Inhoud:

3 Overzicht mest- en compostsoorten
3.1 Dierlijke mestsoorten
3.2 Compost
3.3 Overig

3. Overzicht mest- en compostsoorten

inleiding
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de gehalten van de verschillende soorten dierlijke mest en compost. Een algemene toelichting per product treft u aan onder dielijke mest, compost en overig.

welke gehalten?
Standaard wordt gewerkt met gehalten totale stikstof (N-tot), minerale stikstof (N-min), fosfaat (P2O5) en kali (K2O). Het kan ook voorkomen dat mineralengehalten worden weergegeven in hun zuivere vorm: fosfor (P) en kalium (K). Het gebruik van verschillende aanduidingen kan voor verwarring zorgen. Voorkom rekenfouten door hier goed op te letten. In tabel 3.1 staat de omrekenfactor van de zuivere mineralen naar verbindingen en andersom. De standaardgehalten zijn weergegeven in kg per 1.000 kg product (1 ton).

omrekenfactor
Tabel 3.1. Omrekenfactoren voor fosfaat, fosfor, kali en kalium.
* 1 kg fosfor (P) staat wat mineralen betreft gelijk aan 2,29 kg fosfaat (P2O5),
* 1 kg fosfaat (P2O5) is gelijk aan 0,436 kg fosfor (P),
* 1 kg kalium (K) is gelijk aan 1,20 kg kali (K2O),
* 1 kg kali (K2O) is gelijk aan 0,83 kg kalium (K),

De samenstellingen van meststoffen worden vermeld als standaard (forfaitaire) getallen in de landbouw, aan de hand van publicaties: lit 4,5,6,7

werkelijke gehalten
Uit de praktijk blijkt dat de werkelijke gehalten van verschillende partijen van een bepaalde mest- of compostsoort sterk uiteen kunnen lopen. Het stikstofgehalte en de minerale stikstof in organische meststoffen kunnen binnen een mestsoort aanzienlijk verschillen. Tabellen 3.2 en 3.3 geven een indruk van de spreiding van het totale N-gehalte en het minerale N-gehalte in een drietal mestsoorten. Voor een precieze bemesting is het daarom aan te raden om niet te werken met gemiddelde gehalten, maar gemeten gehalten. Leveranciers van compostsoorten verstrekken werkelijke gehalten op de rekeningen. Voor MINAS-verfijnd (de aanvoer van fosfaat en stikstof op eigen bedrijf in een kalenderjaar in beeld gebracht) is bemonstering van aangevoerde mest een voorwaarde. Na langdurige opslag van met name vaste mest komen de gehalten niet meer overeen met de cijfers, zoals die bij levering zijn gemeten.

de mestsamenstelling
Wat kun je aan de mestsamenstelling aflezen? Het is nodig om de samenstelling van de mest te weten wanneer de aanvoer van mest beperkt is door de mestwetgeving of, bij biologische bedrijven, wanneer biologische meststoffen moeilijk verkrijgbaar zijn. Daarbij is het fosfaatgehalte bij gebruik van dierlijke mest en compost bepalend voor de hoeveelheid aan te voeren mest en compost. Bij deze beperking in fosfaat is het van belang om de stikstofvoorziening goed te sturen. De samenstelling van de mest kan dan worden gebruikt om de totale balans te berekenen tussen invoer van buiten het bedrijf (door middel van meststoffen) en de totale uitvoer (door middel van gewassen). Zie hoofdstuk 7.

De samenstelling maakt ook duidelijk wanneer een meststof gewasgericht kan worden ingezet. Dit is het geval wanneer een meststof voedingstoffen levert die direct beschikbaar zijn voor het gewas, bijvoorbeeld bij een hoog gehalte aan minerale stikstof (N-min).
De samenstelling laat vervolgens zien:
• wanneer een mestsoort niet direct plantenvoedende eigenschappen bezit (lage N-min)
• of de mest door zijn gehalten aan totale stikstof, fosfaat, kali en organische stof eigenschappen bezit die de humusvoorziening verbeteren, het bodemleven stimuleren en de voeding op de lange termijn verzorgen.

werking
De in de meststof voorkomende elementen zijn niet allemaal direct beschikbaar voor het gewas. Dit hangt namelijk af van de vorm waarin de elementen in de meststoffen voorkomen. Hieronder wordt ingegaan op de drie belangrijkste elementen. Meer over de plantenvoedende waarde van meststoffen is te vinden in hoofdstuk 5.

stikstofwerking
Hoeveel stikstof beschikbaar is voor de plant is afhankelijk van de wijze waarop de stikstof in de meststof vóórkomt. Er zijn twee fracties te onderscheiden: minerale stikstof (N-min) en organisch gebonden stikstof (N-org). De plant kan stikstof opnemen in nitraatvorm (NO3-) en in ammoniumvorm (NH4+). De meeste planten nemen stikstof in nitraatvorm op, ammonium wordt vaak in de bodem omgezet in nitraat. Ammonium kan gebonden worden aan grond- en humusdeeltjes, terwijl nitraat zeer beweeglijk is. Voor de berekening van de werking van de minerale stikstof kan er vanuit worden gegaan dat de fractie N-min gelijk is aan de fractie ammonium-stikstof (NH4-N). De werking van organisch geboden stikstof is veel trager. Een deel van deze stikstof is direct beschikbaar en een ander deel is na vertering in het eerste jaar beschikbaar. De ingebouwde stikstof in het moeilijk verteerbare deel van de meststof is in de volgende jaren beschikbaar voor het gewas.

De stikstofwerking van stalmest wordt beïnvloed door ouderdom van de mest, tijdstip en wijze van toediening.

fosfaatwerking
Fosfaat is gebonden aan vaste deeltjes in de mest en dus niet gevoelig voor uitspoeling. Bij eenjarige toediening van drijfmest op bouwland is de fosfaatwerking 60% bij rundveemest, 100% bij varkensmest en 70% bij kippenmest. Zie ook hoofdstuk 5.1.

kaliwerking
Kalium is in opgeloste vorm aanwezig in vloeibare meststoffen en is goed beschikbaar voor de plant. Hierdoor is kalium erg gevoelig voor uitspoeling, met name op zandgronden in het voor- en najaar.

gehalten en kwaliteit
Verschillende factoren beïnvloeden de samenstelling van dierlijke mest, zoals de diersoort, staltype, watergebruik, aard en hoeveelheid van het strooisel en eventuele andere toevoegingen. Tevens is de aard, samenstelling en kwaliteit van het veevoeder bepalend voor de kwaliteit en de mineraleninhoud van de mestsoort.

herkauwers
Dieren kunnen ingedeeld worden in twee groepen, met een erg verschillend voederrantsoen: herkauwers en niet-herkauwers. De herkauwers zoals koeien, schapen en geiten maken van relatief structuur- en celluloserijk voer, door middel van hun unieke verteringsproces in de pens, rijke en voor de plantengroei evenwichtige mest. De samenstelling en de onderlinge verhouding aan mineralen in de mest is verwant aan de gehalten aan mineralen in de meeste gewassen. Bij een eiwitrijk rantsoen zal er meer stikstof in de mest komen. De stikstofgehalten in de mest hebben te maken met de verhouding tussen eiwit en energie in het rantsoen. Als het rantsoen eiwitarm is (dus meer energierijk, zie ook verderop bij biologische drijfmest), dan zal het stikstoftotaal gehalte lager zijn en zal de stikstof meer in organisch gebonden vorm voorkomen. Hierdoor zal bij uitrijden of composteren het risico van verlies lager zijn.

