Inhoud:

4.4 Vervolg Beperking van verliezen
4.5 Toevoegingen en hulpmiddelen
4.6 De bereiding van vaste mest uit stro en drijfmest
4.7 Overleven van ziektekiemen tijdens de compostering
4.8 Overleven van onkruidzaden bij het composteren
4.9 Veiligheid van voedsel na gebruik van mest en compost

Vervolg 4.4 Beperking van verliezen.

Verliezen bij compostering van vaste mest.
De factoren die van invloed zijn op de verliezen bij bewaring van mest zoals strogebruik, mate van anaërobie en tijdsduur spelen ook bij compostering van mest een rol. Daarnaast treedt bij compostering een warmtefase op die extra verliezen kan geven. Er komt steeds meer onderzoek naar de verliezen bij compostering. De verliezen door vervluchtiging hebben vooral betrekking op NH3, CO2, CH4 en N2O. Onder aërobe omstandigheden gaat het vooral om NH3 en CO2 en CH4, N2O onder anaërobe omstandigheden vooral om CH4, CO2 en N2O. In het algemeen treden in een composthoop zowel aërobe als anaërobe omstandigheden op. Delen van de composthoop die niet in contact met de lucht staan zijn anaëroob. Daar waar er wel contact is kan de zuurstof slechts zeer beperkt de kluiten indringen. Het gaat om maximaal enkele micrometers. De lucht die door het omzetten van de hoop binnenkomt draagt nauwelijks bij aan een betere zuurstofvoorziening. Het naar boven opstijgen van warme lucht en het aan de zijkant instromen van zuurstofrijke lucht bepaalt de doorluchting in systemen waar geen geforceerde beluchting wordt toegepast. Steeds zullen er anaërobe plekken blijven en in ieder composteringsproces bestaan de verliezen daarom uit NH3, CO2, CH4 en N2O.
De verhouding tussen de verschillende stoffen die verloren gaan en de mate waarin dit gebeurt hangt af van de samenstelling van het uitgangsmateriaal en de wijze van behandeling van het materiaal.

Onderzoek met varkensmest geeft inzicht in de invloed van de hoeveelheid stro die wordt toegediend. Door het bijmengen van stro werd de oorspronkelijke dichtheid van 1100 kg per m3 teruggebracht tot respectievelijk 700 en 560 kg per m3. De veranderingen in de stikstoffractie na 50 dagen composteren zijn te zien in tabel 4.4.4.

Uit de resultaten blijkt dat een relatief nattere compost de minste verliezen kent. De mest blijft dus beter bewaard. Bij meer stro neemt het verlies sterk toe en ontstaat er vooral meer nitraat-stikstof.

Bij meer stro neemt het C/N verhouding toe en in dit geval het totale N verlies niet. Dat is geheel in overeenstemming met wat bij de bewaring van mest is vermeld. Bij een C/N verhouding van 30 of hoger zijn er nauwelijks meer verliezen aan stikstof.

omzetten
Omzetten heeft invloed op de verliezen.25 Tabel 4.4.5 laat de verliezen zien van varkensmest bij niet omzetten en na 3 maal omzetten.

Niet omzetten geeft vooral emissies van de broeikasgassen N2O en CH4 en ook het grootste verlies aan totaal stikstof.

verliezen N en OS.
Zoals uit het voorgaande blijkt heeft de samenstelling en de wijze van omzetten grote invloed op de verliezen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de literatuur uiteenlopende getallen over stikstof- en organische stofverliezen worden gevonden.

Uit deze grote verschillen blijkt wel hoe groot de invloed is van de omstandigheden. De volgende vuistregel heeft zich in de praktijk al langer bewezen: 20% verlies aan stikstof bij zeer zorgvuldig werken, 40% verlies onder normale praktijkomstandigheden en 60% verlies bij ongunstige omstandigheden.

beperken verliezen Beperken van verliezen is mogelijk door:
• genoeg koolstof, die bereikbaar is voor de organismen in de composthoop. Werk daarom met een hoge C/N verhouding
• voldoende hoog vochtgehalte, boven de 50%
• een temperatuur niet hoger dan 55°C
• enkele malen (twee tot drie keer) omzetten. Niet omzetten en vaak omzetten (meer dan 4 keer) verhogen de emissies
• een niet te hoge pH-waarde bij de start

4.5 Toevoegingen en hulpmiddelen

Over Cobio-litière, Bio Aktief poeder, Biologisch-dynamische preparaten, EM, Bokashi en FIR.

 DISCUSSIE ROND BOKASHI, FEBRUARI 2017, STAAT NA EM

 

Bacteriën, Cobio-litière
Veel producten zijn op basis van bacteriën. Een voorbeeld hiervan is cobio-litière. Dit product, op de markt gebracht door Slootsmid te Laren, moet aan het strobed van vee worden toegevoegd. Het bevordert het omzettingsproces door een combinatie van bacteriën. Volgens de producent zijn dit de effecten van het middel:
• het strobed wordt droger
• de stank wordt minder
• minder ziektekiemen

Bio Aktief Poeder
Holland Green B.V. te Hedel brengt producten op de markt onder de naam Bio Aktief Poeder. Er zijn producten voor het toevoegen aan veevoeder, drinkwater en mest. Deze producten zouden de mest een hoge zuurstofactiviteit geven, met minder ammoniak en stank als gevolg. Ook zou het composteringsproces beter verlopen en bij bemesting de hoge zuurstofactiviteit positief doorwerken in de bodem.

 

Biologisch-dynamische preparaten
In de biologisch-dynamische landbouw wordt gebruik gemaakt van twee groepen preparaten: spuitpreparaten (2) en compostpreparaten (6).
De spuitpreparaten worden over grond en gewas verneveld. De compostpreparaten worden in zeer geringe hoeveelheden aan mest of compost toegediend. De werking wordt niet direct toegeschreven aan de stoffen in de preparaten, maar aan een dynamiek die te maken heeft met de bereidingswijze (zie onder). De levensprocessen in bodem en gewas kunnen met deze preparaten gereguleerd en bevorderd worden. Te onderscheiden zijn zes preparaten:

nr.
502 bloem van duizendblad (Achillea millefolium)
503 bloem van kamille (Chamomilla officinalis)
504 brandnetel, gehele bovengrondse plant (Urtica dioica)
505 schors eik (Quercus robur)
506 bloem paardebloem (Taraxacum officinale)
507 bloem valeriaan (Valeriana officinalis)

bereiding
Bij de bereiding worden ook dierlijke organen gebruikt. Verder wordt gebruik gemaakt van het jaarverloop door de preparaten enkele maanden in te graven of aan de zon bloot te stellen. De precieze bereidingswijze is beschreven in de landbouwcursus van Steiner . De zes preparaten worden verspreid in de mest- of composthoop aangebracht (fig 4.5.1).

effect
Deze preparaten worden al lange tijd toegepast en er is redelijk veel onderzoek beschikbaar waarin de effectiviteit is aangetoond. Een overzicht is te vinden in Koepf . Naast onderzoek aan gewassen die op wel en niet geprepareerde compost groeiden is ook onderzoek gedaan aan de compost zelf. Geprepareerde compost rijpt beter, gezien het hogere adsorptievermogen voor mineralen.

werkingsprincipe
Het doel van de compostpreparaten is het reguleren van de processen in compost, bodem en gewas. Bij de compostering hebben we enerzijds te maken met stoffen in de uitgangsmaterialen zelf: koolhydraten, eiwitten, cellulose en lignine, anderzijds met zuurstof die van buiten de hoop in komt. Overheersen de stoffen in de uitgangsmaterialen te veel dan kan verstarring optreden. Er gebeurt weinig of er ontstaan anaërobe situaties. Overheerst de zuurstof te veel dan wordt de hoop te heet, treden veel verliezen op en ontstaat een kwalitatief minder goed eindproduct. Het doel van de biologisch-dynamische preparaten is het vinden van evenwicht tussen deze tegengestelde krachten.

compoststarter
De zes preparaten zijn door Pfeiffer ook gebruikt om een compoststarter te maken. Aan de preparaten worden onder meer bacterieculturen toegevoegd. Preparaten op basis van de starter van Pfeiffer worden nu toegepast bij de CMC methode.

