Inhoud:

6.1 Akkerbouw en grove groenteteelt
6.2 Groenteteelt
6.3 Veehouderij
6.4 Kasteelt
6.5 Bollenteelt
6.6 Boomteelt
6.7 Fruitteelt

6.1 Akkerbouw en grove groenteteelt

In akkerbouwrotaties komen gewassen voor die een geringe bijdrage leveren aan de bodemvruchtbaarheid, zoals peen, witlof, conservenerwten en bonen, en gewassen die een duidelijk positieve bijdrage leveren, zoals granen en veel vlinderbloemigen. Tevens is in de vruchtwisseling veel ruimte voor de teelt van groenbemesters. In de akkerbouw kan daarom stikstof voor een aanzienlijk deel uit andere bronnen dan mest geleverd worden. In sommige akkerbouwrotaties wordt de benodigde stikstof volledig gedekt door klavergroenbemesters die stikstof uit de lucht kunnen binden.

Om bodemleven en bodemstructuur te stimuleren is de aanvoer van stalmest of compost vaak nodig. Daarnaast is, in aanvulling op de te verwachten stikstof uit de mineralisatie, gericht bijmesten nodig. Op lichtere klei en zand gronden kan dat door middel van voorjaarsbemesting. Op zwaardere kleigronden is naast de herfstbemesting in een groenbemester met vaste mest en compost de mogelijkheid om in het voorjaar bij te sturen met meststoffen waarin de
Vinasse stikstof makkelijk vrijkomt zoals drijfmest, kippenmest en Vinassekali.
(zie hoofdstuk 7.1).

Wanneer alleen organische mest wordt gebruikt dan is zowel de fosfaat- als kalivoorziening op de meeste bedrijven ruimschoots verzorgd. Kali kan voor bepaalde kaligevoelige teelten gewasgericht gegeven worden in de vorm van Vinassekali of patentkali. Fosfaattekorten kunnen door gebruik van kippenmest opgeheven worden.

De rol van mest en compost in de vruchtopvolging

vruchtopvolging
In de akker- en tuinbouw is vruchtopvolging noodzakelijk om de bodem gezond en de gewassen productief te houden. Vaak is de markt een bepalende factor in het vormen van het bouwplan. Dit kan zó ver gaan dat de bodemvruchtbaarheid en daarmee de productiviteit vermindert.

De ideale vruchtwisseling met de ideale mest of compostkeuze is situationeel bepaald. Ieder bedrijf heeft zijn eigen mogelijkheden of potenties. Omvang, grondsoort, waterhuishouding en vakmanschap zijn steeds weer anders. Toch is het mogelijk om de landbouwkundige basisvoorwaarden in ieder bedrijf goed te verzorgen. Daarvoor moeten de verschillende onderdelen in een goede verhouding tot elkaar staan. In dit hoofdstuk worden bodem, gewas en mest/compost in hun onderlinge wisselwerking besproken. Vervolgens laten een aantal voorbeelden zien hoe dat in de praktijk uitwerkt.

In de vruchtopvolging is het belangrijk om rekening te houden met de snelheid van afbraak van de gewasresten en meststoffen. Er is een
goede verhouding nodig tussen de opbouw van organische stofgehalte op lange termijn en een bodemleven met jong en makkelijk verteerbare organische stof. Bepalend hierin zijn grondsoort, gewas en mest/compostkeuze.

Stikstof en koolstof
Zo goed als de aanwezigheid en verhouding tussen koolstof en stikstof belangrijk zijn voor het verloop van het composteringsproces, zo zijn deze elementen in de processen in de bouwvoor ook van belang. De kwaliteit van koolstof en stikstof hangt af van de situatie waarin ze voorkomen. We lichten dat nu toe.

Koolstof in groenbemesters is voor een groot deel makkelijk verteerbaar en is daardoor een directe voedingsbron voor wormen en bacteriën. Koolstof in stabiele compost of aanwezig in maïsstengels en tarwestoppels, is voor een groot deel niet makkelijk verteerbaar. In deze vorm zal koolstof, naast de directe structuurverbetering, meer het schimmelleven in de bodem voeden.

Stikstof is onder te verdelen in makkelijk beschikbare of snel mineraliseerbare stikstof, zoals in drijfmest en kippenmest, en stikstof die organisch gebonden is en geleidelijker vrij komt, zoals in compost.

Organische stof
De hoeveelheid en de aard van de organische stof in de bouwvoor bepalen sterk hoe de bodem bewerkbaar is, of hij vocht vasthoudt en doorwortelbaar is. Tevens bepalen de hoeveelheid en de aard van de organische stof de activiteit van het bodemleven die op haar beurt weer het vrijkomen van voedingsstoffen voor de gewassen beïnvloedt.

---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Naast het verhogen van het gehalte effectieve organische stof moet er ook voldoende aanvoer van gemakkelijk verteerbare organische stof zijn. Dit is mogelijk door te kiezen voor groenbemesters en mest/compostsoorten met een relatief lage verhouding tussen koolstof en stikstof.
In een kader
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

effectieve organische stof
Dit zijn resten van de organische stof van planten en meststoffen die na een jaar in de bodem nog aanwezig zijn.

verse organische
stof Makkelijk verteerbare organische stof is afkomstig van groenbemesters, gewasresten en organische meststoffen. Deze verse organische stof wordt in korte tijd door het bodemleven verteerd.

de bodem
In Nederland zijn verschillende grondsoorten. De vruchtbaarheid, waterhuishouding en bewerkbaarheid hebben invloed op de keuze van gewassen en bemesting. In het volgende worden kort enkele bodemtypen en hun bemesting beschreven. Voor meer over de relatie bodem en bemesting in hoofdstuk 2.