niet-herkauwers
De niet-herkauwers als pluimvee en varkens maken van relatief rijk voer, dat hoofdzakelijk uit granen bestaat, mest die veel N, P en K bevat en voor de plantengroei een eenzijdige werking heeft. Immers per kg fosfaat is er meer kg stikstof beschikbaar dan bijvoorbeeld in rundveemest.

bodem
De bodemvruchtbaarheid is van invloed op de samenstelling van het ruwvoer, dat op zijn beurt de samenstelling van mest en urine beïnvloedt. Kaligehalten van mest en gier kunnen hoger zijn op kalkrijke gronden dan op kalkarme. Voor fosfaat geldt hetzelfde.

biologische drijfmest
Is biologische mest anders dan gangbare mest? De samenstelling van mest is mede afhankelijk van het rantsoen van het rundvee. In de biologische melkveehouderij ligt het aandeel krachtvoer lager dan in de gangbare melkveehouderij, want het biologische rantsoen bevat minder stikstof in de vorm van eiwit. Hierdoor is er in die melkveehouderij minder sprake van overschotten aan eiwit in het voer. Eiwitarm voeren resulteert op veel biologische bedrijven in een lager stikstofgehalte en dus een - als gunstig gewaardeerde - hogere C/N verhouding van de mest. Een goede waarde voor composteren ligt tussen de 20 en de 35. Zie hoofdstuk 4.2.

In tabel 3.4 is de samenstelling weergegeven voor biologische drijfmest en vaste mest en de vergelijking met het landelijk gemiddelde. Biologische rundveedrijfmest bevat per ton 3,8 kg N-totaal. Omgerekend naar 9% DS (droge stof) is dat 4,1 kg N-totaal. Het landelijk gemiddeld ligt hoger (4,9 kg N-tot). Dit geeft aan dat het gemiddelde rantsoen op biologische bedrijven minder stikstof in de vorm van eiwit bevat.

mestprijzen
De prijzen op de mestmarkt zijn in ontwikkeling en mede afhankelijk van het gebied in Nederland. Behalve naar de marktprijzen kan je ook kijken naar de ‘reële waarde’, maar hoe bepaal je die waarde van bijvoorbeeld vaste mest? Daarvoor kun je de kosten nemen die nodig zijn om deze mest te vervangen. In organische mest zitten onder meer stikstof, fosfaat, kali, sporenelementen en organische stof, die door een mestverkopende veehouder allemaal afgevoerd worden.

Voor vaste stalmestsoorten als runderpotstalmest en geitenpotstalmest wordt ongeveer € 5,50 per ton betaald. Dit bedrag dekt niet de kosten voor aankoop van het stro in de stal. Wanneer de veehouder alleen de kosten van het stro vergoed zou krijgen dan wordt de mestprijs als volgt berekend: 1 melkkoe heeft in een stalperiode van 180 dagen gemiddeld 10 kg stro per dag nodig. Dit is in totaal 1800 kg à € 70 per ton = € 126. Deze koe produceert ongeveer 10 ton mest in die periode. De prijs voor 1 ton mest wordt dan € 126:10 = € 12,60. In dit voorbeeld zijn alleen de kosten voor het stro meegenomen in de prijs van de mest. In de praktijk zijn er vele andere factoren die de prijs beïnvloeden. De prijs voor het transport is de grootste kostenpost. Door de mestwetgeving is het voor veehouders vaak verplicht om de mest af te laten voeren met geld toe.

Dat geldt ook voor de prijs van compost. Professionele composteerbedrijven krijgen bij inname geld om de afvalstoffen te verwerken. De prijs van de compost wordt dan vaak bepaald door de kosten voor het transport of door de schaarste van het product. De variatie in prijs is daardoor groot: van € 3 tot € 16 per ton voor GFT- en groencompostsoorten. Naast deze producten van de grote composteerbedrijven is er ook aanbod van gespecialiseerde composteerbedrijven die op verzoek van de klant producten maken, die voor de kasteelt, champignonteelt of andere specifieke doeleinden geschikt zijn. De prijs van deze producten is dan aanzienlijk hoger en kan variëren tussen € 25 en € 50 per ton.

afkortingen
Betekenis van de gebruikte afkortingen in dit hoofdstuk:

C/N koolstof : stikstof verhouding (gebaseerd op 56% C in OS)
OS organische stof
DS droge stof
P2O5 fosfaat
K2O kali
MgO magnesia
Na2O natron
N-min minerale stikstof
N-tot totale stikstof

Tabel 3.5 Samenstelling van meststoffen in kg per 1000 kg product

Mestsoort ds os N-tot Nmin P2O5 K2O MgO Na2O S sg eff os
Vaste mest
Rundvee 194 152 5,3 0,9 2,8 6,1 2,2 1,0 0,2 0,9 84
Varkens 260 153 7,9 2,6 7,9 8,5 2,5 0,9 0,6 0,8 80
Leghennen band  573  416 25,6 2,5 19,6 15,5 5,5 1,7 2,5 0,6
Leghen droog  810  427  34,1  3,9  27,8  20,1 5,9  2,3 -  - 232
Kip strooisel  713  359  28,0  3,6  25,6  20,8 7,5  3,4  3,6  0,6 188
 Vleeskuikens  626  419  32,1  8,0  16,8  20,5  7,1  3,0  3,6  0,6  231
 Kalkoen  520  427  23,2  6,0  19,7  13,4  5,8  6,7  3,8  0,5  213
 Eend  275  237  8,9  1,6  7,3  8,4  3,4  1,3  2,0  0,9
 Konijn  408  332  9,4  2,3  6,7  10,7  5,2  2,0  3,0  0,6  219
 Paard  287  160  4,6  0,5  2,7  8,1  1,8  1,6  2,0  0,7  81
 Schaap  290  206  8,6  2,0  4,2  16,0  2,8  2,3  1,9  0,7 104
 Nerts  452  293  28,3  16,1  26,9  5,4  3,5  8,1  5,9 - 147
 Geit  291  174  9,9  2,4  5,3  12,8  4,0  1,9  2,0  0,9  87
 Champost  336  211  7,6  0,4  4,5  10,0  2,3  0,9  5,5  0,5  93
 GFT-compost  696  242  12,8  1,2  6,3  11,3  4,8  -  -  0,8  205
 Groencompost  599  179  5,0  0,5  2,2  4,2  1,8  -  -  0,8  -
 Dunne mest
 Rundvee  85  64  4,1 2,0  1,5  5,8  1,2  0.7  0,7  1,01  -
 Rose kalveren  94  71  5,6  3,0  2,6  5,0  1,6  1,2  -  -  -
 Witvlees kalveren  22  17  2,6  2,1  1,1  4,5  1,7  1,6  0,2  1,00  -
 Vleesvarkens  94  43  7,1  4,6  4,6  5,8  1,5  1,2  0,6  1,04  -
 Zeugen  67  25  5,0  3,3  3,5  4,9  1,4  0,9  0,4  1,00  -
 Kippen  145  93  10,2  5,8  7,8  6,4  2,2  0,9  0,9  1,02  -
 Rundveegier  25  10  4,0  3,8  0,2  8,0  0,2  1,0  0,8  1,03  -
 Varkensgier  5  5  6,5  6,1  0,9  4,5  0,2  1,0  0,7  1,01  -
 Zeugengier  10  10  2,0  1,9  0,9  2,5 0,2  0,2  0,2  1,02  -
 Concentraat varken  37  14  8,2  7,5  0,4  9,7  -  -  -  -  -
 Rundvee dun fr 60%  43 32  3,2  2,1  0,8  6,1  -  -  -  -  -
 Rundvee dun fr 30%  66  50  3,7  2,0  1,2  5,9  -  -  -  -  -
 Rundvee dik fr 30-60  250 188  7,8  1,6  4,4  4,8  -  -  -  -  -
Mestvark dun 60% 48  22  6,1  4,8  2,4  6,1  -  -  -  -  -
Mestvark dun 30% 73  34  6,7  4,7  3,6  5,9  -  -  -  -  -
Mestvark dik 30-60% 250 116 10,5  3,8 12,4  4,8  -  -  -  -  -
 Rundvee digest 25%  69  48  4,1  2,6  1,5  5,8  -  -  -  -  -
 Rundvee digest 50%  53  32  4,1  3,1  1,5  5,8  -  -  -  -  -
 Mestvark digest 25%  82  32  7,1  5,2  4,6  5,8  -  -  -  -  -
 Mestvark digest 50%  72  22  7,1  5,9  4,6  5,8  -  -  -  -  -