Effectieve micro-organismen (EM)
EM is een gemengde cultuur van nuttige bacteriën (hoofdzakelijk bestaande uit fotosynthetiserende bacteriën en melkzuurbacteriën), gisten en schimmels (onder meer actinomyceten). Deze cultuur kan geënt worden ter verhoging van de microbiële diversiteit in de bodem of in een vloeibare medium.

fermentatie
Effectieve micro-organismen is een vinding van Prof. Dr. Teruo Higa van de universiteit van Ryukyus in Okinawa (Japan). Het preparaat kan voor vele doeleinden worden ingezet, zoals het omzetten van organisch materiaal. Higa spreekt over fermenteren in plaats van composteren, omdat het is te vergelijken met het inkuilen van gras of maïs, of met de omzetting van witte kool in zuurkool. De uitgangsmaterialen worden min of meer anaëroob opgezet en na toevoeging van EM verzuren de uitgangsmaterialen onder invloed van melkzuurbacteriën en gisten. Ze worden aldus geconserveerd. De bedoeling is om de werkelijke afbraak pas op het veld te laten plaatsvinden, zodat de energie en de voedingsstoffen ook daar beschikbaar komen.

De temperaturen blijven tijdens het fermentatieproces onder de 40°C, waardoor de structuur van het materiaal niet zoveel verandert. De pH zakt naar 3,5 tot 4 en dat is een reden om niet teveel eindproduct te gebruiken: 1 à 4 ton per ha.

Bokashi
Bokashi is de Japanse naam voor gefermenteerd organisch materiaal. Het wordt gemaakt door een mengsel van bierbostel, tarwezemelen en dinkeldoppen (spelt), bentoniet kleimineralen, zeeschelpenkalkmeel en melasse te fermenteren met EM als toevoeging. Omdat vrijwel alle verse organische materialen voor het fermentatieproces gebruikt kunnen worden, is het mogelijk om Bokashi zelf te maken.

effecten
Volgens Agriton (zij werken met EM) heeft het EM-preparaat de volgende effecten:
• het bevordert het kiemen, bloeien, de vruchtzetting en de rijping van gewassen.
• het verbetert de fysische, chemische en biologische toestand van de bodem en onderdrukt de door de bodem voortgebrachte ziekteverwekkers en plagen.
• het verhoogt de benutting van de fotosynthese door de gewassen
• het bevordert de kieming en een betere beworteling van de plant
• het verhoogt het rendement van de organische stof als bemesting

Voor uitgebreide informatie over EM is het volgende boek aan te raden: Effectieve micro-organismen, voor een duurzame landbouw en een gezond milieu, Teruo Higa, uitgeverij Jan van Arkel, 1998 (ISBN 90 6224 405). Hierin wordt door Agriton dieper ingegaan op de werking en toepassing van EM in de landbouw.

--------------------------------------------
Frits van Ham, Agriton:
“Van de fotosynthese zou eigenlijk efficiënter gebruik gemaakt kunnen worden. Het potentiële benuttingspercentage van de plant om zonlicht om te zetten in koolhydraten ligt tussen de 10 en 20%. De werkelijke benutting bedraagt in de praktijk echter minder dan 1%. Zelfs sommige C4 planten, zoals suikerriet, overschrijden zelden een benuttingspercentage van 6 tot 7%. In vroegere studies nam men aan dat het benuttingspercentage van zonlicht voor de fotosynthese niet verder verhoogd kon worden. De productie van de biomassa zou een maximum niveau hebben bereikt. Maar door het zichtbare licht en de infrarode straling beter te benutten, kan de productie van biomassa verder worden verhoogd. Tevens zou men een methode moeten ontwikkelen om een beter hergebruik te realiseren van de energie die in plantaardige en dierlijke afvalstoffen aanwezig is, waardoor deze organische moleculen direct door de plant kunnen worden opgenomen. Het is dus moeilijk om de bestaande limiet in de opbrengst te overschrijden, tenzij men beter gebruik maakt van de energie afkomstig uit het zonlicht en uit bestaande organische moleculen, zoals aminozuren, peptiden en koolhydraten. Deze benadering kan helpen om problemen van milieuvervuiling en bodemdegradatie op te lossen die worden veroorzaakt door een overmatig gebruik van kunstmeststoffen en chemische bestrijdingsmiddelen. Er is een dringende behoefte aan nieuwe landbouwmethoden, die geen kunstmeststoffen en bestrijdingsmiddelen toepassen. Deze ontwikkeling is nu en in de toekomst van vitaal belang voor de landbouw en het milieu. Maar ook voor het recht van de mens om gezond en veilig voedsel tot zich te nemen”

 

In 2016 is Bokashi door de Bedrijfsvereniging Organische Reststoffen (BVOR) geevalueerd:

tabel bokashi 

(Bron tabel: BVOR)

Opvallend zijn de hoge kosten (bijna 10 euro per m3) van de hulpmiddelen die moeten worden toegevoegd. Onderzoek dat uitwijst dat dit de moeite waard is, is nog niet voorhanden, maar er lopen diverse experimenten.

Het Louis Bolk Instituut heeft in 2015 onderzoek gedaan naar het verschil tussen inkuilen volgens de Bokashi methode en ‘traditioneel’ inkuilen. De conclusie van dit onderzoek was dat in Bokashi een hoger gehalte melkzuur aanwezig is vergeleken met traditioneel ingekuild gras, wat aangeeft dat in de kuil met toevoegingen meer omzetactiviteit aanwezig is. De fermentatie gaat sneller. (Louis Bolk Instituut, 2015, ‘Verwerken van maaisel voor landbouwkundig gebruik – waarde van compost, Bokashi en bermgraskuil als meststof’). Voorlopig lijkt het toch waarschijnlijk dat de hoge kosten van de hulpmiddelen niet terug verdient worden. Mocht onderzoek uitwijzen dat fermenteren gunstig is dan kan dat waarschijnlijk ook goed zonder de dure toevoegingen. Fernenteren wordt ook bij bijvoorbeeld de zuurkoolbereiding toegepast. Hier hebben toevoegingen nooit een positief effect gehad.

 

Groenaval. Bij de verwerking van groenafval of maaisel uit natuurgebieden zijn er vrij hoge kosten voor het afleveren van het materiaal bij een groencomposteerbedrijf. Het gaat dan om transportkosten en afleverkosten. Toepassing van de Bokashi methode ziet er financieel dan wat anders uit

 blad bokashi leusden

Bereiden van Bokashi uit bladafval bij Leusden in een plastic luchtdichte tunnel, oktober 2016. Of dit wettelijk toegestaan is, is nog niet duidelijk, zie hieronder.

 

Op 14 februari 2017 publiceerde de BVOR onderstaan de tekst (vet) met kritiek op Bokashi. Hier en daar onze opmerkingen, niet vet.

De Bokashi-hype ontrafelt door de BVOR

10 vragen en antwoorden

Bokashi is een hype. Promotors van Bokashi claimen tal van agronomische en milieukundige voordelen. Daarbij zetten zij zich af tegen bewezen technologieën als compostproductie. De hierbij gebruikte argumenten bevatten onjuistheden en zijn vaak weinig genuanceerd.

Deze factsheet gaat in op een aantal vragen en claims rond Bokashi. Het doel hiervan is een meer genuanceerd beeld te geven van voor- en nadelen van Bokashi en de regelgeving die van toepassing is bij productie en toepassing van Bokashi.Wat is Bokashi?

Bokashi is de naam van een product dat ontstaat bij de fermentatie van organisch materiaal. Kenmerkend bij Bokashi is het toevoegen van hulpstoffen en het laagsgewijs opbouwen van het te fermenteren materiaal en de hulpstoffen (lasagne model). Gebruikte hulpstoffen zijn effectieve micro-organismen (‘Microferm’), zeeschelpenkalk en kleimineralen. 

Ten onrechte wordt de naam Bokashi ook nogal eens misbruikt voor het simpelweg inkuilen of het op hopen leggen van organische reststromen.

 

-Wat is het verschil tussen het fermentatieproces van Bokashi en een composteerproces? In bovenstaande tabel zijn de belangrijkste karakteristieken van het composteerproces en het maken van Bokashi met elkaar vergeleken.

 

 -Hoe zit het met de claim dat ‘bij Bokashi waardevolle componenten zoals organische stof, koolstof en energie behouden blijven, terwijl die bij composteren grotendeels verdwijnen’?

