worden is beschreven in hoofdstuk 6. De afzonderlijke mest- en compostsoorten staan beschreven in hoofdstuk 3. Binnen die grote lijnen zijn verdere afwegingen nodig, met name over tijdstip en hoeveelheid van toediening. Voor de biologische landbouw zullen deze punten in de nabije toekomst alleen maar belangrijker worden gezien de MINAS-wetgeving en het beleid om binnen de biologische sector minder gangbare en meer biologische mest te gaan gebruiken. De gangbare en de biologische aanpak noden tot bezinning op het mestgebruik en verhoging van de effectiviteit ervan. Voor de biologische landbouw betekent dit minder en effectiever bemesten.

fijnafstemming
Tot op heden wordt in de biologische sector gedacht en gerekend in tonnen mest per hectare, uitgesplitst naar gewasbehoefte en enigszins naar voorvrucht. Deze grove benadering kan verbeterd worden door met name de stikstofbalans van de betreffende teelt zo nauwkeurig mogelijk in beeld te brengen. Enerzijds betreft dat de gewasbehoefte, een gewogen getal op basis van stikstofinhoud van product en gewasrest, de lengte van het groeiseizoen en de stikstofefficiëntie van het gewas. Anderzijds betreft dat de te verwachten toevoer van stikstof uit diverse ‘bronnen’ in de grond en de te verwachten hoeveelheid stikstof uit mest. Dit betekent dat de stikstofbalans per perceel berekend moet worden. Hiervoor zijn rekenregels ontwikkeld: de op het moment best bruikbare vuistwaarden, samengevat in een aantal tabellen (zie hoofdstuk 7.1). Ook zijn simulatiemodellen ontwikkeld die ten opzichte van de rekenregels voor- en nadelen hebben (zie hoofdstuk 7.2).

organische stof
Om meer zicht te krijgen op de bijdrage van een mest of compost aan het organische stofgehalte van een grond kan een ‘organische stof balans’ opgesteld worden. Gezien de lange termijn waarop organische stof werkzaam is en de traagheid waarmee het organische stofgehalte van een grond kan veranderen, moet het effect op langere termijn worden bekeken. Tabellen en voorbeelden van berekeningen staan in hoofdstuk 7.3.

7.1 Gebruik van rekenregels

Stikstof is een belangrijke voedingsstof voor de plant. Zowel teveel als te weinig stikstof heeft een ongunstige invloed. Een goed stikstofbeheer is niet eenvoudig omdat er vele stikstofbronnen zijn, zoals organische stof in de grond, oogstresten en organische mest. Rekenregels of vuistwaarden kunnen een belangrijke hulp zijn bij de keuze van de juiste hoeveelheid mest. De hierna besproken rekenregels voor de stikstofbemesting zijn opgesteld voor de akkerbouw en de tuinbouw. Voor de veehouderij / graslandbeheer gelden andere afwegingen, die in hoofdstuk 6.3 zijn uitgewerkt.

drie hoofdlijnen
De volgende drie rekenregels voor de bemesting zijn van belang:

• De stikstofbehoefte van het gewas. Dit is een maat voor de hoeveelheid stikstof die het betreffende gewas gedurende de teelt aangeboden moet krijgen om een voldoende opbrengst te kunnen realiseren. Een overzicht van de stikstofbehoefte van de gewassen staat in tabel 7.1.1.

• De stikstof die sowieso voor het gewas beschikbaar komt, los van de bemesting voor dit gewas. Het betreft de levering van stikstof uit:
a. gewasresten: zie tabel 7.1.2.
b. groenbemesters van het voorgaande jaar: zie tabel 7.1.3.
c. grasklaver en luzernevoorvrucht, eventueel van twee of drie jaar geleden: zie tabel 7.1.4.
d. de bodem zelf, de ‘oude kracht’. Zie tabel 7.1.5.
e. depositie
f. het 2e-jaarseffect van vaste organische mest: zie tabel 7.1.6.

• Indien de levering minder is dan de behoefte, is er sprake van een tekort, te dekken door bemesting. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de mineraleninhoud (zie tabel 7.1.7) en de werkingscoëfficiënt van mest, die afhankelijk is van
a. de soort mest,
b. het tijdstip van toediening
c. de duur van groeiseizoen van het gewas waar het om gaat (zie tabel 7.1.6).