Bron lit 5, Schroder e.a. 2009

 

 

 

 

3.1 Dierlijke mestsoorten


3.1.1 Eendenmest
Nederland telt ongeveer 870.000 eenden, die worden gehouden in loopstallen met koppels van 200 tot 300 stuks. In de eerste week worden 15 tot 20 dieren per m² gehouden en na 7 weken, wanneer ze slachtrijp zijn, 5 dieren per m². In deze bio-industrie is het welzijn van de eenden niet optimaal. Zo worden de snavels gebrand om het verenpikken tegen te gaan.
De stallen bestaan ten dele uit een roostervloer en ten dele uit een ingestrooide loopruimte. Zaagsel of houtmot als strooisel zorgt voor koolstofverbindingen die moeilijker verteerbaar zijn dan stro. De kwaliteit van de stikstofrijke mest hangt af van de aard van het strooisel.
toepassing
Verse eendenmest kan bij het zaaien van een groenbemester oppervlakkig worden ingewerkt. Voor andere toepassingen is een halfverteerde of een gecomposteerde vorm aan te raden. In deze vorm kan eendenmest een bijdrage leveren aan de structuur van de bodem en aan de voeding van de planten.
composteermogelijkheden
De structuur van de mest is afhankelijk van de hoeveelheid en het soort strooisel. Bij voldoende structuur is compostering mogelijk zonder bijmenging. Wanneer de structuur te gering is zal een structuurhoudend materiaal, bijvoorbeeld stro, bijgemengd moeten worden.


3.1.2 Geitenmest
Geitenmest is meestal iets stikstofrijker dan rundermest. Bij hoge krachtvoergiften kan het ammoniakgehalte sterk toenemen. Ammoniak kan makkelijk verdwijnen bij het uitmesten, omzetten of uitrijden. Omdat de geiten worden gehouden in ingestrooide loopstallen is de mest strorijk en wordt hij als droog ervaren. Alleen in de biologische landbouw is er een verplichte weidegang. Welk effect weidegang heeft op de samenstelling van geitenmest is onbekend. Een mogelijkheid is dat het N-tot gehalte in de mest hoger is door het eiwitrijker rantsoen bij weidegang. Dit kan niet onderbouwd worden met onderzoek en praktijkervaring.
toepassing
Verse geitenmest is goed voor de plantenvoeding, de stimulering van het bodemleven en de humusopbouw. Bij het toedienen van verse mest is een oppervlakkige grondbewerking nodig om stikstofverliezen te beperken. Inzet van verse mest kan eenzijdige ontwikkeling van micro-organismen stimuleren waardoor de ziektedruk voor de cultuurgewassen kan toenemen. Daarom heeft het de voorkeur om de verse mest alleen toe te passen bij inzaai van groenbemesters.
Bij toedienen in het voorjaar, op lichte gronden, is een halfverteerde of geheel gecomposteerde geitenmest mogelijk. Tijdens de vertering gaat een groot deel (20 tot 60%) van de stikstof verloren. De overblijvende stikstof is overwegend organisch gebonden. Verteerde geitenmest levert daardoor een hogere bijdrage aan de lange termijn bemesting, het onderhoud van het organische stofgehalte en het bodemleven.
composteermogelijkheden
De structuur van geitenmest is vaak voldoende om bij een geringe storthoogte (ongeveer 1,5 meter) voldoende zuurstof aan te trekken voor de vertering. Omzetten hoeft niet zo vaak, bijvoorbeeld 2 à 3 keer en is afhankelijk van de voortgang van het composteringsproces. Het bijmenging met structuur- en koolstofrijke producten verbetert de compostering en vergroot de mogelijkheid om stikstof organisch te binden.
Zie voor verder informatie over het composteren van geitenmest het kader 'Gerbrandastate' .


3.1.3 Kalkoenenmest
In Nederland leven ongeveer 1,5 miljoen kalkoenen, die gehouden worden voor het vlees. Fokken heeft ervoor gezorgd dat ze binnen 4 maanden slachtrijp zijn. Het dierenwelzijn is in veel gevallen verre van optimaal. Kalkoenenbedrijven vallen onder de intensieve veehouderijen: de dieren leven in grote groepen (3 tot 6 per m²) in loopstallen die worden ingestrooid met zaagsel, houtmot of stro. De samenstelling van de stikstof- en fosfaatrijke mest is afhankelijk van het gebruikte strooisel.
toepassing
In verse vorm is deze mest alleen bij geringe dosering zonder gevaar te gebruiken. De hoge gehalten aan mineralen en de scherpe werking kunnen leiden tot verbranding van wortels of eenzijdige bemesting van de bodem. Dit kan zich uiten in te sterke groei waardoor gewassen relatief gevoeliger worden voor ziekten. Bij geringe dosering kan deze mest wel als een goede plantenvoedende bijbemesting gebruikt worden, toe te dienen vlak vóór of in het groeiende gewas.
composteringsmogelijkheden
Verse mest, direct uit de stal, is moeilijk te composteren. Bijmenging met structuurhoudende materialen is noodzakelijk om voldoende transport van zuurstof door de hoop mogelijk te maken. Door structuurhoudende en koolstofrijke producten bij te mengen wordt de C/N verhouding* gunstig beïnvloed en het composteren mogelijk gemaakt. De scherpe werking verdwijnt en het grootste gedeelte van de stikstof wordt organisch gebonden. Voor de bodem en plantengroei ontstaat dan een evenwichtiger meststof.
* Een C/N verhouding van 12 wordt als ideaal gezien.