Deze claim is onjuist. Bij composteren wordt tijdens het composteerproces gemakkelijk afbreekbare organische stof afgebroken tot stabiele humus. Bij Bokashi wordt deze afbraak uitgesteld: in de Bokashi-kuil blijft de organische stof weliswaar behouden. Echter, de organische stof wordt alsnog afgebroken nadat het materiaal op het land is uitgereden (en dus in contact komt met zuurstof). Bovendien onttrekt het materiaal dan zuurstof en stikstof van de bodem. Het gaat dus om een ander moment waarop de organische stof en koolstof worden omgezet. Opmerking GBB: dit is niet geheel juist. Bij composteren gaat er wel degelijk meer organische stof verloren dan bij de Bokashi methode. De vraag is of dit erg is. De makkleijke verteerbare fractie gaat in de bodem ook snel verloren en deze fractie kan ook negatief op de bodem werken. Alleen meerjarig onderzoek kan antwoord op deze vraag geven en dat is nooit uitgevoerd. . 

 

-Levert Bokashi dan wel of niet meer organische stof voor de bodem dan compost?

Bokashi bevat vers organisch materiaal, bij compost is dit in het composteerproces afgebroken tot stabiele humus. De hoeveelheid vers organisch materiaal die je met Bokashi opbrengt is om die reden groter dan met het opbrengen van compost.

Voor de bodemkwaliteit op lange termijn is echter niet de hoeveelheid vers organisch materiaal van belang, maar de hoeveelheid Effectieve Organische Stof (EOS). EOS is de hoeveelheid organische stof die een jaar na toedienen nog aanwezig is (aangegeven door het humificatiecoëfficiënt). Dit is de humus die langjarig in de bodem blijft gebonden. Het aandeel humus is in compost veel groter dan in Bokashi. Het humificatiecoëfficiënt van compost is 90%, terwijl het humificatiecoëfficiënt van Bokashi, grassen en maaisels onder de 35% ligt.  Opmerking GBB: het gaat niet alleen om organische stofopbouw, maar ook om voeding van het bodemleven. Dat verzorgt Bokashi mogelijk meer, maar of dit goed is en de lagere organische stofbouw compenseert is nog niet bekend.

 

-En hoe zit het dan met het koolstofbehoud deel bij Bokashi, en de bijdrage aan het tegengaan van klimaatverandering?

Voor het tegengaan van klimaatverandering is van belang dat koolstof langjarig opgeslagen (gebonden) blijft in de bodem. Dit is alleen het geval wanneer deze koolstof in de vorm van stabiele organische stof aanwezig is (humus). Opmerking GBB: dit kon wel eens waar zijn.

Zoals bij hierbovden aangegeven, breekt de gemakkelijk afbreekbare organische stof snel af nadat Bokashi op het land is gebracht. De hierin opgeslagen koolstof komt dan vrij als CO2. Kortom: deze koolstof draagt niet bij aan het tegen gaan van klimaatverandering.  

 

-Is Bokashi een veilig product?

Veilig betekent onder meer dat het vrij is van onkruidzaden en plantpathogenen. Er is géén onderzoek dat aantoont dat onkruidzaden en plantpathogenen in de Bokashi-kuil effectief worden afgedood. Met andere woorden: wanneer de input voor Bokashi onkruidzaden en plantpathogenen bevat is het aannemelijk dat deze zich verspreiden wanneer Bokashi op het land wordt gebracht.

Bij een gecontroleerd composteerproces (55-65 °C gedurende meerdere dagen) worden onkruidzaden en plantpathogenen wél effectief afgedood. Deze hygiënisatie is van oudsher een belangrijke reden om organische reststromen te composteren. Opmerking GBB: de hogere temperatuur van groencompost zal zonder meer meer zaden en ziekten doden, maar de hogere temperatuur gaat wel ten koste van de kwaliteit van de compost

 

-En invasieve exoten dan?

Invasieve exoten zijn planten die van origine niet in Nederland voorkomen en door hun sterk woekerende werking inheemse soorten verdringen. Ze veroorzaken overlast en schade zorgen. Voorbeelden zijn de grote waternavel, de Japanse duizendknoop en de Reuzenberenklauw.

 Wanneer delen van deze planten in maaisel voorkomen is zorgvuldige verwerking gewenst om te voorkomen dat verdere verspreiding optreedt. Van belang is dat gegarandeerde afdoding plaatsvindt van zaden en andere plantdelen waaruit deze soorten zich vermeerderen. Bokashi geeft die garantie niet. 

Een composteerproces kan wel voor effectieve afdoding zorgen. Het proces moet hiertoe zorgvuldig worden ingericht en gemonitord. Het certificatieschema ‘Erkende verwerker invasieve exoten’ specificeert eisen voor de verantwoorde verwerking van invasieve exoten. Opmerking GBB: bij gebruik in de landbouw speelt dit niet.

 

-Mag Bokashi eigenlijk wel worden toegepast als bodemverbeteraar?

Het gebruik van bodemverbeteraars valt onder de Meststoffenwet. De regels hiervoor staan beschreven in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Allereerst moet worden vastgesteld onder welke categorie meststof Bokashi zou kunnen vallen. Aangezien Bokashi geen dierlijke mest, zuiveringsslib, compost of kalkmeststof is, zou het moeten vallen in de categorie ‘overige organische meststof’. Om een overige organische meststof te mogen toepassen, moet deze vermeld staan in bijlage Aa (behorende bij artikel 4 uit de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet). Bokashi staat hier niet op vermeld, is dus geen erkende meststof en mag niet worden verhandeld en toegepast als bodemverbeteraar. 

Een uitzondering hierop vormt Bokashi die door een akkerbouwer op eigen terrein met eigen organisch materiaal is geproduceerd. Dit product mag hij toepassen als bodemverbeteraar op zijn eigen gronden

 

-Hoe zit het met de Bokashi en de Vrijstellingregeling plantenresten (‘Kleine Kringloop’)? De meststoffenregelgeving staat rechtstreekse afzet van bermgras, slootmaaisel en ander groenafval aan de landbouw niet toe. Er bestaat een regeling die hierop een uitzondering maakt, namelijk de ‘Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond’. Deze wordt ook wel aangeduid als de Kleine Kringloop.

De Vrijstellingsregeling is een uitzondering van het stortverbod buiten inrichtingen. De regeling staat onder een aantal voorwaarden toe dat deze maaisels binnen één kilometer van de plaats van vrijkomen rechtstreeks op of in de bodem mogen worden gebracht. De Vrijstellingsregeling voorziet niet in tussentijdse behandeling van het materiaal via fermentatie, compostering of anderszins, noch staat zij het toevoegen van hulpmiddelen toe (bijvoorbeeld de ‘Microferm’). Bokashi productie is dus binnen de Vrijstellingsregeling/Kleine Kringloop niet toegestaan.

 

-Is voor het maken van Bokashi een vergunning nodig?

Wanneer Bokashi wordt gemaakt op een inrichting van een ondernemer in de zin van het Besluit Omgevingsrecht (BOR), is de vergunningsplicht dan wel het Activiteitenbesluit van toepassing. Bokashi mag worden gemaakt op een inrichting met een Omgevingsvergunning voor het be-, en verwerken van organische reststromen, mits het fermenteren in de vorm van Bokashi specifiek is vergund.

Een inrichting zonder Omgevingsvergunning mag volgens het Activiteitenbesluit tot 600 m3 groenafval innemen, versnipperen/bewerken en composteren, mits aan een aantal voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats mag het alleen gaan om groenafval of gewasresten die afkomstig zijn van het eigen bedrijf, of van eigen werkzaamheden buiten het bedrijf. In de tweede plaats mag geen sprake zijn van hinder naar de omgeving en van milieurisico. 

Hoewel het maken van Bokashi niet specifiek is benoemd in het Activiteitenbesluit, zou men dit als

‘bewerken’ van groenafval kunnen aanmerken. Voorwaarde is dan wel dat adequate milieuvoorzieningen aanwezig zijn, zoals een bodembeschermende voorziening. 

Contact

Neem voor meer informatie contact op met de BVOR via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Opmerking GBB: Wacht even met Bokashi tot er meer onderzoek beschikbaar is. De kans dat je veel investeert in iets wat weinig of niets oplevert is groot. 