Een aantal voorbeeldberekeningen geven de wijze van werken aan. De regels zijn geformuleerd voor de gangbare en de biologische landbouw. In de gangbare landbouw ligt de behoefte aan stikstof aanzienlijk hoger dan in de biologische teelt, in een verhouding van ruwweg 100% / 60%. Door dit grote verschil zal bij toepassing van de rekenregels blijken dat in de gangbare teelt vaste mest de stikstofbehoefte niet kan dekken.

Toelichtingen op de stikstofbronnen

levering uit organische stof (tabel 7.1.5)
De levering van stikstof door de bodem komt tot stand door de afbraak van oudere bodem organische stof. Dus door afbraak van organische stof van recent geteelde groenbemesters, recente bemestingen en dergelijke. Deze levering is een inschatting en kan bijvoorbeeld afhankelijk van de bodemstructuur per situatie verschillen.
Alle grondsoorten met hogere organische stofgehaltes leveren niet zonder meer evenredig meer stikstof. Bij de meeste gronden in Nederland met een hoog organische stofgehalte is een groot deel van de organische stof, gezien vanuit de stikstofdynamiek, ‘inert’. Deze breekt niet noemenswaardig af en levert dus ook geen stikstof.
De afbraak van organische stof verloopt iets sneller op een zandgrond dan op een zwaardere grond. Doorgaans wordt klei als ‘rijker’ beschouwd dan zand. Dat slaat dus niet op de snelheid van levering van stikstof maar op andere bodemeigenschappen: vochtgehalte, dikte van de doorwortelbare laag, hoger aandeel actieve organische stof, veel lagere uitspoelinggevoeligheid.

depositie
Van de stikstof uit de lucht komen alleen de opneembare delen ten goede aan het gewas. De hoeveelheden kunnen per jaar en per locatie verschillen. Er wordt rekening mee gehouden dat 10 kg N/ha door het gewas tijdens het groeiseizoen opgenomen kan worden. Dit is ruwweg 1/3 deel van de totale stikstofdepositie. Een jaarrondteelt als grasklaver zal een groter deel van de depositie benutten, zo’n 20 kg.

werkingscoëfficiënten (tabel 7.1.6)
Het gaat in deze berekening om de directe werking van N in de mestsoorten: de in de mest aanwezige minerale stikstof en de stikstof die uit de snel verterende organische stof vrijkomt. Dit wordt samengevat met het begrip werkingscoëfficiënt. Voor vaste mest geldt een meerjarige werking. Deze is in de bijlage opgenomen als indicatieve waarde. Verder onderzoek zal deze getallen kunnen bestendigen.

stikstof in mest (tabel 7.1.7)
De hoeveelheid stikstof in mest kan sterk variëren en kan daarom het beste bepaald worden door analyse. Om die reden is voorzichtigheid geboden met het gebruik van vuistwaarden. Vooral de eigenschappen van het voer hebben invloed op de gehalten (zie hoofdstuk 3). De uiteindelijke werking van de mest is:
de hoeveelheid mest x het stikstofgehalte x de werkingscoëfficiënt.

biologische mest
Gehalten aan stikstof zijn in biologische mest vaak lager dan in gangbare. In hoofdstuk 3 vindt u meer informatie.

Voorbeelden van toepassing van rekenregels voor bemesting.

Onderstaande voorbeeldberekeningen hebben uitsluitend betrekking op stikstof. De getallen zijn gegeven in kg/ha. De voorbeelden zijn uit de biologische landbouw, maar de rekenwijze is ook van toepassing op de gangbare landbouw, waar andere behoeftes aan stikstof gelden (zie tabel 7.1.1).

vaste rundermest, toediening in de nazomer vóór de groenbemester, 5,5 kg N/ton,
werkingscoëfficiënt 20% (tabel 7.1.6) 11 kg N per 10 ton mest.
Hieruit volgt dat 35 ton vaste mest in het najaar vóór de groenbemester uitgereden voldoende stikstof levert voor een redelijke opbrengst.

