2. Bemesting in relatie tot de bodem. Wanneer welke mest of compost?

Globaal is Nederland in te delen in drie groepen bodems die ieder een geheel ander beleid vereisen richting bodembeheer en mest- en compostgebruik. We noemen ze jong, midden en oud en de verspreiding is in onderstaande kaart weergegeven.

Bodemkaart van Nederland: jonge, midden en oude bodems

1. Jonge bodems
Aan de basis van een bodem staan verweringsproducten van gesteentes. Hier groeien planten op en er komt organische stof in de bodem. Wanneer er weinig organische stof is blijven de minerale delen de eigenschappen bepalen. Weinig organische stof kan er zijn omdat een bodem nog niet zo lang vegetatie kent zoals bij rivier- en zeeafzettingen, maar ook omdat een vochtig klimaat en hoge temperatuur een snelle afbraak van organische stof veroorzaakt, zoals in de tropen. Ook door droogte of kou kan er geen organische stofvorming optreden. Gronden met weinig organische stof een weinig afvoer van mineralen door bodemvormende processen noemen we jonge bodems. Dit is dus een kwalitatieve indeling. Jonge bodems kunnen, zoals in de tropen, ook heel oud zijn.

2. Midden bodems
Bij gunstige klimatologische omstandigheden komt er door activiteit van het bodemleven steeds meer organische stof in de bodem, zowel in de bovenlaag als dieper, en de organische stof kan zich ook aan klei gaan binden. We treffen hier gemengd bos aan bij de bruine gronden of steppeachtige vegetaties bij de chenozems. Deze gronden noemen we midden bodems.

3. Oude bodems
Bij een neerslagoverschot kunnen bodems onder een vegetatie steeds zuurder en armer worden. Ook kan er dan instabiele zwarte organische stof uit de bovenlaag verdwijnen en op een bepaalde diepte weer inspoelen. Er ontstaan dan podzolgronden. De inspoelingslaag kan ook verdichten waardoor en zeer natte omstandigheden ontstaan en veenvorming optreedt, maar ook daar uitsluitend natte omstandigheden en kou kan er ook veenvorming optreden. Er ontstaan oude bodems.

Landbouwkundig gezien geeft deze indeling interessante perspectieven. Er zijn bij veel bodems tekortkomingen waar een boer constant aan moet werken. Deels om op korte termijn, deels om op lange termijn een goede groei van de gewassen te krijgen. In het onderstaande enkele voorbeelden. Meer in detail wordt er op de zeven genoemde bodemtypen in hoofdstuk 3 nader ingegeaan. De bodemtypen die in het hiernavolgende overzicht worden genoemd, worden verderop nader beschreven.

Organische stof
Jonge gronden: Werken aan opbouw organische stof
Midden gronden: Normaal organische stofbeheer
Oude gronden: Werken aan de kwaliteit van de organische stof

Koolstof/stikstofverhouding
Jonge gronden: Koolstofrijke organische stof toevoeren
Midden gronden: Organische stof aanvoeren met koolstof en stikstof in een goede verhouding
Oude gronden: Siktsofrijke organische stof toevoeren.

Gezien deze verschillen is op jonge gronden groencompost een goede bodemverbeteraar. Ook GFT-compost kan hier gebruikt worden. Teveel gebruik van stikstofrijke meststoffen die weinig organische stof bevatten is hier niet wenselijk. Dit kan alleen als de gewassen voldoende de bodem verzorgen.

Op oude gronden kan het zijn dat met groencompost een soort organische stof wordt toegevoegd die er misschien al teveel is. Hier moet meer bodemleven ondersteunende compost worden gebruikt. In hoofdstuk 3 wordt per mest- en compostsoort aangegeven wat de aard van invloed op de bodem is.

Enkele voorbeelden ter illustratie:

1. Kalkrijke jonge zeeklei

De bodem
Deze is arm aan organische stof. De ondergrond is goed doorwortelbaar en in de zomer is water uit de ondergrond ruim beschikbaar. Door het geringe organische stofgehalte is de kans op een verdichte laag onder de bouwvoor groot en deze kan vaak alleen door regenwormen losgemaakt worden. Opbouw van organische stof is moeilijk door het sterke mineraliserende karakter van deze grond. Stikstofgebrek in het voorjaar en vastlegging van fosfaat zijn problemen die op kunnen treden.

Het landschap
Populier, wilg en es worden veel aangetroffen: bomen die in de zomer een uitbundige bladgroei laten zien. In de herfst is in sommige jaren wel wat geel blad te zien, maar vaak gaan de groene kleuren over in bruin en valt het blad groen of bruin op de grond. Een duidelijke herfst is er niet. Er is zoveel uitbundige groei en vitaliteit dat de afrijping, die bij de herfst hoort, bijna wordt overgeslagen. De groei komt tamelijk abrupt tot stilstand. Vaak wordt het afgevallen blad snel de grond ingewerkt en is er geen of slechts een dunne strooisellaag. De processen in de landbouw lijken hier op: de gewassen vertonen een sterke vegetatieve groei en komen moeilijk tot afrijping. Op het gebied van smaak, suikergehalte en andere eigenschappen die op afrijping duiden, schieten de gewassen op deze gronden vaak tekort.