FIR systeem
Het FIR systeem heeft als doel de kwaliteit van drijfmest te verbeteren. Dit wordt gedaan door aan het veevoer een voederadditief (FIR-MMC) toe te voegen. Volgens het FIR-systeem heeft het toevoegen van voederadditief de volgende effecten:
• betere vertering van de rantsoen, waardoor in de mest minder onverteerde delen voorkomen
• afvalstoffen die bij de vertering vrijkomen worden geabsorbeerd, waardoor er meer bacteriën en schimmels aanwezig zijn
• verschuiving van ammoniak naar organische-N in mest, met als gevolg minder stank en minder emissie

humesteren
Een ander onderdeel van het FIR-systeem is humesteren. Dit is een vorm van mestverwerking waarbij de voorbehandelde drijfmest verwerkt wordt tot een steekvaste mest. Met voorbehandelde drijfmest wordt bedoeld dat het voederadditief (zie hierboven) is ingezet in het rantsoen. Bij humesteren wordt drijfmest vermengd met organisch materiaal zoals natuurhooi. Dit kan op het eigen bedrijf plaatsvinden. Het eindproduct wordt humest genoemd. Het proces van humesteren is hetzelfde als bij composteren. Zie voor het composteringsproces hoofdstuk 4.1 en voor de techniek in hoofdstuk 4.6.

In de praktijk blijkt dat bij droog natuurhooi (ongeveer 80% DS) en bij weinig of geen neerslag, 3 à 4 gewichtsdelen drijfmest kunnen worden toegevoegd aan 1 gewichtsdeel hooi. Bij meer neerslag zal er minder drijfmest in het materiaal opgenomen kunnen worden.

Een praktijkervaring met humesteren op het bedrijf Mts Bouwmans vanaf 1998.

De Maatschap Bouwmans is in januari 1998 begonnen met het toepassen van het FIR-systeem. Sinds die tijd is er op het bedrijf continu gehumesteerd en is er ervaring met het systeem opgedaan. De zogeheten jonge ontginningsgronden rondom het bedrijf zijn te typeren als arme zandgrond met een organische stofgehalte van ongeveer 2 à 3%. Deze gronden zijn droogtegevoelig en vertonen amper bodemleven. Jaarlijks is ongeveer 25 m3 humest per ha uitgereden. Het organische stofgehalte op die percelen is sinds 1998 gestegen tot ongeveer 5 à 6%. Dit is een toename van ongeveer 100%. Deze stijging van het organische stofgehalte heeft onder meer tot gevolg gehad dat het wormenbestand fors is toegenomen: in de herfst van 2000 werden 200 wormen per m2 geteld. Hoewel daar geen metingen aan zijn verricht bestaat sterk de indruk dat het waterbufferend vermogen op deze percelen is toegenomen. De kunstmestgift kon flink worden teruggebracht. De voorbehandelde drijfmest is reukarm bovengronds verwerkt en heeft hierdoor een ongeveer 50% hogere mineralenbenutting. Die van de humest op het land benadert de 80 à 90% en de stal-emissie is verwaarloosbaar klein. Het krachtvoergebruik is verminderd met ongeveer 20%. Het ruwe celstofgehalte van de eigen ruwvoeders is verhoogd. De maatschap Bouwmans heeft in de afgelopen 3 jaar aangetoond dat de mineralenbenutting van zowel de voorbehandelde drijfmest als van de humest goed omhoog is gegaan. Verder concludeert de maatschap dat zij ongemerkt hun bedrijfskringloop in de richting van een biologisch duurzame landbouw hebben verbeterd. Dat past in het kader van de ontwerp-Wet Reconstructie Zandgronden.

4.6 De bereiding van vaste mest uit stro en drijfmest.

Het is mogelijk om uit drijfmest vaste mest te maken door deze te mengen met stro. Nodig is hiervoor een opslagmogelijkheid met een vloeistofdichte laag. Deze laag kan van beton zijn maar kan ook van zware klei of een mengsel van bentoniet en zand of zavel gemaakt worden (zie 4.3). Een probleem bij het proces is dat het stro op de drijfmest gaat drijven. Omdat het dan niet goed mengt neemt het onvoldoende vocht op. Het werken in lagen is hiervoor een oplossing: eerst wordt een laag stro aangebracht, vervolgens wordt hier drijfmest over uitgebracht en met bijvoorbeeld een kraan enigszins gemengd. Na een dag inweken kan een nieuwe laag stro en drijfmest worden aangebracht. Vervolgens worden meerdere lagen stro en drijfmest aangebracht. Drie lagen stro en drie lagen drijfmest zijn in het algemeen voldoende om een laag mest met een dikte van 1 tot 1,5 m te bereiden. Met 1 ton stro kan ongeveer 5 ton drijfmest verwerkt worden. Na enkele dagen kan de mest met een kraan op een hoop worden opgezet om te bewaren of om te composteren. De gehalten van de zo bereide mest zijn te vergelijken met die van potstalmest.

strofiltermest
Met de bereiding van vaste mest uit stro met het strofiltersysteem is tot nu toe alleen ervaring opgedaan met varkensmest. Ook met andere soorten drijfmest kan dit systeem toegepast worden.
Het strofilter is een mestscheiding waarbij de drijfmest over een licht aflopende vloer vloeit met daarop een laag stro. De dikke fractie blijft in het stro achter. De dunne fractie komt via een afvoergoot in een opslag. Bij een experiment bleek 1 m3 zeugenmest (4,1% droge stof) met 4 kg tarwestro te scheiden te zijn in 885 kg dunne fractie (1,3% droge stof) en 115 kg dikke fractie (34% droge stof).
Strofiltermest heeft veel organische stof. Ook bevat hij veel fosfaat, dat achterblijft als stikstof en kalium voor een belangrijk deel in de dunne fractie terechtkomen. De mest is daarom vooral geschikt voor situaties waar organische stof en fosfaat van belang zijn. De toepasbaarheid is daarom beperkt. Problemen bij de productie van deze mest zijn de ammoniakemissie bij de bereiding en de beperkte toepasbaarheid van de dunne fractie.


composteren van strofiltermest met groencompost
De strofiltermest kan gecomposteerd worden met dezelfde uitgangsmaterialen die voor groencompost gebruikt worden. Bij een experiment op een groencomposteerbedrijf te Hattemerbroek29 werden bermgras, houtige snippers en strofiltermest gecomposteerd. De compostering duurde 8 weken bij 60-70oC. Met de shovel werd er 3 maal omgezet.
De eigenschappen van de uitgangsmaterialen en de eigenschappen van de compostsoorten zijn weergegeven in tabel 4.6.1 en 4.6.2.

Wat opvalt bij alle drie de composten is dat de C/N verhouding 30 of hoger is en dat er op korte termijn geen stikstoflevering te verwachten is. Omdat de groencompost van alleen bermgras en snippers een laag fosfaatgehalte van 2,3 kg per ton heeft, zijn er binnen MINAS ruime toepassingsmogelijkheden. Door het mengen met de strofiltermest neemt het fosfaatgehalte toe en daarmee de gebruiksmogelijkheden binnen MINAS af. Dit lijkt ongunstig, maar de compost is veel rijker aan voedingsstoffen en waarschijnlijk ook rijker aan makkelijk verteerbare organische stof. De positieve invloed op bodemleven, bodemstructuur en ziektewerendheid van de bodem is daarom mogelijk groter.