3.1.4. Kippenmest
Er zijn in Nederland 104 miljoen kippen. Hiervan is 60% voor het vlees en 40% voor de eieren. De huisvesting is verschillend wat betreft hoeveelheid en type strooisel en dat beïnvloedt de aard van de mest. Van de Nederlandse kippen loopt momenteel 20% rond in scharrel- of biologische bedrijven, waar ze beschikken over een gestrooide scharrelruimte.
De mest bestaat uit strooisel van uiteenlopende hoeveelheid en samenstelling, waarin alle uitwerpselen van de kippen of een deel daarvan worden opgevangen. Het strooisel (stro, houtvezel, turfmolm) is meestal arm aan minerale bestanddelen.
Strooiselmest van leghennen heeft een hoog aandeel minerale stikstof en een relatief hoge mineralisatie van de organisch gebonden stikstof. Daarom laat deze meststof de stikstof snel beschikbaar komen voor het gewas. De stikstofwerkingscoëfficiënt (zie hoofdstuk 7) is 40-65% in het 1e jaar bij gebruik op bouwland in het voorjaar en 25-35% in het najaar. Verder is de mest erg fosfaatrijk, heeft hij een basische werking en draagt hij weinig bij aan de effectieve organische stof. Omdat meestal met kleine doseringen wordt gewerkt is zijn lange termijn werking op de organische stof minimaal.
toepassing
Bij toediening moet er op gelet worden dat de hoeveelheid mineralen in kippenmest beduidend hoger zijn dan in runder- of varkensmest. Met relatief weinig volume wordt veel werkzame stikstof aangevoerd. Dit is een voordeel bij voorjaarstoediening op zwaardere grond en bij gewasgerichte bemesting in bijvoorbeeld een gevestigd tarwegewas of sluitkoolteelt. Door het hoge gehalte aan ammoniak is deze mest erg gevoelig voor uitspoeling en daarom is het aan te raden om een relatief korte tijd tussen strooien en zaaien/planten te nemen. Per kg aangevoerde stikstof wordt relatief veel fosfaat aangevoerd. De MINAS-wetgeving en het streven naar evenwichtsbemesting maken deze mestsoort minder aantrekkelijk.
composteermogelijkheden
Vers uit de stal kan deze mest slecht composteren. Bijmenging met structuurhoudende materialen is nodig om voldoende transport van zuurstof door de hoop mogelijk te maken. Met structuurhoudende en koolstofrijke bijmenging verandert de samenstelling van het product. De scherpe werking verdwijnt en het grootste gedeelte van de stikstof wordt organisch gebonden. Voor de bodem en plantengroei ontstaat dan een evenwichtiger meststof.
Droge vaste mest van leghennen
Droge vaste mest van leghennen is min of meer verteerde en ingedroogde mest van kippen, die is opgevangen op de mestplanken of in mestbakken. Het bevat geen strooisel en is de grondstof voor de in de handel verkrijgbare gedroogde kippenmest. Deze mest is met name geschikt voor de intensieve landbouw, bijvoorbeeld in de kasteelt.
Vaste mest van vleeskuiken
Vleeskuikens worden in groten getale gehouden. De minimale leeftijd bij de slacht is 5-6 weken en bij biologische vleeskuikens 81 dagen. Houtkrullen worden in zeer kleine hoeveelheden als strooisel gebruikt.


Kippendrijfmest
toepassing
Deze meststof is stikstofrijk en geeft bij een hoge dosering snelgroeiende gewassen, resulterend in een hogere gevoeligheid voor ziekten. Alleen toepassen bij groenbemesters of in lage dosering als gewasgerichte bijbemesting. Dit kan bij tarwe in het voorjaar of vóór het planten van koolgewassen. De stikstofwerkingscoëfficiënt bij voorjaarstoediening is 60%.
composteringsmogelijkheden
Composteren van kippendrijfmest is mogelijk door menging met structuurhoudende en vochtopnemende materialen. Het aanvoeren, mengen en regelmatig omzetten vraagt veel arbeid, goede voorzieningen (zoals ruimte, verdichte laag etc) en machines die de nodige handelingen kunnen verrichten (zie hoofdstuk 4.2). Door menging met structuurhoudende en koolstofrijke materialen als stro, houtvezels, bermgras of groencompost, ontwikkelt de stikstofrijke drijfmest zich van een plantenvoedende meststof tot een meer bodemverbeterende meststof.


3.1.5 Konijnenmest
In Nederland worden jaarlijks ongeveer 4,5 miljoen konijnen geslacht. De helft hiervan is afkomstig van commerciële bedrijven. De dieren worden op een vrij intensieve manier gehouden, te vergelijken met de legbatterijkippen. Ze zitten met groepen van 6 tot 7 in een draadgazen kooi van 50 cm x 40 cm x 30 cm. Het zal duidelijk zijn dat het welzijn van de konijnen verre van optimaal is.
De mest is droog en zeer geconcentreerd. Met name het gehalte aan organische stikstof is vrij hoog, waardoor deze mest een langzame werking heeft. Door het hoge gehalte aan organisch materiaal heeft deze basisch werkende mest een goed absorberend vermogen.
toepassing
De totale mestproductie uit de commerciële sector, 25.000 ton ruwe mest per jaar, wordt ruw verhandeld of geperst. Ruwe konijnenmest wordt vooral afgezet in de boom- en aardbeienteelt en voor een klein deel in de akkerbouw. Geperste (droge) konijnenmest is reukloos en hierdoor interessant voor de particuliere tuinsector.
composteringsmogelijkheden
Deze mest kan goed gecomposteerd worden onder bijmenging van structuurrijk materiaal, om de beluchting optimaal te krijgen.


3.1.6 Paardenmest
Paarden worden gehouden op veel stro en de stallen worden regelmatig uitgemest. Hierdoor ontstaat een zeer strorijke mestsoort.
toepassing
Verse paardenmest werd vroeger toegepast bij de komkommerteelt. Paardenmest is geliefd als hoofdbestanddeel van het medium waarop champignons worden geteeld. Voor de champignonteelt is paardenmest een gewild product. Door het hoge strogehalte is verse paardenmest niet aantrekkelijk. In de land- en tuinbouw is alleen de oude of gecomposteerde paardenmest geschikt als verbeteraar van de bodemstructuur en stimulering van het bodemleven. In het najaar bij inzaai van een groenbemester kan deze half of geheel vercomposteerde mest worden uitgereden. Op grasland kan dat na de eerste snede.
composteringsmogelijkheden

Paardenmest is een ideaal product om te composteren. Wel kan er door het hoge strogehalte een te hoge temperatuur ontstaan. Bijmenging met een stikstofrijke meststof als kippenmest kan de compost rijker maken en de kippenmest opwaarderen tot een evenwichtige meststof. Als de paardenmest erg droog is kan de compostering worden verbeterd door er drijfmest bij te mengen.