podzol
Een oudere zandgrond (podzol) met een pH van 5 en 4% organische stof, waarvan jaarlijks maar weinig wordt afgebroken, vraagt om jong organisch materiaal in de vorm van gewasresten, groenbemesters en niet geheel verteerde stalmest.

jonge zeeklei
Een jonge zeekleigrond, 20% afslibbaar, waarin de organische stof snel wordt verteerd, met een pH van 7,2 en een organische stof gehalte van 1,8%, is gebaat bij meer stabiele, koolstofrijke gewasresten en goed verteerde mest- en compostsoorten.

zware kleigronden
Een kleigrond, met meer dan 35% afslibbare delen en een organische stof van 2,2%, is gebaat bij een bouwplan met voldoende graan en vaste stalmest of compost die gericht is op de opbouw van organische stof. Daarnaast kan bij stikstofminnende gewassen (zoals kool) een gewasgerichte bemesting in het voorjaar stikstof leveren.

bodemstructuur
Een goede bodemstructuur is onder meer nodig voor de omzettingsprocessen in de bouwvoor. Bepalend voor een goede bodemstructuur is het tijdig bewerken van de bodem onder gunstige omstandigheden. Lichte gronden kunnen in het voorjaar bewerkt worden. De zwaardere gronden zijn alleen in de nazomer droog genoeg om zonder structuurbederf bewerkt te worden. Groenbemesters, gewasresten en, vooral, intensieve beworteling hebben een positieve invloed op de bodemstructuur.



gewas
Bij het samenstellen van een vruchtopvolging is het van belang rekening te houden met de invloed van de gewassen en de mest- en compostsoorten op de bodemstructuur. Hierbij is het oogsttijdstip bepalend. Vroeg te oogsten gewassen, zoals erwten en granen, geven de gelegenheid om onder droge omstandigheden te oogsten, de grond te bewerken, te bemesten en een groenbemester in te zaaien. Laat te oogsten gewassen, zoals wortel en knolselderij, worden meestal onder natte omstandigheden geoogst. Er is geen gelegenheid om te bemesten, de grond te bewerken en het is te laat voor de inzaai van een groenbemester. Wanneer toch met organische mest in het late najaar wordt bemest, is de kans groot dat er voedingsstoffen uitspoelen. Ook kunnen er gemakkelijk onder natte omstandigheden anaërobe plekken in de grond ontstaan. Op deze manier bemesten draagt in geringe mate bij aan de bodemvormende processen en aan het vrijkomen van voedingsstoffen voor de gewassen. Op klei en zavelgronden is een afwisseling tussen een hakvrucht (peen en bieten) en een maaivrucht (granen, erwten, bonen) noodzakelijk om de structuur voldoende herstellen. Zie tabel 6.1.1.

Naast de opbouw van organische stof en een goed bodembeheer is de invloed van het gewas en groenbemesters in de vruchtopvolging groot. Zij spelen een belangrijke rol in de belasting en het herstel van de bodem.

stikstof
In een efficiënt gebruik van mineralen is het zinvol om de aanvoer van meststoffen zo laag mogelijk te houden. Daarnaast is de toekomstige verplichting om biologische mest te gebruiken in de biologische landbouw, een aansporing om met zo weinig aanvoer zo veel mogelijk te bereiken. De vruchtwisseling zal dan moeten bestaan uit gewassen die met weinig bemesting toekunnen en die stikstof kunnen binden. Zie tabel 6.1.2.
Verder verlaagt een lage input van meststoffen de uitspoeling van deze voedingsstoffen naar het oppervlakte- of grondwater.

fosfor en kali
De meeste landbouwgronden in Nederland beschikken over goede tot zeer goede gehaltes aan fosfor en kali. De organische bemesting wordt in de praktijk gekozen op zijn stikstofgehalte en daarbij komt doorgaans voldoende fosfor en kali met de stikstof mee. Over het algemeen wordt er meer fosfaat en kali aangevoerd dan afgevoerd. In uitzonderingsgevallen kan met fosfaatrijke kippenmest of Vinassekali worden bijgestuurd.

interne kringloop
Bij het mineralenbeheer in het landbouwbedrijf gaat het niet alleen om input van voedingsstoffen en output van geoogste gewassen. Veel van de stikstof rouleert binnen het bedrijf en het is daarom belangrijk om de voedingsstoffen die er zijn zoveel mogelijk te behouden en op het juiste moment vrij te laten komen. Hiervoor is gewasrotatie een belangrijk instrument. Ook zorgvuldige bodembewerking is van belang. Hierdoor verteren de ondergewerkte organische stoffen goed en is een betere beworteling in de bouwvoor mogelijk.
Een bedrijf op droogtegevoelige zandgrond, met veel inerte organische stof en een lage pH, zal kritisch moeten kijken naar de hoeveelheid en (vooral) de aard van de organische stof die binnen het bedrijf wordt geproduceerd of van buiten wordt aangevoerd. Een groot deel van het jaar zal deze bodem bedekt moeten zijn met gewassen of groenbemesters om dat wat binnen het bedrijf wordt geproduceerd te behouden en in omloop te brengen.

akkerbouw
In het volgende deel worden een aantal praktijkvoorbeelden besproken waarbij de vruchtwisseling centraal staat. De verschillende vruchtwisselingen worden beoordeeld op:
• de gewassen en hun plaats in de vruchtwisseling
• de teeltmogelijkheden van groenbemesters en hun bijdrage aan de bodemvruchtbaarheidsopbouw
• de aanvoer en productie van organische stof
• mest of compostkeuze
• mineralenbalans