4.7 Overleven van ziektekiemen tijdens de compostering

Inleiding
In mest en groenafval kunnen zich ziekteverwekkers bevinden. Tijdens het composteren zullen de meeste ziekteverwekkers het loodje leggen of geïnactiveerd worden. In welke mate hangt af van de omstandigheden: niet alleen de temperatuur, maar ook de mate van anaërobie en de vochtigheid spelen mee. Ook de gebruikte mechanisatie en de manier van werken van de composteerder hebben invloed.
In deze paragraaf wordt vooral gekeken naar ziekteverwekkers waar planten last van hebben en die in de bodem voorkomen: schimmels, bacteriën, virussen en aaltjes. In de volgende paragraaf worden de voor mensen vervelende ziekteverwekkers bekeken.

analyse
Het is vaak lastig om door een simpele test de aanwezigheid van ziekteverwekkers in het eindproduct van de compostering aan te tonen. Dat komt omdat je lage concentraties al moet opsporen. Daarom zijn er gespecialiseerde bedrijven, zoals het Bedrijfslaboratorium voor Grond- en Gewasonderzoek (BLGG) in Oosterbeek, die bijvoorbeeld testen uitvoeren op aaltjes, virussen en schimmels in compost.

toetsplant
Een andere test om besmetting aan te tonen is een gevoelige plant te laten groeien in een mengsel van compost en steriele grond. Dit kan sneller tot resultaat leiden dan het daadwerkelijk opsporen van de organismen. Het is belangrijk dan de plant te kiezen die later geteeld zal worden. Op het moment worden komkommer, bloemkool en rode biet veel gebruikt.

procescontrole
Het composteringsproces kan ziekteverwekkers in het uitgangsmateriaal uitschakelen. Het kan dus belangrijk zijn om dit proces te beoordelen op kiemdodende eigenschappen, vooral als je niet weet of er ziekteverwekkers in je uitgangsmateriaal zitten.
Dit lijkt eenvoudiger dan het is: je moet de resistentie van de verschillende ziekteverwekkers kennen om vervolgens de voorwaarden te kunnen formuleren.

warmteontwikkeling
De fusariumschimmel die verwelkingsziekte in aubergine veroorzaakt, wordt gedood door een verblijf van 4 uur bij 55°C onder vochtige omstandigheden. Door eenvoudigweg de temperatuur te meten kun je al vaststellen of je risicovrij een afgedragen auberginegewas kan composteren.
Alleen kijken naar dit soort procesparameters zegt echter niet alles, omdat een gedeelte van de hoop altijd iets koeler kan blijven. Ook bestaat het risico dat rijpe compost met het verse uitgangsmateriaal in aanraking komt.

indicatororganismen
Het proces kan ook indirect beoordeeld worden, met behulp van indicatororganismen. Zo kun je bijvoorbeeld kijken naar het vóórkomen van de doorgaans onschadelijke, maar makkelijk te bepalen bacteriën van de coligroep die altijd in menselijke en dierlijke feces voorkomen. Hoe minder coli-bacteriën er voorkomen, hoe minder ziekteverwekkers je mag verwachten.
Je moet dan wel de overlevingscondities van potentiële ziektekiemen kennen, zodat je die kunt vergelijken met die van de indicator. Zo kun je een overlevingsrisico inschatten.

Om een idee te krijgen van de overlevingstemperaturen van verschillende schadelijke organismen worden in tabel 4.7.1 en 4.7.2 enkele vuistwaarden gegeven, bepaald bij gegeven condities. Virussen kunnen overleven nog bij hoge temperaturen. Schimmels en bacteriën kunnen minder hebben en aaltjes zijn al heel snel geëlimineerd.

Overleven van aaltjes
Proefresultaten tonen aan dat aaltjes het composteerproces vrijwel nooit overleven. Dit geldt ook voor de cyste-vormende soorten en de wortelknobbelaaltjes die in de bodem doorgaans veel droogte en chemicaliën kunnen weerstaan.
De weinige studies naar het overleven van aaltjes tijdens composteren, laten zien dat een goed bereide compost met een warmte- en een rijpingsfase vrij is van plantenziekten veroorzakende aaltjes.

Virussen
Ongeveer eenzesde van het aantal soorten plantenvirussen bereikt de plant via de bodem. Deze virussen infecteren de planten via wortels, bollen of knollen. Ze worden gevonden in de meeste tuinbouw- en akkerbouwbodems.

tabaksmozaïekvirus
Sommige virussen kunnen veel warmte verdragen. Er zijn proeven bekend waarbij het tabaksmozaïekvirus nog aanwezig bleek na het composteren van tabaksplantresten gedurende 6 weken op 50 tot 70°C. Warmteresistente organismen kunnen vaak in minder goede omstandigheden, zoals de combinatie van warmte met droogte, een tijdelijke overlevingsvorm aannemen. Zo worden ze niet gedood maar slechts tijdelijk geïnactiveerd. Het tabaksmozaïekvirus is hier een voorbeeld van.

Bij het bepalen van het risico van het gebruik van compost dat virussen bevat, moet ook gekeken worden naar de manier waarop de virussen in de plant terechtkomen.

vector
Overdracht gebeurt direct of door een drager, een 'vector'. De meeste bodemvirussen hebben een vector nodig in de vorm van een aaltje of een schimmel.

Door aaltjes overgedragen bodemvirussen
Er is van ongeveer 20 plantenvirussen bekend dat ze door aaltjes worden overgedragen.

tabaksratelvirus
Eén daarvan is het tabaksratelvirus dat overgebracht wordt door de vrijlevende aaltjes van de geslachten Trichodorus en Paratrichodorus. Het virus heeft vele waardplanten, waaronder economisch belangrijke gewassen als aardappel en tulp en kan composteren weerstaan. De aaltjes echter zijn gevoelig voor warmte en zullen het composteren doorgaans niet overleven.

Het is mogelijk dat virushoudende compost wordt toegediend aan een bodem die besmet is met virus-overbrengende aaltjes. De aaltjessoorten die virussen aan planten kunnen overdragen zijn doorgaans parasitair. Die voeden zich met levende plantenwortels en niet met micro-organismen of andere elementen uit de compost. Deze aaltjes doorboren de celwand van de wortelcellen met een ‘stylet’, waarna ze zich tegoed kunnen doen aan het celvocht. Als het aaltje zich verplaatst wordt de stylet ingetrokken en die komt daarbij niet in aanraking met de composthoudende grond. Het is daarom onwaarschijnlijk dat op deze manier, via besmetting door compost en grond, een plant besmet wordt.

Door schimmels overgedragen virussen
De schimmels die als drager functioneren kunnen zich alleen vermeerderen als ze parasitair leven op planten. In de bodem vormen ze sporen en overleven op die manier de ongunstige condities.

bietenrhizomanievirus
De drie bekendste virus/schimmelcombinaties zijn: het bietenrhizomanievirus, overgedragen door de schimmel Polymyxa betae in de suikerbiet; het tabaksnecrosisvirus en het bobbelbladvirus, beide overgedragen door Olpidium brassicae.
De weerstand van P. betae tegen composteren is nog niet bestudeerd, wel die van O. brassicae, die meer weerstand heeft dan aaltjes. Ook is gebleken dat virussen beter tegen hitte bestand zijn dan schimmels.
Als er schimmels in de bodem zitten en virussen worden aangevoerd met de compost, dan kan de plant besmet worden. Het hangt af van de virus/vectorschimmel combinatie of de zoösporen van de onbesmette schimmel de virussen uit de bodem oppikken en aan de plant doorgeven.
.
Bacteriën
Plantenziekte verwekkende bacteriën worden doorgaans gedood tijdens het composteringsproces. Erwinia amylovora, de veroorzaker van bacterievuur in perenbomen, werd geheel vernietigd toen de geïnfecteerde uitlopers 7 dagen op tenminste 40°C waren gehouden. Twee andere bacteriën, Erwinia carotovora var. chrysanthemi en Pseudomonas phaseolicola, die voorkomen in chrysantenafval en bonenbladeren, zijn nog gevoeliger voor warmte.
Anaërobe vertering van gewasresten vernietigt ook een groot deel van de schadelijke bacteriën. Clavibacter michiganense, de veroorzaker van bacteriekanker in de tomaat, werd vernietigd in een vergistinginstallatie, waar tomatenresten verwerkt werden bij 35°C.
Gezien de beschikbare gegevens lijkt het er op dat goed gemaakte compost geen problemen met bacteriebesmetting zal opleveren.

Schimmels

makkelijke soorten
De meeste schadelijke schimmels worden snel geïnactiveerd. Dit geldt ook voor soorten die sclerotiën vormen, zoals Sclerotium cepivorum, de verwekker van witrot in uien en Sclerotinia sclerotiorum, de verwekker van sclerotiarot in komkommers, leguminosen en witlof. Hoewel sclerotiën in de grond langdurig overleven tijdens moeilijke omstandigheden, kunnen ze niet tegen de hoge temperaturen van het composteringsproces.

moeilijke soorten
De biotrofe schimmels met dikwandige rustsporen zijn moeilijker uit te roeien. Dit zijn schimmels die voor hun vermeerdering wortels moeten infecteren. De sporen kunnen vele jaren overleven en weerstaan droogte en hitte. Een voorbeeld: de schimmel Olpidium brassicae, de drager van virussen in sla en andere gewassen, wordt pas gedood als de composthoop onder vochtige omstandigheden gedurende enkele uren een temperatuur van tenminste 60°C heeft.

knolvoet
Het onderzoek naar Plasmodiophora brassicae (de verwekker van knolvoet in kolen en andere kruisbloemigen) krijgt veel aandacht omdat het een serieus probleem vormt in deze plantengroep die vaak compost krijgt. De schimmel kan worden aangetoond door Chinese kool, een zeer gevoelige toetsplant, te gebruiken. De schimmel kan 3 weken bij 65°C overleven. Er kan echter ook complete vernietiging na 24 uur bij 54°C plaatsvinden en blijkbaar spelen ook andere factoren dan alleen de temperatuur een rol.

invloed vergisting
Schimmels zijn gevoelig voor vergisting. Dit is aangetoond voor Fusarium oxysporum f.sp. dianthi (verwelkingziekte in anjers) en Sclerotium cepivorum (witrot in uien) .