Rundvee gier

Gier komt voor bij staltypes waar naast de vaste mest de urine apart wordt opgevangen. Dit komt vrijwel alleen voor bij ingestrooide grupstallen met een aparte giergoot en kelder.
Gier is vooral een meststof voor stikstof en kali, die volledig in water is opgelost. Daarom werkt het op zeer korte termijn. De bijdrage aan de organische stofvoorziening is minimaal. Gier is licht pH verhogend.
toepassing
Vanwege de grote kans op uitspoeling moet de gier in het voorjaar enkele weken vóór het zaaien of planten van het gewas worden toegediend. Gier kan zowel op gras- als op bouwland gebruikt worden. Op grasland is gier alleen op zijn plaats als die percelen tenminste een of twee maal per jaar gemaaid worden en op plekken waar de kalibehoefte varieert van 100-220 kg per ha. Op bouwland moet men bij de teelt van aardappelen oppassen want teveel kali zorgt voor een lager zetmeelgehalte van de knollen, met een slechtere smaak als resultaat. In tarwe kan gier als overbemesting worden gebruikt en wel in de nazomer vóór de inzaai van de groenbemester. De stikstof komt namelijk voor ongeveer 90% in de vorm van ammoniak voor. Fosfor wordt in de feces uitgescheiden en komt dus in de urine nauwelijks voor. Daarom moet men naast de bemesting met gier in het algemeen een aanvullende fosfaatbemesting geven.
composteermogelijkheden
Gier is voor het composteren ideaal om droge mestsoorten als paardenmest natter te maken. Structuur- en koolstofrijke plantaardige compostsoorten kunnen door gier met mineralen worden verrijkt.


Rundvee drijfmest
 

Drijfmest komt in Nederland het meeste voor. Dat heeft te maken met de ontwikkeling van de ligboxenstal. Hoewel dit staltype voor de koe niet altijd ideaal is - te weinig bewegingsruimte en gedwongen onthoornen - betekent het voor de boer een flinke arbeidsbesparing in het voederen, melken en verwerken van de mest. Drijfmest wordt ook wel in de volksmond dunne mest genoemd.
Een voordeel van drijfmest is de geringe verliezen tijdens de bewaring. Een ander groot voordeel van een vloeibare meststof is dat het gemakkelijk, regelmatig en nauwkeurig op de juiste plaats toe te dienen is. Dit is zeer gewenst om een regelmatig gewas te krijgen. De manier van mest verspreiden heeft ook invloed op de variatie in de stand het gewas. Zie hoofdstuk 7.4.
Stikstof uit drijfmest komt snel beschikbaar, maar deze positieve eigenschap heeft een keerzijde. Drijfmest levert namelijk een geringe bijdrage aan de beschikbaarheid van stikstof, organische stof en het bodemleven op lange termijn. De stikstofdynamiek bij de teelt is heel anders dan bij gebruik van vaste mest. Drijfmest betekent veel minerale stikstof bij aanvang van de teelt en relatief weinig nalevering door mineralisatie van organisch gebonden stikstof. Bij vaste mest is dat anders: vaste mest geeft weinig minerale N bij aanvang en relatief veel N-nalevering, ook gedurende meerdere jaren. In het algemeen hebben vaste mesten bij najaarstoediening een wat grotere werkzaamheid en geringere verliezen dan drijfmest. Bij voorjaarstoediening is het omgekeerde het geval. Drijfmest die in het najaar is uitgereden kan net zo goed werken als vaste mest, maar dan moet je hem wel combineren met een groenbemester. Bij vaste mest is een relatief groot deel van de N in organische vorm aanwezig is. Bij een jarenlang vaste mest gift wordt een gesommeerde nawerking merkbaar.
Drijfmest is een meststof die veel stikstof bevat en weinig koolstof. De stikstof is grotendeels in minerale vorm aanwezig (40% ammoniumstikstof). De eerstejaarswerking is hoog bij toediening in het voorjaar. De stikstofwerkingscoëfficiënt in het voorjaar op bouwland is ongeveer 50% en op grasland ongeveer 35%. Drijfmest geeft een vlotte begingroei. Toediening in het najaar kan met name verlies door uitspoeling van de minerale fractie betekenen. Zonder inwerken in de bodem zal een groot deel van de minerale fractie vervluchtigen. Drijfmest bevat relatief veel werkzame N op korte termijn ten opzichte van de fosfaatinhoud. De werkingscoëfficiënt van kalium is 100%. De bijdrage aan de organische stofvoorziening is klein. Regelmatig werken met drijfmest onderdrukt de veelzijdigheid van het bodemleven en verlaagt de ziektewerendheid van de bodem, vergeleken met het gebruik van verteerde vaste stalmest. De kwaliteit van de drijfmest kan sterk variëren en daarmee de invloed op het bodemleven. Ammoniakrijke drijfmest die diep geïnjecteerd wordt heeft een minder gunstige werking op het microleven en de wormen in de bodem dan drijfmest van dieren die schraler worden gevoerd. Deze mest bevat minder stikstof en heeft een hogere C/N verhouding. Bij regelmatig gebruik van drijfmest zijn er weinig regenwormen in de bodem. Drijfmest kan giftig zijn voor wormen die leven in de bovenste centimeter van de bodem. Verder is drijfmest licht pH-verlagend.
toepassing
Drijfmest is geschikt om planten mee te voeden. Daartoe wordt het toegepast in het voorjaar, enkele weken vóór het zaaien of planten van het gewas. In aardappelruggen gebeurt dat vóór het frezen, in tarwe als overbemesting. Het is verplicht om drijfmest op een emissie-arme wijze toe te dienen. Op grasland (gras/klaver) heeft drijfmest als voordeel dat toediening in het voorjaar resulteert in een vlotte begingroei en een vrij hoog eiwitgehalte in het voer. Later in het jaar kan na iedere snede of beweiding drijfmest worden ingezet mits er voldoende vocht is of regen gaat vallen.
Bij toepassing in de nazomer vóór een groenbemester moet de dosering aangepast zijn aan de te verwachten N-opname door de groenbemester, zodat bij het begin van de winter de N-min laag is. Die bedraagt maximaal 120 kg bij zaai vóór half augustus en bij een zeer goede groei. Verder moet rekening worden gehouden met N-min bij inzaai van de groenbemester, met N-vastlegging bij het onderwerken van stro (10 kg/ha) en met N-levering van de grond en de gewasrest in het najaar. Zie hoofdstuk 7.1 hoe afstemming kan plaatsvinden.
De meststof moet niet toegediend worden als pas veel later de opname door het gewas plaats gaat vinden. Om ammoniakverliezen te beperken dient de mest altijd in enigerlei vorm ingewerkt te worden. Dit is overigens verplicht. Bij toepassing op zwaardere grond onder te natte omstandigheden ontstaat er soms schade door bederf van de bodemstructuur, waardoor de N-benutting van de gewassen daalt. Door nieuwe, emissie-arme technieken (zoals de sleepslangtechniek) is geen zware apparatuur meer nodig.
composteermogelijkheden
Een zeer geschikte composteringsmethode op het bedrijf is het toevoegen van organisch materiaal aan de drijfmest. Dat kan onder meer hooi zijn uit natuurweiden, bermafval of stro. Door het toevoegen van het organisch materiaal wordt de waarde van drijfmest verhoogd. Om van drijfmest vaste mest en vervolgens compost te maken is veel koolstofrijk en structuurhoudend materiaal nodig, evenals veel arbeid en voorzieningen.
Verder zijn er diverse composteringstechnieken voor drijfmest op grotere schaal: drogen en composteren, mestzuivering (ammonium-stikstof wordt omgezet in nitraat), scheiden in dunne fractie en (uiteindelijk) compost, mest ontwatering en indampen.