Akkerbouwvruchtwisseling met een lage input van meststoffen op jonge zeeklei

Beoordeling
• Gewassen. De helft van de gewassen zijn niet of middelmatig stikstofbehoeftig en de andere helft van de gewassen is stikstofbehoeftig. De tarwe en de sluitkool leveren gewasresten van betekenis.
• Groenbemesters. In 4 van de 6 jaar kan er een groenbemester geteeld worden. Daarvan bestaat de helft uit stikstofbindende klaver.
• Organische stof. De aanvoer van organische stof vindt plaats door de bemesting met stalmest. De productie van organische stof bestaat uit de gewasresten van met name tarwe en kool en de groenbemesters.
• Mestkeuze. De gemiddelde aanvoer van stalmest is 10 ton en van drijfmest 5 m³ per hectare. De meststoffen zijn gericht ingezet: de stikstofbehoefte van de tarwe wordt in het voorjaar verzorgd door de drijfmest. In het najaar komt verteerde stalmest in de klaver. Dit geeft een extra impuls voor de vertering van klaver en tarwestoppel zodat de voedingsstoffen het volgende jaar in de hakvrucht vrij komen. De uien moeten het hebben van de nalevering uit klaver en mest, inclusief de gewasresten van de kool. Een optimale structuur is dan wel een voorwaarde voor een redelijke oogst. De peen kan eventueel bijbemest worden met Vinassekali.
• Mineralenbalans. Uit de balans van afvoer en aanvoer van mineralen blijkt dat de invloed van de klavergroenbemesters groot is met een aanvoer van 33 kg stikstof per hectare. De overschotten zijn laag waardoor de kans op uitspoeling ook laag zal zijn. De lage overschotten kunnen er wel toe leiden dat er tijdelijk weinig voeding voor de gewassen beschikbaar is.


 Akkerbouwvruchtwisseling op een bedrijf met jonge zeeklei

beoordeling
• Gewassen. De gewassen wisselen elkaar af in halm en hakvrucht. Gewassen met een hoge stikstofbehoefte zijn niet aanwezig. De gewasresten van de tarwe en grasklaver zijn hoog.
• Groenbemesters. De gelegenheid is ruimschoots aanwezig om deze te telen. Er is afwisseling in stikstofrijke en koolstofrijke groenbemesters.
• Organische stof. De productie door gewasresten en groenbemesters is hoog, daarnaast is de bijdrage van de bemesting ook rijk aan effectieve organische stof. De makkelijk verteerbare organische stof wordt hoofdzakelijk gevormd door de groenbemesters.
• Mestkeuze. De mestkeuze is hoofdzakelijk gebaseerd op het onderhoud en stimulering van de processen in de bodem. De stikstof voor de gewassen wordt hoofdzakelijk verzorgd door de vlinderbloemigen en komt vrij uit de omzetting van het organisch materiaal.
• Mineralenbalans. Uit de balans blijkt dat de mineralen ruimschoots worden aangevoerd en dat de overschotten redelijk zijn.

Vruchtwisseling in de tuinbouw op lichte zavelgrond. De hoofdgrondbewerking en de bemesting vinden plaats in het voorjaar.

beoordeling
• Gewassen. Er is een te klein aandeel halmvruchten, een te groot aandeel laat te oogsten gewassen en een groot aandeel stikstofbehoeftige gewassen. De gewassen leveren weinig resten.
• Groenbemesters. In het najaar is er alleen na aardappelen en bonen ruimte voor de teelt van groenbemesters. In de winter ligt het land grotendeels onbedekt waardoor uitspoeling van de resterende voedingsstoffen mogelijk is.
• Organische stof. De productie en aanvoer van organische stof is laag. De stalmestgift draagt daar positief aan bij, maar het is de vraag of het organische stofgehalte op peil zal blijven op deze grond, waarin de omzetsnelheid van organische stof hoog is.
• Mestkeuze. De bemesting vindt in het voorjaar plaats en is hoofdzakelijk gewasgericht. Hierdoor worden de voedingsstoffen in de mest optimaal benut door de gewassen. De stalmest draagt ook bij aan de bodemvormende processen.
• Mineralenbalans. De aanvoer aan mineralen is hoog om de stikstofbehoeftige gewassen voldoende te kunnen geven. De overschotten zijn ook hoog. Bij gebrek aan groenbemesters die als vanggewas de resterende voedingsstoffen kunnen opnemen zal een deel van de mineralen uitspoelen.




verbetering
• Na de aardappelen kan een groenbemester worden gezaaid. Bij voorkeur winterrogge die gedurende de winter overblijft.
• Na de (vroeg) stamslabonen kan grasklaver worden gezaaid die de winter overblijft en die vier weken voor het planten van de prei (begin juni) wordt ondergewerkt.
• De bewaarpeen kan plaats maken voor de teelt van vroege peen, waardoor ook een groenbemester kan worden gezaaid.
• Stamslaboon met een matig financieel saldo en redelijk groot oogstrisico kan worden vervangen door een graan met klavergroenbemester.

Mest, compost en bedrijfstype

In de landbouw is de diversiteit aan bedrijfsvormen groot. Omdat er geen eenduidig recept voor de landbouwmethode bestaat, vormt iedere ondernemer zijn bedrijf naar de mogelijkheden die hij of zij heeft. Laatstgenoemden worden hoofdzakelijk bepaald door de bedrijfsvoerder met zijn of haar vakmanschap en ambities. Daarnaast is de economie, de omvang van het bedrijf en de natuurlijke vruchtbaarheid van de bodem bepalend. Een mix van deze factoren bepaalt de vormgeving van het individuele bedrijf. De behoefte aan meststoffen is dan ook in ieder bedrijf anders en de keuze voor bepaalde kwaliteiten mest of compost kan productieniveau, kwaliteit van de gewassen en duurzaam bodembeheer beïnvloeden. In dit hoofdstuk worden een paar opvallende bedrijfstypen besproken met hun mest en compostkeuze. De typering is wat overdreven neergezet om de verschillen te benadrukken.