Mechanismen van inactivatie

vier mechanismen
Inactivatie en vernietiging van ziekteverwekkers wordt veroorzaakt door:
• warmte tijdens de thermofiele fase van het composteringsproces
• giftigheid van afbraak(tussen)producten
• afbraak door enzymen
• tegenwerking (antagonisme) door micro-organismen (zie het hoofdstuk 5.4 over ziektewerendheid)
De mechanismen werken vaak gelijktijdig en dus zal inactivatie vaak het gevolg zijn van een combinatie van bovenstaande factoren. Bijvoorbeeld blootstelling aan temperaturen die op zichzelf net niet dodelijk zijn zal een ziekteverwekker gevoeliger maken voor giftige afbraakproducten en omgekeerd. Naast de parameters achter bovenstaande mechanismen, zijn ook vochtgehalte en zuurgraad bepalende omgevingsfactoren bij de inactivatie.

In de praktijk

pH
Bij het tabaksmozaïekvirus is aangetoond dat een hogere pH (richting 8) onder verder dezelfde omstandigheden een betere eliminatie geeft. Het bereiken van een hoge pH kost echter veel moeite en het resultaat is gering.

vochtgehalte
De vochtigheid tijdens de thermofiele fase heeft een grote invloed op de vernietiging van de ziekteverwekkers. Hoe droger, hoe eerder veel soorten in rusttoestand gaan, hoe minder gevoelig ze zijn voor de warmte. Naast de uitwerking op het composteerproces zelf is dat ook een goede reden om het vochtgehalte in de gaten te houden, en de compostering bij voldoende vocht te laten beginnen. Een belangrijk punt van aandacht is het ontstaan van droge plekken in de composthoop.

temperatuur
Als het vochtgehalte in orde is geldt: hoe hoger de temperatuur, hoe beter de eliminatie van alle ziektekiemen. De temperatuur laat zich opjagen door een luchtige hoop te bouwen. Hierbij komt ammoniak vrij en kunnen we verwachten dat de gemiddelde concentratie ammoniak hoger wordt. Zowel een hogere temperatuur als meer ammoniak hebben een ziektedodende werking. Die situatie zal echter ook een groter stikstofverlies geven. Door langer bij een wat lagere temperatuur te composteren, wordt waarschijnlijk het stikstofverlies beperkt, maar zal de doding van ziektekiemen minder zijn.
Per hoop kan de afweging gemaakt worden: zijn er gewasresten met ziektekiemen, dan kan de temperatuur wat hoger worden. In andere gevallen (compost is niet automatisch besmet) kunnen we er juist voor kiezen om zoveel mogelijk stikstof te sparen. Hierbij kunnen we ook een afweging maken welke ziekteverwekkers we verwachten. We kunnen vooral problemen verwachten bij één van de tabaksvirussen die zelfs een temperatuur van 65°C nog kunnen overleven.

anaërobie
Een andere mogelijkheid is om tijdens het composteren juist meer de anaërobe kant op te gaan door de hoop dicht op te zetten, zodat de giftige tussenproducten hun werk kunnen doen. Dit kan ook verlies geven in de vorm van NO2. Er is te weinig onderzoek bekend om een gefundeerde afweging te kunnen maken.

hygiëne
Niet alleen de opzet, maar ook de uitvoering van het proces bepalen de effectiviteit van het composteren tegen de ziekteverwekkers. Enkele vragen daarbij:
• zijn werkelijk alle plekken van de compost voldoende lang vochtig en heet geweest (ook de randen)?
• is er voldoende scheiding tussen net beginnende en al rijpe compost?

Gebaseerd op: G.J. Bollen en D. Volker in: The science of composting : European Commission international symposium, Bertoldi ea. 1996.

4.8 Overleven van onkruidzaden bij het composteren

Wanneer bij de compostering een temperatuur van 60°C bereikt wordt hebben onkruidzaden hun kiemkracht verloren ( , , , ). Ook bij lagere temperaturen kunnen onkruidzaden hun kiemkracht verliezen, afhankelijk af van de composteringsduur, het vochtgehalte, het aantal keren dat de hoop wordt omgezet, de aanwezigheid van giftige stoffen voor planten en van het soort onkruid.
In een onderzoek van Eghball verloren vrijwel alle onkruidzaden hun kiemkracht, als ze 3 maanden in stalmest bij een temperatuur van maximaal 45°C verbleven.
Bij een temperatuur van 70ºC waren in 1 week alle zaden gedood. In nattere mest gaat de kiemkracht sneller verloren dan in droge, ook als daar de temperatuur hoger is. Eghball vond kleine verschillen tussen de soorten onkruid. Vaker omzetten bleek het onkruidzaad sneller te doden. Het toevoegen van een waterextract van een 3 weken oude groencompost laat de zaden hun kiemkracht sneller verliezen, aldus Shiralipour die onkruidzaden na drie uur bij 60°C in compost onderzocht. Hieruit werd geconcludeerd dat giftige stoffen voor planten ook een rol spelen.

De meeste zekerheid over het verlies aan kiemkracht wordt verkregen wanneer de temperatuur de 60°C haalt. Dit hoeft maar kort het geval te zijn, bijvoorbeeld enkele dagen. Deze temperatuur kan bij een compostering met de juiste uitgangsmaterialen en de juiste techniek bereikt worden. Dat geldt niet voor de buitenkant van de hoop. Deze blijft koeler en door omzetten moet ervoor gezorgd worden dat alle materiaal een hoge temperatuur bereikt. Ook een afdekking met isolerend materiaal kan helpen een voldoende hoge temperatuur te bereiken.

4.9 Veiligheid van voedsel na gebruik van mest en compost

Inleiding
Voedselveiligheid is een aandachtspunt bij de productie en verwerking van voedselproducten. Dierlijke mest en plantaardig afval afkomstig uit industrie of huishoudens worden in de landbouw veelvuldig gebruikt. In dit hoofdstuk wordt gekeken welke gezondheidsrisico’s hiermee samenhangen en hoe deze beperkt kunnen worden. Ook zal kort worden ingegaan op gezondheidsrisico’s voor werknemers van composteerbedrijven.

Soorten pathogenen

primaire pathogenen
Een probleem kunnen vormen bacteriën, virussen, parasieten, cysten, eitjes en prionen, die met het uitgangsmateriaal meekomen. Dit is een potentieel probleem bij rioolslib en mest. Sommige bacteriën kunnen zich ook in de compost vermeerderen.

secondaire pathogenen
Dit zijn pathogenen die tijdens bewaring en compostering ontstaan. Het betreft vooral schimmels (bijvoorbeeld Aspergillus fumigatus) en actinomyceten.

Sommige bacteriën en schimmels kunnen zelf gevaarlijk zijn, andere kunnen allergene en giftige stoffen vormen.