3.1.8 Schapenmest

Schapen worden tijdens de lammerperiode in het voorjaar op stro in loopstallen gehouden. De mest is droog en strorijk. Schapenmest is meestal stikstofrijker dan rundermest.
toepassing
Door het hoge gehalte aan stro is deze mest in verse vorm alleen in de herfst bij inzaai van een groenbemester oppervlakkig in de bodem in te werken. De vrije stikstof kan door de groenbemester worden benut en de rest verteert in de bodem. Beter is het om deze mest eerst gedeeltelijk of geheel te laten verteren en dan te gebruiken als meststof. Verteerde schapenmest is, zoals de meeste vaste meststoffen, geschikt voor de bemesting op de lange termijn.
composteermogelijkheden
Schapenmest is uitstekend geschikt voor compostering. De hopen kunnen erg warm worden waardoor verdroging kan optreden. Om de stikstof meer organisch te binden is bijmenging met koolstofhoudende producten wenselijk.


3.1.9 Varkensmest

Drijfmest

Drijfmest van vleesvarkens komt van stallen waarbij de varkens op roosters worden gehouden, met een vloeroppervlak per varken van 1 m². Vanaf 2002 mogen varkens niet meer gehouden worden op uitsluitend roostervloeren. De biologische varkenshouderij maakt meer gebruik van gestrooide loopstallen en beschikt daardoor over niet of heel weinig drijfmest.
Varkensdrijfmest staat bekend als een minder goede leverancier van organische stof, maar het heeft wel een hoog stikstofleverend vermogen. Het stikstofwerkingscoëfficiënt is 40-65% in het 1e jaar bij gebruik op bouwland in het voorjaar. In het najaar is dat 25-35%.
Op kleigronden wordt er in de praktijk wel eens geklaagd over het negatieve effect van varkensdrijfmest op de structuur van de grond. Varkensdrijfmest heeft ten opzichte van runderdrijfmest een veel lagere C/N verhouding en levert geen bijdrage aan de structuurverbetering van de grond.
toepassing
Als verse mest is deze alleen te gebruiken voor de directe voeding van de plant. Voorjaarstoediening op grasland, in tarwe of vóór kool en preiteelt is mogelijk.
composteringsmogelijkheden
Er zijn veel experimenten gedaan om van drijfmest van vleesvarkens een goede meststof te maken. Wanneer de mest eerst wordt gescheiden in een dunne en een dikke fractie, zal het composteren alleen dan goed verlopen als er nog veel koolstofrijk en structuurhoudend materiaal aan toegevoegd wordt. Op varkenshouderijbedrijven vindt bijna geen compostering van varkensdrijfmest plaats, omdat het vrij veel arbeid en investeringen kost.

Vaste varkensmest

De dieren verblijven in loopstallen met gestrooide ligruimte of gestrooide lig- en loopruimte, waarin ze hun diereigen gedrag beter kunnen uitleven.
Vaste varkensmest kan zeer divers van samenstelling zijn. De hoeveelheid stro, de plaats waar de dieren mesten en het voer dat ze krijgen kan verschillend zijn.
Wanneer er voldoende strooisel is gebruikt kan de mest van goede kwaliteit zijn met een hoog gehalte aan stikstof. Helaas is het fosfaatgehalte ook hoog en het gevolg daarvan kan zijn dat bij het bemesten met alleen vaste varkensmest, te weinig stikstof wordt aangevoerd bij de fosfaat aanvoernorm zoals die geldt volgens MINAS (85 kg per hectare voor gras- en bouwland). Dit geldt vanaf 2002.
toepassing
Vaste varkensstalmest is vers goed te gebruiken bij inzaai van een groenbemester. Deze dient dan oppervlakkig ingewerkt te worden om de vertering in de bodem optimaal te laten verlopen. Beter is het om deze mest eerst te laten verteren of composteren. Najaarstoepassing is wenselijk voor de lange termijn bemesting en het activeren van het bodemleven.
composteringsmogelijkheden
Het hangt van de hoeveelheid en aard van het strooisel af of de mest voldoende structuur heeft om de benodigde zuurstof voor de compostering in de hoop toe te laten. Compostering zal de mestkwalitatief verbeteren doordat de stikstof meer organisch gebonden wordt. Tevens zal het microleven diverser zijn. Gecomposteerde varkensmest bevat veel structuurleverende humus. Deze verhoogt het organische stofgehalte en vermindert indirect de uitspoeling omdat de absorptie van mineralen groter is. Tevens heeft varkenscompost een basisch effect op de bodem.


Zeugendrijfmest

De gehalten aan mineralen van zeugenmest zijn altijd lager dan van vleesvarkensmest omdat deze dieren niet hoeven te groeien. Ze hebben daarom alleen onderhoudsvoer nodig, dat armer is dan het vleesvarkensvoer. De mest stinkt ook minder en is minder belast met stoffen als koper en antibiotica.
toepassing
Zeugendrijfmest is geschikt voor directe plantenvoeding en kan op grasland in tarwe of vóór het zaaien van gewassen worden gebruikt.
composteringsmogelijkheden
Zie bij andere drijfmestsoorten.


Zeugengier

Per 1 kg P2O5 is 2,22 kg stikstof aanwezig
Zeugengier heeft lage gehalten aan mineralen. De hoeveelheid stikstof ten opzichte van fosfaat is gunstig wat betreft de fosfaat aanvoernorm volgens MINAS.
toepassing
Goed te gebruiken als aanvullende stikstofmeststof in of direct vóór het te telen gewas.

 

3.2 Compost

3.2.1 Compostsoorten

In dit hoofdstuk worden eerst de compostsoorten in het algemeen beschreven gevolgd door een kort overzicht van verschillende compostsoorten met de specifieke eigenschappen en de toepassingsmogelijkheden.
twee groepen Er worden een groot aantal compostsoorten op de markt aangeboden. Grofweg zijn deze in twee groepen te verdelen:
1. de groencompostsoorten, zoals groencompost, bermcompost, structuurcompost, natuurcompost, humusaarde, boomschorscompost en heidecompost. Groencompost wordt gemaakt van groenafval. Wanneer in de zomer de bermen worden gemaaid, zal de compost rijker aan mineralen zijn dan de compost die in de winter wordt gemaakt van hoofdzakelijk snoeihout.
2. de GFT-compost. Van deze groep heeft ieder composteerbedrijf zijn eigen product met zijn eigen naam. Het uitgangsmateriaal is ingezamelde GFT (groente, fruit en tuin) afval en dit verandert van samenstelling door het jaar heen. Per regio zijn er ook verschillen. Composteerbedrijven maken speciale producten voor speciale doeleinden zoals champost, voedingscompost en mengsels van plantaardig afval en dierlijke mest.
Door het geconditioneerde composteringsproces kunnen de meeste composteerbedrijven garanderen dat hun compostsoorten vrij zijn van ziektekiemen en onkruidzaden.
kenmerken De variatie in kwaliteit en samenstelling van het eindproduct is zeer groot. Dit heeft te maken met de verschillen in uitgangsmateriaal, de composteermethode en de composteerduur. De grote composteerbedrijven streven naar een stabiel product, waarin weinig of geen omzetting meer plaatsvindt. Deze compostsoorten zullen direct een kleine bijdrage aan het bodemleven geven, omdat de organische stof al goeddeels gestabiliseerd is. Indirect bevorderen deze compostsoorten de organische stofvoorziening, de structuur en het watervasthoudend vermogen van de bodem. Dat is gunstig voor het ontwikkelen van het bodemleven. Om dit bodemleven actief te laten groeien is ook een regelmatige aanvoer van verse organische stof nodig. De stikstof in compost is vrijwel helemaal in organische vorm aanwezig. De stikstofwerking is dan ook in het eerste jaar laag en niet afhankelijk van het moment van toediening. Als directe plantenvoeding zijn deze compostsoorten te arm aan beschikbare stikstof. De producten zijn koolstofrijk en kunnen een bijdrage leveren aan het organische stofgehalte van de grond, bijvoorbeeld in situaties waarbij koolstofvoorziening matig is. Ze kunnen op ieder moment van het jaar toegediend worden, maar bij voorkeur niet in het najaar vóór ploegen op zwaardere grond, vanwege uitspoeling van de weinige minerale stikstof. Als dat toch gebeurt, dan moet de compost vóór het inwerken met grond worden gemengd en niet te diep weggelegd om 'inkuilen' te voorkómen. Bij het onderwerken van een klavergroenbemester kan door het toedienen van groencompost vóór het onderwerken, de C/N verhouding gunstig worden beïnvloed. Zo kan een evenwichtiger verteringsproces ontstaan waarbij de stikstof, die vrijkomt uit de vertering van de klaver, meer organisch gebonden kan worden. Intensief werkende bedrijven gebruiken voor de plantenvoeding vaak kippenmest of drijfmest, waarin de beschikbaarheid van stikstof hoog is. In deze bedrijven zijn er vaak weinig gewasresten om het organische stofgehalte op peil te houden. Dan is het zinvol om regelmatig groencompostsoorten toe te dienen, die ook de structuur en het vochtvasthoudend vermogen van de bodem gunstig beïnvloeden.
Hieronder vindt u in het kort een indicatie van de eigenschappen van de bekendste compostsoorten (op alfabetische volgorde)