vaste rundermest, nazomer toediening vóór groenbemester, 5,5 kg N/ton, werkingscoëfficiënt 20% (tabel 7.1.6) 11 kg N per 10 ton mest.
Hieruit volgt dat 20 ton vaste mest in het najaar vóór de groenbemester voldoende stikstof levert voor een redelijke opbrengst.
Opmerking: ui is een gewas met relatief zwakke beworteling. Structuurbeperkingen hebben onmiddellijk hun weerslag op doorworteling en daarmee op stikstofopname.

runderdrijfmest, voorjaarstoediening kort voor planten, 4,9 kg N/ton (tabel 7.1.7), werkingscoëfficiënt 65% (tabel 7.1.6) 32 kg N per 10 ton mest.
Hieruit volgt dat 22 ton drijfmest, vóór de teelt ingewerkt, voldoende stikstof levert voor een redelijke opbrengst.

Runderdrijfmest, toediening kort voor planten, 4,9 kg N/ton (tabel 7.1.7),werkingscoëfficiënt 65% (tabel 7.1.6) 32 kg N per 10 ton mest.13 ton drijfmest vóór de teelt inwerken levert voldoende stikstof voor een redelijke opbrengst.

Opmerking: gezien de uitspoelinggevoeligheid van stikstof uit drijfmest op zandgrond heeft neerslag vlak vóór en tijdens de teelt een grote invloed op de N-beschikbaarheid. Net als bij uien heeft prei een relatief zwak wortelstelsel, waardoor structuurproblemen sterk kunnen doorwerken op N-opname en opbrengst.

Voorbeeld 5. Hetzelfde als voorbeeld 4, maar nu met vaste mest.
te dekken tekort: 40 kg N

Vaste rundermest, voorjaarstoediening bij inwerken groenbemester, 5,5 kg N/ton, werkingscoëfficiënt 40% (tabel 7.1.6) 22 kg N per 10 ton mest.
18 ton vaste mest is voldoende. Vaste mest heeft als voordeel dat de uitspoelinggevoeligheid van de stikstof lager is, omdat het grootste deel organisch gebonden is. Dit heeft als keerzijde dat het beschikbaar komen afhankelijk is van mineralisatie, en dus van bodemleven, temperatuur en structuur.

beperkingen van de rekenregels
Betere rekenregels om relatief eenvoudig greep te krijgen op fijnafstemming van de (stikstof)bemesting zijn er niet. Toch kleven er enkele bezwaren aan:
• De bodemstructuur heeft grote invloed, zowel op het beschikbaar komen van stikstof als op de opname ervan. Bij een slechte structuur is sprake van verminderde mineralisatie van stikstof. Tevens kunnen bij een slechte structuur de wortels moeilijker mineralen bereiken. Met de bodemstructuur wordt in de rekenregels geen rekening gehouden, terwijl die in het perceel wel degelijk effect kan hebben.
• Weersinvloeden worden bij de rekenregels niet meegenomen. Met name temperatuur, met invloed op mineralisatiesnelheid, en neerslag, met invloed op uitspoeling, hebben een sterke invloed op de stikstofbeschikbaarheid.
• In de rekenregels zitten de meerjarige effecten van gewasresten, groenbemesters en bemesting onvoldoende verwerkt. Wat genoemd is ‘levering van de bodem’ (‘oude kracht’) kan van jaar tot jaar behoorlijk variëren, terwijl in de rekenregels een vaste waarde wordt aangehouden. De simulatiemodellen die worden ontwikkeld zijn mede bedoeld om aan deze bezwaren tegemoet te komen. Ze worden in het volgende hoofdstuk behandeld.

7.2 Simulatiemodellen.

Met simulatiemodellen kan inzicht worden verkregen in de stikstoflevering van organische mest. Verschillende vragen kunnen worden beantwoord. We geven enkele voorbeelden:
• wanneer komt nu precies de stikstof uit organische mest vrij? Is dat tijdens de groei van het gewas of ook erna?
• spoelt er tijdens de groei ook veel uit?
• komt er in de winter nog stikstof vrij en spoelt die in de ene winter meer uit dan in de andere winter?
• welk deel van de stikstof in de gewassen is nu uit de meststoffen van de afgelopen jaren afkomstig, welk deel uit de organische stof van de grond?