Akkerbouw op klei

Biologische akkerbouwbedrijven op klei hebben over het algemeen een ander bouwplan dan gangbare bedrijven. De 6-jarige vruchtwisseling is ruimer en het aandeel groenteteeltgewassen is vaak hoger. Het bouwplan bevat relatief weinig gewassen die een hoge behoefte hebben aan stikstof. In de keuze van meststoffen kunnen twee typen bedrijven worden onderscheiden: een type waarin de plant voldoende stikstof moet hebben en een type waarin de bodem gevoed moet worden. We behandelen nu beide typen.

Eerste type
De ondernemer van dit type bedrijf speelt op zeker en wil dat de gewassen niets te kort komen. Hij kiest voor meststoffen die makkelijk stikstof leveren en is niet zuinig in de dosering. In het voor- en najaar bemest hij herhaaldelijk gewasgericht met drijfmest, verse stalmest of kippenmest. Tijdens het groeiseizoen ontstaat er twijfel over de voedingstoestand van de gewassen en wordt er bijgemest met Vinassekali en kippenmestkorrels. In dit type bedrijfsvoering is de voorziening van de organische stof en structuurbehoud vaak bijzaak. De input van meststoffen is relatief hoog en de MINAS-grens aan stikstof en fosfaat wordt meestal gehaald.

In dit type staan de gewassen er rijk bij en doorgaans zijn de opbrengsten goed. Door de sterke groei kan het gebeuren dat de gewassen hun loof té rijk ontwikkelen en daardoor schimmelgevoeliger worden en verminderd afrijpen. De voedingskwaliteit en bewaarkwaliteit kan daardoor negatief worden beïnvloed. Voor het milieu is schade te verwachten doordat makkelijk stoffen vervliegen of uitspoelen.

Tweede type
De ondernemer van dit bedrijfstype gaat er vanuit dat een gezonde bodem productieve en gezonde gewassen voortbrengt. Alles wordt ten dienste van de gezonde bodem ingezet. De mestkeuze is vooral gebaseerd op het stimuleren en in evenwicht brengen van de bodemvormende processen. Verteerde stalmest of compost vormen de basisbemesting. Drijfmest komt in dit bedrijfstype niet of weinig voor. De beschikbaarheid van stikstof wordt gestimuleerd door het hoge aandeel makkelijk mineraliseerbare groenbemesters. Dezelfde groenbemesters vangen de (ook in het najaar doorgaande mineralisatie) van stikstof op. Klaver is in dit bedrijfstype onmisbaar voor de binding van stikstof. De ondernemer ziet er een uitdaging in om met een zo laag mogelijke input van meststoffen toch redelijke opbrengsten te halen. De input blijft meestal ruim onder de MINAS-norm. De bodemstructuur is zeer belangrijk. Daarom wordt er met lagedrukbanden gereden en zijn er rijpaden. Voor het milieu zijn er nauwelijks verliezen te verwachten.

Grove groenteteelt op klei

Externe factoren als bedrijfsgrootte of economie kunnen een ondernemer dwingen het bedrijf te intensiveren. Het aandeel van stikstofvragende gewassen neemt dan toe en de ruimte voor de teelt van groenbemesters neemt af. Deze bedrijven komen meer voor op lichtere kleigronden die de mogelijkheid hebben om in het voorjaar en tussentijds de bodem te bewerken en te bemesten. De omzettingen op deze bodems vinden snel plaats en er komt door mineralisatie van de organische stof veel voedingsstoffen vrij. Hierdoor kan het een rijke grond zijn maar ook juist arm wanneer de vrijgekomen voedingsstoffen uitspoelen. Deze gronden houden hun voedingsstoffen niet lang vast waardoor het bemesten een paar weken voor planten of zaaien plaatsvindt. De mest- en compostkeuze is gericht op de stikstofvoorziening van de gewassen. Daardoor zal er eerder gebruik worden gemaakt van versere soorten mest waardoor de kans op minder gezonde gewassen, minder kwaliteit en bewaarbaarheid van het geoogste product toeneemt. Dit bedrijfstype krijgt snel problemen met de MINAS-wetgeving aangaande stikstof en fosfaat. De consequentie is dat er meer drijfmest wordt ingezet voor de beschikbare stikstof en om verhouding stikstof/fosfaat te begunstigen.

Dit type bouwplannen met weinig groenbemesters, weinig gewasresten en gewasgerichte bemesting dragen weinig bij aan duurzame bodemvruchtbaarheid en verliezen veel voedingsstoffen in de periode dat de bodem onbedekt is. Naast de gewasgerichte voedselvoorziening is het in deze bouwplannen nodig de humusvoorziening te verbeteren. Door meer inzet van groenbemesters, die in de winter de bodem bedekt houden, in combinatie met vaste mest of compost, kan deze situatie gunstig beïnvloed worden.



Akkerbouw op zandgrond

Ondernemers die op zandgrond een akkerbouwbedrijf hebben en deze biologisch willen vormgeven, worden in eerste instantie geconfronteerd met de natuurlijke vruchtbaarheid van de bodem. Met kunstmest en bestrijdingsmiddelen is op een arme heideontginningsgrond veel mogelijk. Wanneer het bedrijf biologisch werkt dan wordt het veiligstellen van voldoende voedsel voor de gewassen veel complexer. De zandgronden waarop in Nederland akkerbouw wordt bedreven zijn van nature minder vruchtbaar dan de jonge zeekleigronden. Deze gronden zijn oud en de organische stof is grotendeels inert. De voedingsstoffen spoelen gemakkelijk uit en bij gunstige omstandigheden (warm en vochtig) is er veel mineralisatie. Wanneer er ook nog sprake is van droogtegevoeligheid en stuifgevaar dan zijn de mogelijkheden in het bouwplan beperkt. Extensieve akkerbouw met meer dan de helft granen en veel groenbemesters, die gedurende de winter de bodem bedekt houden, is op deze gronden gewenst.