3.2.2 Boomschorscompost

Deze compost is gemaakt van boomschorsafval. Kenmerkend is de structuurverbeterende werking, omdat de compost een hoge organische stofgehalte bezit en een hoge C/N verhouding.

toepassing
Deze structuurverbeteraar wordt met name gebruikt in potplantenmengsels en in de boomteelt en glas-sierteelt. Boomschorscompost heeft een verzurende werking op de bodem. Schorscompost van naaldhout heeft een ziektewerende werking. Meer informatie hierover is te vinden in hoofdstuk 5.4.


3.2.3 Champost

Dit is een restproduct uit de champignonteelt. De grondstoffen bestaan uit stro, paardenmest, kippenmest en gips, veen en schuimaarde. De stikstofwerkingscoëfficiënt is 35-45% in het 1e jaar bij gebruik op bouwland in het voorjaar en 25-35% in het najaar. Champost heeft een sterk pH verhogende werking. Tevens heeft deze compost een goede bodemverbeterende werking door het hoge organische stofgehalte.
toepassing
Deze compost heeft hoge gehalten aan N, P en K en kan als meststof goed worden ingezet in zowel de akkerbouw als fruit-, boom-, bloembollen- en groeteteelt. Het product is geschikt voor de teelt van granen, aardappelen, suikerbieten, uiten, kool, peulvruchten, bladgewassen en wortel-, knol- en stengelgewassen. Champost heeft een sterk bodem verbeterende werking. Het uiterlijk kenmerk is donkerbruine mulch. Het is te verkrijgen via de CNC (Coöperatie Nederlandse Champignonkwekersvereniging te Gennep. Toediening kan via een stalmest strooier.


3.2.4 GFT-compost

In Nederland wordt op ongeveer 25 plaatsen GFT-afval verwerkt, meestal in luchtdichte ruimtes. Het gaat om GFT-afval uit de groenbak, die meestal zonder extra toevoegingen wordt verwerkt. Zie hoofdstuk 4.2 voor verder informatie over de productie van GFT-compost. Door het jaar heen verandert de samenstelling van deze compost, omdat de inname van het GFT-afval rijker of minder rijk is aan mineralen. Ook zijn er verschillen tussen de regio's. Soms kan GFT-compost hoge gehaltes aan makkelijk beschikbare organische stikstof hebben en daardoor bijna het niveau van runderstalmest halen. Deze compost is niet populair, omdat hij vervuild zou zijn met plastic en glas, maar tegenwoordig kunnen de composteerbedrijven met nieuwe zeeftechnieken de GFT-compost redelijk schoon krijgen. Friesland heeft vaak GFT met lage gehaltes aan zware metalen.

De Nederlandse composteringssector heeft een keurmerk in het leven geroepen voor gecertificeerde GFT-compost. Daarmee heeft de afnemer meer zekerheid over de kwaliteiten van het product. De garanties betreffen onder anderen de plantenhygiënische kwaliteit, het ontbreken van onkruidzaden en visuele verontreinigingen als glas, steen en plastic, het zoutgehalte en vanzelfsprekend de wettelijke normen voor zware metalen.

Gecertificeerde compost wordt onder de naam 'Keurcompost' op de markt gebracht. De stichting Keurmerk Compost ziet toe op het gebruik van deze naam. Uitgebreide documentatie over de 'Beoordelingsrichtlijn voor het KIWA-produktcertificaat voor GFT-compost' kan worden opgevraagd bij KIWA (tel. 070-3953535).

toepassing
Zoals hierboven vermeld is de samenstelling van de GFT wisselend. Een GFT die makkelijk beschikbare organische verbindingen bevat heeft niet alleen invloed op het organische stofgehalte, maar ook op de structuur en het leven in de bodem. Deze meerwaarde (zie ook hoofdstuk 5.3) kan per bodem en per gewas verschillen, zoals blijkt uit een onderzoek naar de invloed van GFT op spinazie4. Bij spinazie op zavelgrond gaf een eenmalige gift van 16 ton GFT per ha een eenmalige opbrengstverhoging van meer dan 25%. Dat kon zelfs met hogere kunstmestgiften niet gehaald worden. Dezelfde GFT liet bij prei op zandgrond dit effect maar beperkt zien en bij aardappel en suikerbiet op zavelgrond in het geheel niet. De meerwaarde van GFT-compost is zeker grondafhankelijk.

In het algemeen kan door het gebruik van GFT-compost het organische stofgehalte mede op peil gehouden worden. De stikstof is organisch gebonden en kan in de loop van de jaren vrijkomen. Soms is de organische stof zo sterk gestabiliseerd dat het bodemleven er vrijwel niet door gestimuleerd wordt. Bij gebruik van gemiddeld 6 ton droge stof per ha per jaar zal er na verloop van tijd ongeveer 30 kg N uit de GFT beschikbaar zijn. De werkingscoëfficiënt van fosfaat is 60% en van kali 100% in het 1e jaar.