Met een simulatiemodel kunnen al deze vragen beantwoord worden en daar kan bij de teelt rekening mee worden gehouden. Een voorwaarde is wel dat het model de processen in de bodem goed beschrijft en dat is niet altijd het geval. Gelukkig zijn hier de laatste jaren belangrijke vorderingen mee gemaakt. Door met Nmin-metingen op een perceel de berekeningen en de metingen te vergelijken en op elkaar af te stemmen kan je een model per perceel 'ijken'.

Het ziet er naar uit dat met de aanscherpende milieueisen de simulatiemodellen een steeds belangrijker rol gaan spelen. De processen in de bodem zijn zó ingewikkeld dat een rekensysteem een belangrijke hulp kan zijn.

soorten modellen
Er zijn verschillende soorten modellen. De ene richt zich meer op de organische stof, de ander meer stikstof. Soms staat de uitspoeling centraal, soms de gewasopname:

NDICEA Habets en Oomen (1994) stikstof en organische stof in de
vruchtwisseling
MOTOR Whitmore C&N dynamiek in de bodem
ROTASK J.Jongschaap (1996, 1997) C&N dynamiek in de bodem
CERES Jones et al (1986) familie van modellen; nadruk op
eenjarige gewasgroei
Century Parton et al. (1987) nadruk op organische stof dynamiek
Org. stof Janssen (1984) afbraak van organische stof
N_ABLE Greenwood, Rahn and stikstof behoefte van veldgewassen
Draycott (1996)
FARM Habets (1991) milieu-economische optimalisatie
bedrijfssystemen
SUCROS Van Keulen potentiële gewasgroei
NLEAP Schaffer et al (1991) nitraat uitspoeling en economische
analyse

NDICEA
Dit is een model waar organische mest goed in uitgewerkt is en waar in Nederland veel ervaring mee is opgedaan. NDICEA staat voor Nitrogen Dynamics In Crop rotations in Ecological Agriculture . Het model is waarschijnlijk het enige waarin vanaf het begin is gewerkt aan de beschrijving van de gehele vruchtwisseling, zoals die in de biologische landbouw centraal staat.

Op basis van de bedrijfsvoering, de opbrengsten en het weersverloop over de jaren kan worden gereconstrueerd hoe de stikstofhuishouding in een bodem verloopt. De processen zijn dynamisch gemaakt door ze afhankelijk te maken van de wekelijkse veranderingen van temperatuur en vocht van de grond en de in de loop van de tijd veranderende afbraaksnelheid van mest, groenbemesters en gewasresten in de grond. Met het model wordt het mogelijk de langjarige effecten van een bepaald management door te rekenen.

onderdelen
Het model NDICEA berekent de mineralisatie van stikstof op basis van de afbraak van de organische stof, mest en oogstresten. Ook berekent het de waterbalans en daarmee het stikstoftransport in de bodem en het berekent de water- en stikstofopname door het gewas.

Voor actuele ontwikkelingen rondom het model NDICEA kunt u het beste contact opnemen met het Louis Bolk Instituut. Er wordt verder gewerkt aan de ontwikkeling van het model tot management-instrument voor vruchtwisselings- en bemestingsvraagstukken in de akkerbouw en de vollegrondsgroenteteelt. Het model zal aan de hand van twee voorbeelden worden toegelicht.

voorbeeld 1
Op een akkerbouwbedrijf in Noord-Holland wordt luzerne geteeld. Na de luzerne wordt met stalmest bemest. Het volgende jaar worden aardappels geteeld. De vraag is of de bemesting achterwege kan worden gelaten wanneer de laatste snede van de luzerne niet verkocht wordt, maar ondergewerkt wordt als groenbemesting. Uit de modelberekening blijkt dat door deze verandering de aardappels voldoende stikstof hebben. De stikstofvoorziening is dezelfde als in de situatie waarin bemest werd en de laatste snede luzerne niet werd ondergewerkt maar verkocht. In het tweede jaar, het jaar na de aardappels is er evenwel veel minder stikstof beschikbaar. Dit komt omdat stalmest een langere nawerking van stikstof heeft. Luzerne verteert snel en levert alleen in het jaar na onderwerken veel stikstof. Ook het organische stofgehalte zal door deze teeltverandering wat dalen.