De mest/compostkeuze ligt hoofdzakelijk bij makkelijk beschikbare voeding voor het gewas. Wanneer gewassen en groenbemesters zich goed kunnen ontwikkelen bij voldoende stikstofaanbod, dan is te verwachten dat ze de bodem goed doorwortelen en dat organische stof wordt opbouwd.

In de bouwplannen van dit bedrijfstype wordt de plantenvoeding meestal verzorgd door de in het voorjaar uitgereden drijfmest en in het najaar door de inzaai van groenbemesters. Vinassekali wordt vlak voor het aanaarden van de aardappelen uitgereden. Kippenmest wordt toegediend bij de voorjaarsgrondbewerking of inzaai van groenbemesters. Naast deze plantgerichte voeding is de teelt van de groenbemesters voor de stikstofbinding en de opvang van resterende voedingsstoffen van belang. De inbreng van jong organisch materiaal stimuleert de ontwikkeling van het bodemleven. Deze functie van de groenbemesters kan worden ondersteund door toediening van halfverteerde stalmest. Hiervoor zou ook een rijke, nog niet helemaal uitgewerkte compost ingezet kunnen worden. Wanneer het mogelijk is om het hele jaar door de bodem bedekt te houden, dan is het risico van uitspoeling gering.

6.2 Groenteteelt

Bij de toediening van mest en compost in de groenteteelt worden net als in de akkerbouw meerdere doelen nagestreefd. De accenten liggen echter verschillend.

toediening van voedingsstoffen
Daar de teeltplannen in tuinbouwbedrijven weinig ruimte laten voor de teelt van groenbemesters en de gewasresten van de groentegewassen weinig bijdragen in de organische stofvoorziening van de bodem is er weinig stikstof te verwachten uit de mineralisatie in de bodem. Hoe intensiever de groenteteelt, hoe meer stikstof in de regel uit mest afkomstig zal moeten zijn. De bedrijfsvoering met vaak stikstofminnende gewassen heeft vaak een bemestingstrategie dat volledig gewasgericht is. Naast deze gewasgerichte benadering is het belangrijk om de bodem goed te verzorgen. Dit is mogelijk door de teeltplannen zo aan te passen dat er ruimte ontstaat voor de teelt van groenbemesters. Tevens is het van belang om op lichtere gronden de bodem bedekt te houden met een groeiend gewas of groenbemester. Deze gewassen kunnen dan de overgebleven voedingsstoffen vangen en weer in de interne kringloop van het bedrijf brengen. Door inzet van bodemverbeterende compostsoorten naast de gewasgerichte bemesting komt de bemesting meer in evenwicht.
Bij hoge dosering van organische meststoffen is doorgaans de fosfaat en kalivoorziening goed verzorgd. Kali kan voor bepaalde kali-gevoelige teelten gewasgericht gegeven worden in de vorm van Vinassekali of patentkali.
Fosfaattekorten kunnen door gebruik van kippenmest opgeheven worden.

6.3 Veehouderij

De bemesting in de veehouderij is een heel ander vraagstuk dan in de akkerbouw, groente,- bollen- en boomteelt. De afvoer van mineralen is in de veehouderij veel lager. Ter compensatie is daarom veel minder aanvoer nodig. De toevoer van organische stof door grasresten en wortels is voldoende om het gehalte aan organische stof te handhaven. Daarvoor is dus geen organische mest nodig. In graslanden onder biologische omstandigheden is klaver aanwezig die voor stikstofbinding zorgt. Bij de bemesting moet hiermee zeker rekening worden gehouden.

structuur en bodemleven
Punten van overeenkomst met de open teelten zijn er ook. Voor grasland speelt de bodemstructuur net zo goed een belangrijke rol. Het is hier niet mogelijk met bijvoorbeeld ploegen de bouwvoor 'op te schudden'. Om de bodemstructuur te sparen moet onder natte omstandigheden zo min mogelijk bereden of beweid worden. Daarnaast speelt, net als in de akkerbouw, het bodemleven een grote rol. Daar heeft de mestkeuze weer invloed op.

gras en grasklaver
Bij ‘grasland’ moet onderscheid gemaakt worden tussen puur grasland zonder klaver onder gangbare landbouwomstandigheden, en grasklaver onder biologische omstandigheden.
Het vervolg heeft betrekking op bemesting van grasklaver onder biologische omstandigheden. Er zal consequent gesproken worden over ‘grasklaver’.

doel van bemesting
Er zijn verschillende redenen om grasklaver te bemesten: om de bodem vruchtbaar te maken en te verlevendigen, om afgevoerde mineralen weer terug te brengen en om onvermijdelijke verliezen (uitspoeling) te compenseren. Om de uitwerking van organische mest op grasklaver te begrijpen moet er onderscheid gemaakt worden tussen de verschillende componenten in de mest. De minerale, direct beschikbare stikstof in mest (Nmin) aan de ene kant stimuleert vooral de groei van gras en kan daardoor die van klaver onderdrukken. Aan de andere kant zijn calcium (Ca), fosfaat (P2O5) en kali (K2O) van belang om de groei van klaver te stimuleren. Deze moeten in voldoende mate aanwezig zijn.

bemesting en klaver
De bemesting van grasklaver moet enerzijds gericht zijn op productie, anderzijds op beheer van grasklaver. Hoe zwaarder en regelmatiger bemest, hoe hoger de productie kan worden. De stikstofbenutting neemt echter af, evenals het klaveraandeel in de sneden en de stikstofbinding door de klaver.