3.2.5 Groencompost
Groencompost wordt gemaakt van groenafval, dat van verschillende bronnen afkomstig is:
-plantsoenafval
-bermmaaisel
-slootmaaisel
-agrarische restproducten
-veilingafval
-snoeihout
-heideplaggen

Per jaar wordt ongeveer 1 miljoen ton groenafval gecomposteerd, waar 500.000 ton groencompost van wordt gemaakt. In tegenstelling tot GFT-afval wordt het inzamelen van groenafval niet door de overheid geregeld, maar aan de markt overgelaten. In Nederland zijn er ongeveer 100 groencomposteerinrichtingen. Hiervan is ongeveer de helft aangesloten bij de BVOR (Belangenvereniging voor Verwerkingsbedrijven van Organische Reststoffen). De meeste bedrijven liggen in het midden en zuiden van het land en de afstand tot een groencomposteerinrichting is daar in het algemeen niet meer dan 2 tot 30 km. Aanbieders betalen € 30 tot 45 per ton. De huidige afzetprijs van groencompost bedraagt € 2 tot 10 per ton. Groencompost ondervindt concurrentie van GFT-compost, die vaak gratis wordt afgezet.

toepassing
De samenstelling is mede afhankelijk van de gebruikte grondstoffen en de eigenschappen van de bodem. Groencompost uit bijvoorbeeld een gebied met kalkrijke zavelgronden bevat kalk en kleideeltjes. Groencompost uit kalkloze dekzandgronden is zuur en een deel van de organische stof kan zwarte, inerte heidehumus zijn. Dat heeft grote invloed op de gebruikseigenschappen.

In het jaar na toediening is de stikstofwerking 10%, de fosfaatwerking 50% en de kaliumwerking 80%. Voor effectieve organische stof wordt een waarde van 85% van de organische stof aangenomen. Dit zijn zeer globale waarden, die per product sterk kunnen verschillen.


3.2.6 Heidecompost

Heidecompost wordt gemaakt van afgeplagde heidevelden. Kenmerkend voor heidecompost is een hoge verhouding tussen het gehalte aan organische stof en het gehalte aan mineralen. Dit is gunstig als er veel organische stof toegediend moet worden binnen de wettelijke normen normen. Heidecompost kan gemaakt zijn van 100% zuivere heidevegetatie. Deze bevat ongeveer 60% organische stof, 3 kg N en 0,7 kg P2O5 per ton. Dit materiaal kan gebruikt worden als grondstof voor potgrond (maximaal 25 volume%), als mulchlaag en bij de teelt van Calluna, Erica en Rhododendron.
Bij het meecomposteren van grasresten van bijvoorbeeld bochtige smele en pijpestro wordt het organische stofgehalte verlaagd tot ongeveer 35%, maar het gehalte aan stikstof en fosfaat blijven gelijk.
Wordt de humusrijke toplaag van het heideveld meegenomen, dan komt er meer grond in de compost en daalt het organische stofgehalte tot onder de 20%. De andere gehalten zijn: 2,7 kg N en 0,6 kg P2O5 per ton.

toepassing
De beide laatste soorten heidecompost kunnen worden toegepast in de teelt van fruit, bloembollen, bomen, vollegrondsgroenten en in de glasteelt. De organische stof in heidecompost kan de grond wat smerend maken. Dit is op zandgronden meer een probleem dan op kalkrijke zavel- of kleigronden.

 

 

3.3 OVERIG

Hulpmeststoffen

In het volgende worden een aantal organische meststoffen, deels ook wel hulpmeststoffen genoemd, behandeld die voor specifieke doeleinden ingezet kunnen worden.

hulpmeststoffen en bodemleven
Er bestaat veel onduidelijkheid over de effecten van het gebruik van hulpmeststoffen op het bodemleven. Een overmatig gebruik van hulpmeststoffen zal het evenwicht in de bodem zeker verstoren doordat bepaalde groepen van het bodemleven sterk worden gestimuleerd en anderen daarbij geremd worden in hun groei . Ook zijn er aanwijzingen dat snelwerkende meststoffen ten koste gaan van de organismen die verantwoordelijk moeten worden gehouden voor het ziekteonderdrukkende effect van de bodem (zie hoofdstuk 5.4). In laboratoriumexperimenten bracht de inzet van de snelwerkende dierlijke hulpmeststoffen (bloedmeel) minder variatie en minder bacteriënkolonies teweeg dan de wat trager werkende plantaardige hulpmeststoffen12. Ook dit duidt op een verstorende werking van de snelle stikstofleveranciers.

bloedmeel en biologische landbouw
Een in de praktijk veelgebruikte stikstofrijke hulpmeststof is bloedmeel. Ondanks het feit dat deze meststof van dierlijke herkomst is valt die niet onder de biologische landbouw EU-norm voor dierlijke meststoffen (zie tabel 3.3.2). Bloedmeel, dat een laag fosforgehalte heeft, is daarom een meststof die vaak in het bemestingsbeleid van de intensieve tuinbouw zal passen. Vaak is het stikstofaandeel van veel samengestelde meststoffen ook afkomstig uit bloedmeel.
Omdat bij deze meststof een relatie wordt gelegd met BSE, komt het gebruik ervan het imago van de biologische glastuinbouw niet ten goede. Hoewel de kans op besmetting via bloedmeel nihil is, komt er vooral uit het buitenland druk om het gebruik van bloedmeel in de biologische landbouw aan banden te leggen. Naar verwachting zal dat in 2003-2004 gereguleerd worden in Nederland of in EU-verband. Hulpmeststoffen die mogelijk in de toekomst belangrijker zullen worden zijn de stikstofrijke meststoffen van plantaardige oorsprong. Voorbeelden hiervan zijn meststoffen gebaseerd op soyaschroot (OSMO biosoya, prosol) of gekiemde erwt (Maltaflor).


hulpmeststoffen biologische landbouw
Behalve dierlijke mest en gecomposteerde dierlijke mest zijn maar een beperkt aantal meststoffen en bodemverbeteraars aanvullend toegelaten in de biologische landbouw. In tabel 3.3.2 staat een overzicht van deze meststoffen en bodemverbeteraars.

Tabel 3.3.2. Meststoffen en bodemverbeteraars die zijn toegelaten in de biologische landbouw (Bijlage II A van Verordening (EEG) Nr. 2093/91).
Dit is een Europese lijst. Bij gebruik in Nederland moeten deze stoffen ook voldoen aan de meststoffenwet.

- champignoncompost
- klei (perliet, vermiculiet, en dergelijke)
- gecomposteerd huishoudelijk afval (zie hoofdstuk 8.4)
- wormencompost en uitwerpselen van insecten
- gecomposteerd plantaardig materiaali
- de volgende producten of bijproducten van dierlijke oorsprong: bloedmeel, hoefmeel, hoornmeel, beendermeel of ontlijmd beendermeel, beenzwart, vismeel, vleesmeel, verenmeel, wolafval, bijproduct van de bewerking van huiden (chiquetmeal) en haren
- zaagsel en schaafsel, gecomposteerde boomschors en houtas van hout dat na de kap niet chemisch is behandeld
- zacht natuurlijke fosfaat, met een cadmiumgehalte van maximaal 90 mg/kg P2O5
- aluminiumcalciumfosfaat met een cadmiumgehalte van maximaal 90 mg/kg P2O5
- thomasslakkenmeel*
- ruw kalizout en magnesiumzout die kaliumsulfaat bevatten (kaïniet, sylviniet, patentkali)*
- natuurlijk calciumcarbonaat (krijt, mergel, gemalen kalksteenrots, kalkwier, fosfaathoudend krijt)
- natuurlijk calcium- en magnesiumcarbonaat
- magnesiumsulfaat van natuurlijke oorsprong
- calciumsulfaat van natuurlijke oorsprong
- elementair zwavel
- sporenelementen vermeld in Richtlijnen 89/530/EEG
- steenzout (natriumchloride)i
- steenmeel

* Deze middelen mogen alleen worden gebruikt wanneer de behoefte aan het middel blijkt uit rapporten van bodemanalyses.