 

voorbeeld 2
Als tweede voorbeeld volgen hieronder gegevens van het demonstratieveld van ‘Mest als Kans’. Uitgangspunt bij dit veld is het tonen van de werking van zeer verschillende mestsoorten op korte en lange termijn. Op het proefveld worden diverse mest- en compostsoorten naast elkaar toegediend en ieder jaar dezelfde mest op het zelfde stuk land. In 1999 stond er rode kool. Voor elk perceel werd de stikstofdynamiek gemodelleerd en gemeten. Onderstaand worden enkele resultaten van zes van de dertien varianten besproken.

In figuur 7.2.1 staat aangegeven hoe gedurende het groeiseizoen stikstof vrijkomt uit de organische stof in de grond en uit potstalmest. In week 18 wordt er bemest. Op dat moment is bijna 20 kg stikstof uit de organische stof vrijgekomen. In totaal zal dit tot het eind van het jaar 80 kg per ha worden. Na week 18 gaat ook de mest stikstof leveren. In totaal 47 kg tot het eind van het jaar.
Potstalmest leverde 47 kg, andere meststoffen leverden soms meer soms minder. In tabel 7.2.1 staan enkele voorbeelden

Uit de tabel blijkt duidelijk dat van de totale hoeveelheid stikstof in een meststof slechts een deel vrijkomt. Dit deel verschilt sterk per meststof en is niet een vast percentage van de totale hoeveelheid stikstof.

Er zijn bij simulatiemodellen zeer veel evaluatiemogelijkheden. Een ander voorbeeld is de vraag hoeveel stikstof er na de oogst nog uitspoelt.

Bij potstalmest komt er nog stikstof vrij na de oogst. Omdat er dan geen gewas meer op het veld staat spoelt deze uit.

Tenslotte: omdat de mogelijkheden bij simulatiemodellen zijn zeer groot zijn is het de vraag of de modellen de situatie goed beschrijven. Dit kan alleen na jarenlange evaluatie worden vastgesteld. Een ander punt is de geringe gebruiksvriendelijkheid van de modellen, die een brede toepassing in de weg staan.

7.3 Organische stof

gewenst gehalte
Het organische stofgehalte dat haalbaar en wenselijk is voor een optimale mineralenbenutting hangt af van bodemtype en gebruik. Zware grond heeft vaak hogere organische stofgehalten omdat de afbraak trager verloopt dan op lichtere gronden. Intensieve tuinbouw vergt vaak hogere organische stofgehalten dan akkerbouw. Als zeer globale indicatie kan zowel voor zand- als zavelgrond een ideale waarde voor het organische stofgehalte van 3% worden aangehouden. In de praktijk is zo'n waarde evenwel vaak moeilijk te bereiken.

afbraak 2-4%
In de bodem bevindt zich organische stof van uiteenlopende ouderdom. Een aanzienlijk deel van de organische stof kan duizenden jaren oud zijn en doet niet mee aan de actieve bodemprocessen. Dat deel dat wel aan omzetting onderhevig is wordt wel actieve organische stof genoemd. Van deze actieve organische stof wordt jaarlijks 2 tot 4% afgebroken. De afbraak is groter op lichtere grond, bij een hogere pH-waarde en bij veel en intensieve bewerkingen van de grond. Op een wat zwaardere, kalkloze grond met relatief weinig bewerking (voorbeeld bij een meerjarige kunstweide in de vruchtopvolging), kan met een afbraak van 2% rekening worden gehouden. Een afbraak van 4% is te verwachten op een kalkrijke, lichte grond met soms meerdere diepere bodembewerkingen per jaar.

effectieve organische stof
Om te kunnen rekenen met hoeveelheden organische stof wordt gewerkt met de term ‘effectieve organische stof’. Dat is de organische stof die een jaar na toediening nog in de grond over is en daarmee aan humusopbouw bijdraagt. Het deel organische stof dat binnen een jaar wordt afgebroken draagt niet bij aan opbouw en instandhouding van de humus, wel aan voeding van plant en bodemleven.

minimale toevoer
Bij een ploegdiepte van 25 cm is voor het handhaven van 2% organische stof aan effectieve organische stof nodig:

• bij een jaarlijkse afbraak van 2%: 1400 kg/ha/jaar
• bij een jaarlijkse afbraak van 4%: 2800 kg/ha/jaar

Om uit te rekenen of de gewenste hoeveelheid effectieve organische stof aangevoerd wordt kunnen de hoeveelheden van tabel 7.3.1 en 7.3.2 gebruikt worden. Tabel 7.3.3 presenteert een voorbeeld. Het is mogelijk de berekening voor het hele bedrijf in een bepaald jaar uit te voeren of voor een perceel over meerdere jaren. Bij een berekening van een perceel over meerdere jaren moet de gemiddelde aanvoer aan effectieve organische stof per jaar worden uitgerekend. Het gevonden getal kan gebruikt worden om in figuur 7.3.1 en 7.3.2 af te lezen welk % organische stof op termijn te verwachten is. Voor gronden met veel oude organische stof gelden de grafieken van figuur 7.3.1 en 7.3.2 niet. De berekening heeft hier alleen betrekking op de actieve organische stof.



7.4 Mesttoediening

inleiding
Om mest uit te brengen in grasland of op de akker zijn verschillende technieken mogelijk. Op bouwland wordt bovengronds uitrijden, direct onderwerken en mestinjectie met drijfmest het meest toegepast. Op grasland gebruikt men voor drijfmest vooral de zodenbemester, de sleufkouter en de sleepvoetenmachine. Op bouwland en weide wordt de meststrooier voor vaste mest en compost gebruikt.
Bij zorgvuldige toediening van organische mest zijn de volgende vragen belangrijk:
• wordt de toegediende mest benut door het bodemleven en/of het gewas?
• wat is de schade aan de structuur van de bodem?
• wordt de mest goed verdeeld?
• wat is de te verwachten emissie naar de lucht en oppervlaktewater?

bodemstructuur
Toediening van organische meststoffen met behoud van de bodemstructuur is noodzakelijk. Omdat het vaak om aantallen tonnen per hectare gaat en de mechanisatie van de apparatuur om mest toe te dienen de laatste jaren alleen maar zwaarder en bodemonvriendelijker wordt, is er een directe relatie tussen de structuur van de bodem en de benutting van de organische mest. Mest toedienen waarbij structuurbederf optreedt veroorzaakt zuurstofarme zones waarin de mest in de bodem terechtkomt. Deze zuurstofarme situaties zijn schadelijk voor het bodemleven en de plantenwortels, die deze plekken mijden.
Vaste stalmest- en compostsoorten hebben de kwaliteit om de bodemstructuur te verbeteren. Deze kwaliteit komt alleen tot zijn recht wanneer zonder structuurbederf organische mest wordt toegediend. Hierdoor krijgt het bodemleven een impuls om zich te ontwikkelen, waardoor het poriënvolume in de bodem toeneemt. Deze toename bevordert weer de mineralisatie van plantenvoedingsstoffen uit de organische stof.

toediening van drijfmest

Alle methoden voor toediening van drijfmest zijn gericht op het beperken van ammoniakemissie. Het in de grond wegwerken (injectie) van mest is daarvoor het meest effectief. Deze methode heeft grote bezwaren omdat hij de mineralenbenutting vermindert, zuurstofarme plekken veroorzaakt en de graszode beschadigt.
Voor de biologische landbouw draagt het beperken van de emissie bij aan de benutting van de mest. Dit verlaagt de mestbehoefte binnen de veehouderij zodat er meer biologische mest beschikbaar kan komen voor andere bedrijfstakken.

emissie
De reductie van de ammoniakemissie is afhankelijk van de samenstelling van de mest en de toegediende hoeveelheid. Bodem- en weersgesteldheid hebben ook een grote invloed op de omvang van de emissie. In grote lijnen hebben de methoden ten opzichte van breedwerpig verspreiden een lagere emissie (voor de vergelijking zijn ook andere emissiebeperkende maatregelen meegenomen), zie tabel 7.4.1.

bodemleven
Mestinjectie zou het grootste verlies aan bodemleven veroorzaken. Dit komt vooral voort uit waarnemingen in de praktijk waarbij wormen na injectie omhoog komen en eventueel doodgaan. De samenstelling en hoeveelheid van de mest hebben waarschijnlijk meer invloed op het bodemleven dan de injectie zelf. Het effect van de diverse methoden op ander bodemleven dan regenwormen is niet onderzocht.