drijfmest – vaste mest
Drijfmest heeft een snelle maar kortdurende stikstofwerking. Dat betekent dat de eerstkomende snede, zowel bij toepassing in het voorjaar als in de zomer, direct voeding geeft. Gras profiteert daar in de regel iets meer van dan klaver. Meerdere keren per seizoen drijfmest uitrijden kan de klaverstand achteruit doen lopen. Vaste mest heeft geen snelle maar wel een langdurige stikstofwerking. Bij uitrijden in het vroege voorjaar is de werking in de eerste snede gering, maar in de navolgende sneden aanzienlijk. Bij een eenmalige toediening in het voorjaar van 20-30 ton/ha kan de totale droge stofopbrengst in een jaar bij vaste mest hoger zijn dan bij drijfmest. Zie tabel 6.3.1.
Vaste mest heeft een gunstiger effect op het bodemleven dan drijfmest. Dit uit zich onder meer in het aantal regenwormen. Vaste mest verhoogt ook het organische stofgehalte in de bovenste 5 centimeter van de zode.

 

mineralen
Klavers hebben, naast een voldoende structuur en voldoende ontwatering van de bodem, ook voldoende fosfaat, kalium, calcium, magnesium en sporenelementen nodig.
Bij maaien is er een grote afvoer van fosfaat, kalium, calcium en magnesium. Op schrale grond dient dit snel aangevuld te worden, op goede en rijke grond in ieder geval op termijn om te voorkomen dat de groei van klaver in het gedrang komt. Zie tabel 6.3.2. Bij achterwege blijven van stikstofbemesting wordt duidelijk wat het belang voor klaver is van een voldoende voorziening met fosfaat, kali en andere mineralen.

Rekening houdend met bovenstaande komen we tot de volgende toepassingsmogelijkheden van enkele mest- en compostsoorten in de veehouderij.

diverse compostsoorten
De veehouderij heeft vanuit de stikstof bezien geen belang bij compostsoorten die zeer weinig stikstof leveren. De bijdrage aan de organische stof in de zode is nauwelijks van belang gezien de grote hoeveelheden wortelresten en bladresten die aanwezig zijn. Tenslotte wordt ook het bodemleven door deze compostsoorten weinig gestimuleerd of beïnvloed tenzij het in zeer grote hoeveelheden wordt toegepast. Er zijn dus nauwelijks toepassingsmogelijkheden. Wel kan de aanvoer van mineralen (fosfaat, kali, magnesium, calcium) door compost ten dele gedekt worden. Dat wordt interessant als een deel van de zelf geproduceerde mest verkocht zou worden ten behoeve van de akkerbouw. In dit geval is het zelfs een gunstige eigenschap dat deze compostsoorten over het algemeen een geringe stikstofwerking hebben. Voor de akkerbouw is een zekere stikstofwerking noodzakelijk, voor de veehouderij niet.

vaste mest
In het vroege voorjaar toegepast zal de bijdrage aan de eerste snede gering zijn. Het aandeel minerale stikstof is laag, en de vertering moet nog op gang komen. Dit wordt goedgemaakt door de latere sneden.
Vóór de tweede of derde snede toegepast kan de werking iets sneller optreden, maar ook nu blijft gelden dat het vooral een lange termijn effect heeft.
Toepassing in het najaar valt af te raden, gezien het risico van een verminderde benutting door uitspoeling of doordat gewasgroei en stikstofopname door daglengte en lagere temperatuur reeds geremd zijn.
Composteren van vaste mest zal het aandeel minerale stikstof nog iets terugbrengen en het relatieve aandeel van organische gebonden stikstof doen toenemen. Dit versterkt het lange termijn effect. Voordeel kan zijn dat de verspreiding van de mest egaler kan verlopen (de mest is ‘kort’ geworden).
Ervan uit gaande dat de productie van het grasklaver voor een substantieel deel uit klavergroei gehaald moet worden dient spaarzaam met organische mest omgegaan te worden: voldoende voor een gedeeltelijke compensatie van afgevoerde mineralen en voldoende om het bodemleven wat te verteren te geven. Dat laatste is bij beweiding al automatisch ingevuld is. Verder compensatie van afgevoerde mineralen (K, P, Ca, Mg), om de grond optimaal te houden voor klavergroei, zou uit andere mestsoorten kunnen plaatsvinden. Op gronden met een kleine kalivoorraad (meestal de lichtere gronden) is een regelmatige aanvoer van met name kali bevorderlijk voor de klaverontwikkeling.

drijfmest
Vóór de eerste snede toegepast (20-30 m3) mag gerekend worden op een kleine vervroeging van de eerste snede en op een iets zwaardere snede, vooral doordat er meer gras in zal zitten. In de latere sneden is nauwelijks meer een werking vast te stellen van een eenmalige voorjaarsgift. Vanuit de stikstofdynamiek bezien is een eenmalige gift in het voorjaar ook voldoende: alle stikstof die later in het seizoen makkelijk opneembaar aangeboden wordt geeft wel meer gras maar minder klaver. Eigenlijk is in de loop van het seizoen dus mest nodig zonder stikstof en met flink wat kali en andere mineralen (bij uitsluitend maaien) of redelijk wat kali (bij beweiding). Drijfmest voldoet hier nog minder aan dan vaste mest.