Risico voor consumenten
Een pathogeen moet een lange weg afleggen van de bron tot de consument. Het daadwerkelijk optreden van problemen hangt af van:
• de hoeveelheid pathogenen in het bronmateriaal
• bij composteren: de overlevingskans tijdens het proces
• de overlevingskans in het veld
• of de pathogeen in een eetbaar deel van het gewas terechtkomt
• hoe de maaltijd bereid wordt
• hoe gevoelig een persoon in kwestie is
• hoe ernstig de ziekte is

onderzoek
Door de gehele keten van de landbouw is er nog maar weinig specifiek onderzoek gedaan naar voedselveiligheid. Zowel de overheid als de consument tonen momenteel interesse in dit onderwerp.
Uit onderzoek naar het overleven van ziektekiemen bij compostering is gebleken dat bronmateriaal van dierlijke herkomst een veel groter risico vormt dan plantaardig afval. Met huishoudelijk afval kunnen zich evenwel ook problemen voordoen. Een uitbraak van varkenspest in Duitsland in1993 wordt toegeschreven aan niet goed behandeld GFT-afval.

kans op problemen
Het risico van besmetting door het gebruik van een meststof in de landbouw wordt laag ingeschat, onder meer vanwege de vele schakels in de keten. Er zijn weinig besmettingsgevallen in de literatuur beschreven. Bij de champignonteelt is het risico groter omdat het product direct op het substraat groeit.

risico voor werknemers
Bij werknemers van composteerinstallaties zijn er enkele problemen bekend met Aspergillus-schimmels, die allergische reacties in de ademwegen geven. Deze schimmel komt bijvoorbeeld ook in vochtig hooi voor en kan relatief hoge temperaturen verdragen. Vijf tot tien % van de mensen blijkt er allergisch voor te zijn. Mensen met een verminderde weerstand krijgen eerder problemen.
De besmetting gaat makkelijker via de lucht (aërosolen) dan door direct contact. Onderzoek bij rioolzuiveringen en composteerinstallaties liet weinig aantoonbare besmettingen zien. Bij normaal uitgangsmateriaal ligt het aantal ziektekiemen erg laag en is de kans klein dat een werknemer daadwerkelijk besmet wordt.
Voor boeren is geen onderzoek bekend en waarschijnlijk lopen zij vergelijkbare risico's als werknemers van composteerinstallaties. In theorie zou er bij het bemesten in het open veld problemen kunnen optreden bij mensen met een verminderde weerstand; in de praktijk is dat echter nog nooit aangetoond.

Een specifiek probleem voor werknemers van rioolzuiveringen is het ‘rioolwerker syndroom’. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door het vrijkomen van giftige stoffen uit bacteriën, met name in een stoffige omgeving. Symptomen zijn onder meer koorts en griep-achtige verschijnselen, tranende ogen en problemen met de luchtwegen.38

Bekende gevallen van voedselbesmetting via mest

In de westerse wereld zijn gevallen bekend van besmetting van groente of fruit via de mest: bijvoorbeeld in Canada, waar een salade van kool die met schapenmest was bemest listeriosis (Listeria monocytogenes) veroorzaakte. Een uitbraak in de VS wordt geweten aan bemeste sla of selderij. Appelsap of cider, gemaakt van appels uit boomgaarden die organisch bemest of begraasd zijn, veroorzaakte een salmonellavergiftiging. Meer recent zijn er gevallen bekend van sinaasappelsap en alfalfa-kiemen die met pathogenen uit mest besmet waren.
Uit Italiaans onderzoek bleek dat er incidenteel Salmonella- en Listeria-bacteriën op biologisch geteelde groenten voorkwamen, maar een verhoogd risico ten opzichte van niet-biologische producten was statistisch niet te bewijzen .
Het risico om via dierlijke producten (vlees, eieren, melk) besmet te raken met pathogenen uit mest of de ingewanden van dieren is veel groter. Ook hiervan is niet bekend of er aantoonbare verschillen zitten tussen de biologische en niet-biologische landbouw.

Overleven van pathogenen tijdens het composteren
Belangrijke ziekteverwekkende bacteriën en protozoa zijn :
Campylobacter jejuni en C. coli
Salmonella spp.
Shigella spp.
Yersinia enterocolitica
Listeria monocytogene
Escherischia coli
Giardia lamblia
Entamoeba histolytica

Andere ziekteverwekkers:
Virussen
Prionen

Deze ziekteverwekkers zullen afzonderlijk behandeld worden.

Campylobacter
Campylobacter is pas eind vorige eeuw ontdekt, maar veroorzaakt meer gevallen van voedselvergiftiging dan de veel bekendere Salmonella.
Met name de soorten C. jejuni en C. coli kunnen schadelijk zijn. De bacterie is primair afkomstig uit mest, maar oppervlaktewater is ook een besmettingsbron. Hij komt in rauwe melk voor (in 1988 kwam in 4.5% van de rauwe melk in Nederland Campylobacter voor). C. jejuni kan behalve in de mest in een andere vorm ook in de uier voorkomen en is verantwoordelijk voor sommige soorten uierontsteking.
Een veel voorkomende besmettingsbron is onvoldoende verhit kippenvlees.

De bacterie kan meerdere weken overleven in water van 5°C. Hij kan niet tegen droogte of teveel zuurstof, maar geeft de voorkeur aan wat meer CO2 dan in de buitenlucht voorkomt. Hij kan niet zo goed tegen verhitting. Zo'n 6 seconden op 60 °C geeft al een decimering.
De beste weerstand van de bacterie is in de buurt van pH 7.

Samenvattend: bij een goede compostering op 50°C of meer mag er eigenlijk geen probleem optreden.

Salmonella spp.
Salmonella is een heel bekende en vaak voorkomende besmetting. Het is een bacterie die voorkomt in de ingewanden van mensen en dieren. Buiten een gastheer kan hij echter lang overleven en blijven groeien, als de omstandigheden het toelaten. Enkele voorbeelden:

Lichte verhitting werkt voldoende: 30 minuten pasteuriseren op meer dan 63°C is volstrekt dodelijk. Bij experimenten met S. typhimurium in
kippenwaswater bleek dat de D-waarde (de tijd die nodig is om de populatie te decimeren) bij 52°C varieerde van minder dan een minuut tot maximaal 35 minuten, afhankelijk van de pH en het zoutgehalte van het water.

Er zijn twee bronnen van besmetting: producten van dierlijke herkomst en producten die in aanraking zijn geweest met mest en uitwerpselen (denk daarbij ook aan muizen en ratten). Voor mensen zijn bijvoorbeeld besmetting door alfalfa-kiemen en door appel- en sinaasappelsap bekend. Bij de kiemen kon achterhaald worden dat de besmetting was opgetreden bij een handelaar. Bij plantaardig materiaal bevinden de bacteriën zich op en niet in de drager. 43

Shigella
Shigella heeft alleen de mens en enkele andere primaten als gastheer. De bacterie is gevonden in water en op diverse voedingsmiddelen, zoals aardappels. Ook van aardbeien en sla is bekend dat ze de ziekte kunnen verspreiden na in contact geweest te zijn met besmet water of met besmette handen. Een andere besmettingsroute is via rioolslib, met vliegen mee naar voedsel. In de bodem kan Shigella meerdere weken overleven, op tomaten 2 tot 7 dagen. De meeste gevallen van besmetting zijn ontstaan bij het bereiden van voedsel door besmette mensen. Dit kan voorkómen worden door basishygiëne, zoals handen wassen voor het eten klaarmaken.

Yersinia enterocolitica
Yersinia enterocolitica komt wereldwijd voor, maar veroorzaakt niet zo snel een infectie. Hij wordt vooral geassocieerd met varkensvlees, zuivel en water. Er zijn geen besmettingen door groenten bekend.

Listeria monocytogenes
Behalve mensen kunnen ook veel soorten dieren besmet raken met Listeria monocytogenes. Bij de dieren gaat het om herkauwers, vissen en vogels. Besmettingsbronnen zijn bijvoorbeeld kuilvoer voor koeien en melk voor mensen. Een belangrijke Listeria-uitbraak betrof een besmetting van 50 mensen in Canada. Ze hadden koolsalade gegeten, die bemest was met schapenmest uit een kudde, waarvan enkele dieren gestorven waren door listeriosis.
Een andere besmetting kwam waarschijnlijk voort uit besmette rauwe groenten. Ook is bekend dat gepasteuriseerde melk van een geïnfecteerde koeienstapel deze ziekte kan veroorzaken. Blijkbaar is normaal pasteuriseren niet altijd genoeg. Ook is besmetting bekend via zachte kaas of niet genoeg verhit vlees.
De mortaliteit bij mensen kan wel 30% bedragen. De meeste mensen zijn resistent en problemen ontstaan bij mensen met verminderde afweer en bij zwangere vrouwen.

Listeria kan relatief minder goed tegen UV-licht, maar wel goed tegen droogte. Het is niet onwaarschijnlijk dat het goed kan overleven op gewassen in het veld.43 De bacterie kan meer dan 500 dagen overleven in mestflatten en 700 dagen in een vochtige bodem.