mestinjectie
Bij injectie van de mest via ganzenvoeten op 12 tot 18 cm diepte, wordt de sleuf na toediening gesloten (aandrukrol). De mestwerking komt bij injectie traag op gang omdat de mest diep in de grond terechtkomt, waar het koud en zuurstofarm is.
Voordeel van deze methode is het emissiearm kunnen uitbrengen van grote hoeveelheden drijfmest.
Nadelen van deze methode is het veroorzaken van een zuurstofarm milieu op de geïnjecteerde diepte. Bij mestinjectie op klei of beekeerdgronden ontstaan de hele zomer blauwe zones in de grond, die duiden op een zuurstofarme situatie. Een ander nadeel van deze anaërobe situaties is de mogelijke productie van lachgas en methaan uit de geïnjecteerde mest. Deze dragen bij aan het broeikaseffect en de afbraak van de ozonlaag.

zode-injectie
Bij injectie via een injectiekouter op 6 tot 9 cm diepte wordt - evenals bij mestinjectie - de injectiesleuf gesloten.
Hierbij spelen dezelfde voor- en nadelen een rol als bij de mestinjectie. Bij grasland waar de mest niet in maar onder de zode wordt gebracht zal de benutting laag zijn en op zandgronden is de kans op uitspoeling groot.
zodebemesting
Toediening van de mest via schijf- of tandkouters op 5 tot 7 cm diepte. Gras en grond worden hierbij opzij gedrukt en de mest blijft zichtbaar, maar onder het maaiveld liggen. Bij doseringen tussen de 15 en 20 m³ en een diepte van 3-5 cm, is de kans op zuurstofarme situaties in de zode beperkt. Wanneer de hoeveelheid en diepte zuurstofarme zones in de zode teweeg brengen dan kan wortelsterfte en wormensterfte het gevolg zijn en is de benutting laag. Indien bij zodebemesting de sleufjes overlopen is de emissie hoger dan bij zuinig gebruik.

sleufkouterbemesting en sleepvoetensysteem
Bij een sleufkouterbemester of sleepvoetenbemester wordt de mest in een strookje tussen het gras op de grond gelegd. De zode wordt daarbij bijna niet of niet geopend. De mest blijft duidelijk zichtbaar liggen. De beide systemen werken minder diep dan de zodebemester en maken daardoor een sneller herstel van de zode mogelijk.
Sleufkouterbemesting is iets minder afhankelijk van omgevingsfactoren dan sleepvoeten omdat de mest wat meer verborgen ligt, maar de verschillen zijn klein. Bij gebruik van sleepvoeten wordt het gras weinig besmeurd, maar de emissie is bij deze toediening hoger. Uitrijden bij donker of regenachtig weer en hoeveelheden van 15 m³ /ha of minder reduceert de emissie.



bouwlandinjecteur
Bouwlandinjecteurs zijn veelal gebouwd op basis van cultivators of de schijveneg. Op bouwland wordt drijfmest vóór of na het ploegen geïnjecteerd. Afhankelijk daarvan en van het gewenste moment van beschikbaarheid van de mineralen wordt de injectiediepte bepaald. Injecteren vóór het ploegen met als doel snelle beschikbaarheid te realiseren vraagt om een grote injectiediepte. Na het ploegen zal de mest bovenin de bouwvoor terechtkomen.

toediening in het gewas
Toediening in het voorjaar in het gewas verhoogt de benutting van de mineralen. In de praktijk stuit het uitbrengen op technische problemen, waarbij de toegebrachte structuurschade het grootste knelpunt is. Toch staat de ontwikkeling niet stil en neemt de toepassing van drijfmest in het gewas toe. Nieuwe technieken verlagen de kans op structuurschade en vergroten daarmee de mogelijkheden.

sleepslang
Het sleepslangensysteem is daar één van. In dit systeem blijft de drijfmesttank op de kopakker en wordt de drijfmest door een slang naar de trekker met sleepvoeten of sleufkoutersysteem aangevoerd. Hierdoor is de structuurschade aanzienlijk minder omdat de tank met drijfmest niet meegenomen wordt en de trekker lichter kan zijn. Dit systeem werkt goed op grasland en in tarwe. Op bouwland bestaat de kans dat de meegesleepte slang in de bochten ook grond gaat meeslepen. Toepassing in bedden en rijen is niet mogelijk omdat de slang daar teveel schade aanricht.