6.4 Kasteelt

In de kasteelt in grond is er geen invloed van regen en wordt er niet met zware machines onder natte omstandigheden gereden. Om deze redenen is het relatief gemakkelijk om een goede bodemstructuur te bereiken. Verder is typisch dat de gewassen weinig organisch materiaal leveren die het organische stofgehalte kunnen onderhouden. Tenslotte is de temperatuur van de bodem hoger dan in de volle grond. Is de temperatuur buiten gemiddeld 10ºC, in de kas is die vaak 20ºC. De bodemprocessen, waaronder de afbraak van organische stof, gaan dan twee keer zo snel. De hoge temperatuur en de afwezigheid van koolstofrijke gewasresten hebben tot gevolg dat er gestabiliseerd humusopbouwend materiaal gebruikt moet worden. Dit kan gecomposteerde stalmest zijn maar ook bijvoorbeeld groencompost. Uitsluitend groencompost is minder wenselijk wanneer stikstofbehoeftige gewassen geteeld worden, hetgeen nogal eens het geval is. Een mengsel van plantaardige en stikstofrijke dierlijke uitgangsmaterialen is ook een mogelijkheid om de stikstofvoorziening voor een deel via de compost te verzorgen. Met perspotten wordt vaak veel organische stof aangevoerd. Een combinatie van perspotten (met zijn tamelijk inerte organische stof) met NPK meststoffen (organisch of mineraal) geeft geen goede verzorging van bodemleven en bodemprocessen.

In de biologische teelt is de bemesting extra complex omdat geen kunstmest gebruikt wordt. Bij dierlijke mest mag maximaal 170 kg N/ha gegeven worden en niet meer dan 200 kg P/ha organische meststoffen. Wanneer dan toch een gewas geteeld wordt dat bijvoorbeeld 700 kg N/ha, dus veel meer dan 170 kg N/ha, opneemt, dan moet per situatie de goede bemesting gekozen worden. Voor de hand liggende hulpmiddelen zijn dan: gecomposteerde stalmest, compost van plantaardige oorsprong en stikstofrijke hulpmeststoffen, zoals bloedmeel. Stalmest zal meer het bodemleven stimuleren, compost meer de humusopbouw. Op kalkloze zandgronden kan het accent meer bij stalmest gelegd worden en bij humusarme, kalkrijke zavel- of kleigronden bij plantaardige compost.

Belangrijke aandachtspunten bij de keuze van mest of compost zijn de beoordeling van de bodemstructuur en de beworteling, het inschatten van het bodemleven (bijvoorbeeld aan de hand van regenwormen) en vooral het volgen van de gewasgroei. Veel problemen zijn het gevolg van wortels die het grondwater bereiken en daar water uit opnemen dat te weinig mineralen bevat. Dit leidt tot een te weelderige groei, gevoeligheid voor ziekten en problemen met de productkwaliteit. Dat de beworteling zich tot ongeveer 40 centimeter diepte intensief kan ontwikkelen is vooral in de kas belangrijk. De vochtvoorziening en de mineralenopname kunnen dan op een evenwichtige wijze plaatsvinden. Wat betreft de stikstofvoorziening is het wenselijk regelmatig de minerale stikstof te meten en op grond daarvan bij te mesten. Dit heeft evenwel zijn beperkingen. De vrijmaking van stikstof uit de organische bestanddelen is immers een ingewikkeld proces. Het kan heel goed zijn dat vrijmaking van stikstof en opname door het gewas parallel lopen. Een laag gehalte wil dan niet zeggen dat er een tekort is. Toepassing van simulatiemodellen, zoals NDICEA (Hoofdstuk 7.2), zal in de toekomst in toenemende mate van belang zijn om de stikstofbemesting in goede banen te leiden.

6.5 Bollenteelt

Bollenteelt kan als hoofdteelt plaatsvinden op zandgronden, in akkerbouwrotatie en op zwaardere gronden op gescheurd gras. Wat betreft teelt in akkerbouwrotatie wordt verwezen naar hoofdstuk 6.1. Bij teelt op gescheurd gras speelt gebruik van vaste mest of compost geen rol van betekenis. In het volgende wordt ingegaan op de teelt op zandgronden met bollen als belangrijkste onderdeel van het bedrijf. In de gangbare teelt zijn beperking van het gebruik van bestrijdingsmiddelen en beperking van de uitspoeling van stikstof en fosfaat belangrijke punten. In de biologische teelt komt daar de problematiek van de stikstofbemesting bij. Aanvullende stikstofrijke meststoffen zijn in de biologische teelt beperkt bruikbaar en de aanwezigheid van een strodek geeft weer extra beperkingen bij het gebruik van hulpmeststoffen. Van belang voor een gezond gewas zijn een evenwichtig bodemleven, een voldoende hoog organische stofgehalte (hoger dan 1,3%) en een goede bodemstructuur. Voor de bodemstructuur is het van belang te weten dat:
• de bodem zoveel mogelijk bedekt is
• groenbemesters gebruikt worden die met hun wortels de structuur intact houden (de bovengrondse delen doen dit minder goed)
• groenbemesters gebruikt worden die veel organisch materiaal achterlaten
• meststoffen gebruikt worden die het bodemleven voeden
• het organische stofgehalte voldoende hoog is

Het gebruik van stro als bodembedekker is voor verzorging van de bodemstructuur een goede zaak. Wat betreft groenbemesters moet gezocht worden naar intensief wortelende soorten. Rogge is in dit verband gunstiger dan Phacelia of bladrammenas. Wat betreft de meststoffen is de meest ideale meststof die voldoende stikstof levert, het bodemleven voedt en de organische stofopbouw verzorgt. Een mogelijkheid is versere potstalmest met een optimale voorbehandeling. Deze mest moet kort zijn om homogeen door de grond gewerkt te kunnen worden. Menging van de mest vóór het uitrijden met een omzetmachine is een mogelijkheid.

Wat betreft GFT is een duidelijk gunstige invloed op voeding, bodemstructuur en bodemleven niet te verwachten. Organische stofopbouw is de belangrijkste eigenschap van GFT. Bij het compostsren van bollenafval is het van belang om stikstofrijker materiaal toe te voegen, dat een voldoende hoge temperatuur geeft om ziektekiemen en onkruid te doden. Drijfmest of vaste mest zijn in dit verband mogelijkheden. Zo kan een compost gemaakt worden die in meerdere opzichten een bijdrage levert aan de gewenste bodemeigenschappen.