Bij een temperatuur van 50°C wordt in verschillende substraten (koolsap, vlees) een D-waarde van een kwartier tot 3 uur gemeten. Hierbij geldt: hoe neutraler de pH hoe lager de D-waarde. Bij 55 tot 56°C is deze waarde afgenomen van 2 tot 20 minuten. Met een goede en hygiënische aanpak is er weinig kans op overleven in het composteringsproces.

Ter voorkomen van besmetting is het van belang de graskuil zó te maken dat deze snel zuur wordt. Hiermee wordt voorkomen dat Listeria zich in de kuil vermeerdert. De kans dat deze ziektekiem in de melk - en via ongepasteuriseerde melk in de zachte kaas - of in de mest terecht komt wordt dan kleiner.43

E. coli.
Deze darmbacterie komt in verse mest algemeen voor en wordt zelfs als een soort indicator gebruikt voor de hygiëne tijdens het composteren. Lang niet alle vormen zijn ziekteverwekkend. Problemen kunnen optreden met de E. coli variant O157:H7, die een ernstig ziektebeeld kan geven. Over het algemeen kan deze bacterie minder goed tegen hitte dan Salmonella.

Bij 50°C is de D-waarde ongeveer 30 minuten. Bij 60°C ongeveer 1 minuut. Bij een goed uitgevoerde compostering mag E. coli geen probleem vormen. 43
Toch is er na 70 dagen composteren nog levende E. coli in rundermest aangetroffen.
Er is een groeiend bewijs dat E. coli O157:H7 kan overleven op sla en komkommer en bij de juiste omstandigheden van temperatuur en atmosfeer zelfs in aantal kan vermeerderen. 43

Giardia lamblia
Giardia lamblia wordt behalve bij mensen ook gevonden bij katten, honden en diverse wilde dieren. Herkauwers kunnen door een verwant organisme besmet worden. Hij veroorzaakt diarree, met name bij kinderen en jongeren, want ouderen hebben doorgaans resistentie opgebouwd. Hij wordt vooral overgedragen door besmet water, maar overdracht via besmette groenten kan niet worden uitgesloten. In natte, vochtige condities kan het organisme overleven. De warmteresistentie en de overlevingstijd zijn niet bekend. Gezien het voorafgaande zijn problemen via de route mest-groenten-mensen niet erg waarschijnlijk.

Entamoebe histolytica
Over deze amoebe bestaan maar weinig gegevens. Cysten (de rustvorm) kunnen overleven in water, bodems en op - met name vochtige - groenten. De actieve fase leeft alleen maar in de gastheer en in de ontlasting. Hoewel sommige zoogdieren (honden en katten) besmet kunnen raken, scheiden ze geen cysten uit: de ziekte is van menselijke afkomst. Hij komt vooral voor in de tropen en arctische gebieden.

virussen: Hepatitis A virus, poliovirus
Het menselijk lichaam, met name de ontlasting, is de enige bron van dit ziekteverwekkende virus. Er zijn enige tientallen gevallen bekend van Hepatitis A door besmet sla of fruit. De besmetting kan zowel door aanraken (bij te weinig hygiëne) als via besmet water verlopen. Dat laatste is aangetoond bij sterrenkers. Van schelpdieren is bewezen dat ze door een nabijgelegen rioolstort besmet kunnen raken.
In de ontlasting kan Hepatitis A een maand actief overleven, evenals in melk die 30 minuten op 62.8°C gehouden is (lage pasteurisatie).

Enterovirussen kunnen vóókomen in groenten en fruit van velden die met rioolwater geïrrigeerd zijn. Andere bronnen van besmetting zijn bewerkingen na de oogst. Doorgaans ligt de D-waarde boven de 60°C in de seconden, boven de 50°C in de minuten. Hepatitis A is hierop een uitzondering, want hij is resistenter. 43

prionen
Prionen zijn hitte-resistente eiwitdeeltjes, afkomstig uit slachtafval. Waarschijnlijk zijn deze deeltjes gerelateerd aan de gekke koeienziekte (BSE) en mogelijk ook aan de ziekte van Creuzveld-Jacob.
Temperaturen zoals die optreden bij composteren hebben geen invloed op prionen. Het is nog niet bekend of ze op een andere manier aangetast worden.

In principe kan het gebruik van bloed- en beendermeel kans geven op besmetting van boer of tuinder en – via het product – van de consument. Waarschijnlijk is deze kans echter zeer klein.36

bewaren van drijfmest
Bij een proef met het overleven van bacteriën als E. coli O149 en Salmonella typhimurium bleek met name het beluchten een grote invloed te hebben: meer lucht geeft minder overleving. Het beluchten verhoogde de temperatuur tot een maximum van 35°C. Toch gaan de onderzoekers ervan uit dat het vooral de microbiële antagonistenwerking is, en niet direct warmte, die de pathogenen doodt.44
De variatie in de pH (in het bereik van 7.5 – 8.9) heeft vrijwel geen invloed op het overleven van pathogenen.

hygiënisch composteren
Belangrijke factoren bij het elimineren van ziektekiemen, en daarmee het verkleinen van het risico op besmetting, zijn onder meer temperatuur, watergehalte, pH, beluchting en hoelang de pathogeen aan de betreffende situatie is blootgesteld. Een speciaal punt van aandacht zijn de randen van de composthoop. Met de juiste machines kun je voor een zo goed mogelijke menging zorgen. Hierbij is van belang dat materiaal van de rand naar het midden verplaatst wordt.

wettelijke voorschriften
De wettelijke normen en voorschriften voor composteren hebben vooral betrekking op GFT-afval en zijn verschillend per land. Een voorbeeld is de (gematigde) US PSRP-norm: tenminste 5 dagen op tenminste 40°C, waarbinnen tenminste 4 uur op tenminste 55°C. In Oostenrijk is de norm tenminste 6 dagen op minimaal 60°C.37

water, zuurstof en pH
Normen vermelden het vaak niet expliciet, maar een watergehalte groter dan 40% is aan te raden. Wanneer mest of compost te droog is gaan sommige ziekteverwekkers over naar een rustvorm, bijvoorbeeld een cyste en kunnen dan veel langer overleven. Om diezelfde reden is ook een goede zuurstofvoorziening van belang. Liefst 10-15% zuurstof en zeker meer dan 7.5%. Het koolzuurgehalte moet lager dan 5% zijn. Bij een goede compostering zal aan al deze voorwaarden voldaan zijn.19

testorganismen
In plaats van naar de composteringsparameters te kijken kan de compost ook getest worden met testorganismen. Er kan bijvoorbeeld gekeken worden naar de mate waarin coli-achtigen (van zichzelf al ruimschoots aanwezig in de mest) of toegevoegd tomatenzaad het proces overleven. Het gebruik van deze indicatororganismen heeft als voordeel dat ze makkelijk aan te tonen zijn. Bezwaar is dat ze doorgaans niet exact hetzelfde overlevingsvermogen hebben als de ziekteverwekkers waarvoor ze een indicatie geven. Zo kan Salmonella overleven waar E. coli dat niet kan.37

na en naast het composteren
In de landbouwpraktijk kunnen een aantal eenvoudige maatregelen genomen worden om het risico op pathogenen voor de consument te verkleinen. Bijvoorbeeld: rij geen al te verse mest uit op een snel te oogsten groentegewas.

HACCP
Er is een wens aanwezig bij de overheid, en bij consumentenorganisaties om de voedselketen steeds beter te kunnen controleren. Vaak wordt bijvoorbeeld gesproken over het HACCP-systeem (HACCP = Hazard Analysis of Critical Control Points). Dit is een systematische beschouwing van de diverse stappen in het proces waar het voedsel doorheen gaat. Door op bepaalde punten (Critical Control Points) de juiste eisen te stellen, wordt het risico van problemen uitgesloten of geminimaliseerd.40 Hierbij wordt de landbouw gezien als eerste stap van een industrieel proces.
Voor kropsla en aardbeien bijvoorbeeld wordt als eerste kritische controlepunt aangegeven dat er goed opgelet moet worden voor besmetting via bemesting of via irrigatiewater. Bij aardbeien met een strolaag is het risico al kleiner omdat er minder bodemdeeltjes kunnen opspatten.40

Conclusie
Composteren is een mogelijkheid om ziektekiemen onschadelijk te maken. Van belang is wel dat de temperatuur gedurende enkele dagen 50°C of hoger is. Door omzetten van de composthoop moet al het materiaal deze temperatuur enige tijd bereiken.