sleepslang met beregeningshaspel
Door het gebruik van een beregeningshaspel als sleepslang is het mogelijk om rijenbemesting toe te passen zonder dat de slang achter de trekker blijft slepen. Met dit systeem is het in principe mogelijk om op elk gewenst tijdstip drijfmest als rijenbemesting toe te passen.
rijpadensysteem
Wanneer de akker is ingedeeld in teeltbedden en rijpaden dan kan zonder structuurbederf rijenbemesting worden toegepast. Alleen op de paden wordt gereden en de apparatuur om de mest toe te dienen is op de bedbreedte afgestemd. In combinatie met de sleepslang en beregeningshaspel kan met een lichte trekker tussen de rijen van het gewas drijfmest ingebracht worden.



attentiepunten voor bemesting met drijfmest:

• Er ontstaat snel verdichting van de bovenlaag, ook als er op het oog geen insporing zichtbaar is. Nog vaak wordt met te hoge bandenspanning mest uitgereden. Zie er op toe dat de loonwerker op het veld met lage bandenspanning werkt (1 atmosfeer of lager)
• Mix kort vóór het uitrijden om homogene mest te krijgen en vanwege een gelijkmatige werking in het veld
• Om de homogene werking in het veld te realiseren moet ook de mestverdeling door de kouters of injecteurs regelmatig zijn. Controleer tijdens het uitrijden of het werktuig goed functioneert
• Controleer de toedieningshoeveelheid (bijvoorbeeld: bij 3 meter werkbreedte en 20 m3/ha moet per tankinhoud 165 meter worden afgelegd)
• Dieper werken verhoogt de kans op droogteschade. Vooral op klei kan bij droogte de sleuf open gaan staan. Het gras langs de sleufrand kan verdrogen en onkruiden kunnen zich vestigen
• Dieper werken maakt toediening van grotere hoeveelheden mogelijk
• Zodebemesters en injecteurs met een kleine werkbreedte (tot 3 meter) kunnen niet tot dicht tegen de slootkant werken
• Bij najaarstoediening is de stikstofwerking 40% lager dan bij voorjaarstoediening
• Te lang doorgaan met uitrijden is nadelig voor de grasmat in de winter. Het gras is veel vorstgevoeliger als het na het weideseizoen nog stikstof opneemt

uitbrengen van vaste mest en compost

Net als bij drijfmest is het bij vaste mest en compostsoorten van belang dat ze in een zuurstofrijk milieu terechtkomen. De werking van de verteerde mest- en compostsoorten bestaat grotendeels uit de voeding van het bodemleven en de opbouw van organische stof. Veel processen die dit gunstig beïnvloeden zijn zuurstofrijk. Bij verse stalmest bestaat de kans op emissie van ammoniak en is direct onderwerken van belang.
De opname en menging door de grond is belangrijk opdat bodemorganismen de organische meststof snel kunnen veraarden en de plantenwortels er goed bij kunnen komen. Dus vaste mest en compost moeten niet in grote onverteerde plakken of hopen onder grond gewerkt worden. Een fijne verdeling met een maximale diepte van 20 cm is gewenst.
techniek
de volgende aandachtspunten zijn van belang:
• Breedstrooiers en andere meststrooiers die het product verkleinen hebben de voorkeur
• Beperk structuurbederf door de ondergrond op vochtgehalte te controleren
• Vul de strooier zó, dat deze met een keer heen en een keer terug weer leeg is
• Gebruik lage drukbanden op de trekker en op de wagen
• Vermijd te veel draaien en keren
Op kleigronden zijn maar weinig momenten in het jaar waarop zonder structuurbederf in de ondergrond mest uitgereden kan worden. De maanden juni, juli, augustus en september komen het meest in aanmerking. Wanneer in de akker- of tuinbouw de bodem daarna bewerkt wordt en een groenbemester gezaaid, komt de vaste mest of compost goed terecht.

Literatuur bij dit hoofdstuk: 51,