6.6 Boomteelt

Kenmerkend voor de boomteelt is dat er veel afvoer is van organische stof. De bestaande organische stof wordt afgebroken en met de kluit afgevoerd. Deze moet voor een groot deel weer aangevuld worden omdat de boomteeltgewassen zelf beperkt organische stof leveren. Bij een afbraak van organische stof van 2500 kg/ha, en een verlies via de kluiten van 3500 kg/ha, moet dan in totaal 6000 kg/ha organische stof aangevoerd worden. Wanneer deze organische stof veel fosfaat bevat betekent dit al snel een heffing voor MINAS.

Van belang, gezien het bovenstaande, is een mest rijk aan organische stof of compost met veel effectieve organische stof en weinig fosfaat. Tevens moet deze mest bodemleven, bodemstructuur en ziektewerendheid goed verzorgen. Groencompost heeft een hoge verhouding tussen effectieve organische stof en fosfaat maar is niet zo sterk op het gebied van bodemleven en bodemstructuur. Vaste strorijke rundermest met een relatief laag fosfaatgehalte is een alternatief. Een combinatie van beide is de beste bemestingswijze. Champost is een mogelijkheid om een te lage pH van de grond te compenseren. Regelmatig gebruik kan echter tot een te hoge pH-waarde leiden en tot een gebrek aan sporenelementen. De eigenschappen van de bodem en die van de aan te schaffen mest of compost zijn in de boomteelt van groot belang om een juiste keuze te kunnen maken.
In de biologische boomteelt kan alleen bij het begin van een teelt goed bemest worden. In het tweede jaar zijn er maar beperkt mogelijkheden om vooral de stikstofvoorziening op peil te houden. Verder is een goede bodemstructuur van belang.


6.7 Fruitteelt

De fruitteelt kenmerkt zich door een geringe afvoer van mineralen in het geoogst product. De opbouw van de rijbaangraszode, eventuele boomstrookondergroei en de opbouw van de boom vragen de meeste mineralen in de jonge boomgaard . In de fruitteelt gaat het er niet om voor het komende seizoen direct voedingsstoffen toe te dienen. Grote verschillen in bemesting laten bij onderzoek slechts kleine verschillen in vruchtzetting of opbrengst van het fruit zien .
De mineralisatie van de bodem, de reservestoffenbuffer in de boom en de eventuele ondergroei op de boomstrook spelen een dominerende rol. Organische stof wordt royaal aangevoerd door maaisel van de rijstrook, onkruidgroei en vallend blad. Dit wil niet zeggen dat gebruik van mest of compost niet wenselijk is, maar het doel ligt wat anders dan bij veel andere sectoren in de landbouw.

doel bemesting
Gebruik van mest of compost moet direct gericht zijn op humusopbouw, bodemstructuur en bodemleven en daarmee op een indirecte regulatie van de mineralisatie, ook van sporenelementen. Vlakvoor de bloei is voldoende stikstof van groot belang voor de vruchtzetting en vaak een beperkende factor. De meeste fruittelers geven hiervoor snel werkzame hulpmeststoffen in het vroege voorjaar of op zwaardere grond al na de oogst. Voldoende kalium is van belang voor de smaak, maar te veel kalium vermindert de bewaarbaarheid. Bladanalyses geven een goed beeld van de verhoudingen waarin de mineralen opgenomen zijn. Verder moet het gebruik van mest of compost gericht zijn op wormenactiviteit in de ondergrond. Door de activiteit van de wormen kan de beworteling zich beter ontwikkelen. Hierdoor kan dan het organische stofgehalte toenemen en kan een groter deel van het vocht door het bodemprofiel zelf geleverd worden. Dat vermindert het probleem dat vochtvoorziening uit het grondwater tot een te eenzijdige vegetatieve groei leidt.

fruitteeltbodem Ideale fruitteeltgrond is een bodem met goede vochtvoorziening: gedraineerd, niet te sterk opdrachtig, een redelijk hoog humusgehalte en een goede bodemstructuur. Bodemleven, en met name de grote regenworm, is hierbij onontbeerlijk. Dit bodemleven is ook te bevorderen door het afzien van bodemleven-onvriendelijke bestrijdingsmiddelen, weinig mechanische bodembewerking en bij voorkeur boomstrookbegroeiing. Voor de opname van sporenelementen is een pH tussen de 5 en 6,5 wenselijk. Het maximum is een pH van 7,0.

welke mest of compost Plantenvoeding speelt dus minder een rol, bodemstructuur en bodemleven des te meer. Tevens wordt de mest niet of nauwelijks ondergewerkt. Compostering alvorens mest te gebruiken is dan aan te raden. Het is niet nodig elk jaar te bemesten. Als richthoeveelheid kan gedacht worden voor onderhoudsbemesting aan 10-15 ton gecomposteerde stalmest per ha op zavelgronden en 15-20 ton per ha op zandgronden. Dat is een jaargemiddelde, alleen aan te brengen op de boomstrook. Bij aanplant is volvelds een dubbele hoeveelheid gecomposteerde stalmest wenselijk. Bij lagere organische stofgehalten kan een plantaardige compost zoals groencompost wenselijk zijn. Op zure gronden is champost vanwege het kalkgehalte een optie. Op zure kleigronden is champost het beste middel om de pH te verhogen. Stikstofrijke hulpmeststoffen zijn in het vroege voorjaar nodig wanneer stikstofgebrek te verwachten is. Kaliumrijke hulpmeststoffen zijn zinvol als bladanalyse een kaliumgebrek laat zien.