Mest- en compostgebruik
Om de eigenschappen van de bodem te verbeteren, mag het toegevoegde materiaal niet te snel afbreken. Daarom is gecomposteerde vaste mest of koolstofrijke plantaardige compost aan te raden. Dat is gunstig voor de productkwaliteit . De opbouw van organische stof is beter gediend door granen en grassen dan door klaverrijke groenbemesters .

2. Podzolgronden

De bodem
Grote delen van het zandgebied van Noord, Oost en Zuid Nederland bestonden vroeger uit heide. De bodem die hierbij hoort is een podzolgrond. Deze heeft een wat dikkere strooisellaag, met daaronder eerst een witte of grijze uitspoelingslaag en daarna een verkitte laag van ingespoelde humus. In deze arme en zure gronden loopt de beworteling al op geringe diepte vast in de verdichte laag. Het losmaken van deze laag helpt vaak maar tijdelijk en daarom is het belangrijk om vervolgens diepwortelende gewassen te telen. Dieper gravende regenwormen kunnen dit proces ondersteunen.

Het landschap
Na de komst van de mens overheerst de heide, maar daarvoor was het ook al een open landschap met plaatselijk heide, mede als gevolg van wilde grazers. Eik, berk en grove den zijn hier typische bomen. In het voorjaar begint de ontwikkeling zeer traag, in de zomer laat
de droogte zijn sporen achter. In de herfst is er wel een weinig uitbundige geelkleuring bij eik en berk. Alles wijst erop dat het jaarritme op subtiele wijze wordt afgewerkt, omdat er vanuit de bodem te weinig kracht wordt aangereikt.

Mest en compostgebruik
In dit enigszins ingeslapen landschap moet een mest of compost gebruikt worden die de bodem wakker maakt. Wat versere vaste mest is hier op zijn plaats. Lang gecomposteerde plantaardige compost verhoogt wel het vochthoudend vermogen, maar geeft geen andere kwaliteit aan de grond. Bij gebruik van compost is een stikstofrijke niet te oude compost aan te raden, met als voorwaarde dat de pH omhoog wordt gebracht. Hierna kunnen stikstofrijke vlinderbloemige groenbemesters het proces aanvullen.

3. Rivierkleigronden

De bodem
Dit zijn de mooiste gronden van Nederland.
Een goed ontwaterde rivierkleigrond waar al langer een vegetatie op staat heeft een duidelijke bodemontwikkeling doorlopen. Het gevolg daarvan is een bovengrond met veel organische stof en een dikkere organische stof houdende laag onder de bouwvoor. Deze laag is door het bodemleven in de loop der tijd volledig gehomogeniseerd en kan wel 80 cm dik zijn. Dit alles leidt tot een goede doorworteling in boven- en ondergrond. Wel kan er wat kalk nodig zijn voor een goede bodemstructuur, maar geen overmaat die leidt tot sterke afbraak van organische stof.

Het landschap
Bij deze goed ontwaterde grond past een bos met flink ontwikkelde eiken, beuken, essen en vruchtbomen. Het zijn stevige bomen, die volop timmerhout en brandhout van goede kwaliteit leveren. In dit landschap komt de herfst pas goed uit de verf, met rijke kleuren en een overvloed aan vruchten. Dit is het eerste landschap waar vruchten zo overdadig voorkomen. Enerzijds is er veel massa als gevolg van de groei vanuit de bodem, anderzijds zijn er rijpingskwaliteiten aanwezig als zoetstoffen en kleuren door de inwerking van de zon.

Mest- en compostgebruik
Van nature heeft deze bodem geen tekortkomingen die bijgestuurd moeten worden. De bodem kent een grote stabiliteit en kan invloeden van buiten goed opvangen. Het onderhouden van het proces is hier van belang, met materiaal dat niet te vers en niet te oud is. Gelukkig heeft de bodem het vermogen om extremen goed op te vangen en zelf het midden te houden. Door eenzijdige gewaskeuze of bodembewerking onder te natte omstandigheden kan de bodemvruchtbaarheid wel achteruitgaan. Dan is wenselijk om bij te sturen met bijvoorbeeld gecomposteerde mest, die de structuur verbetert.


4. Natte gronden in beekdalen

De bodem
De beekeerdgronden van de beekdalen in het zandgebied kennen twee lagen. Een bovenlaag die rijk is aan organische stof en die plotseling overgaat in zand, dat arm is aan organische stof. Roestvlekken zijn door het hele profiel aanwezig als gevolg van de wisselingen in grondwaterstand in het verleden en soms in het heden. De gronden stonden in de winter vaak onder water en in de zomer daalde het grondwater tot 1 meter diepte of meer. De onder natte omstandigheden ontstane organische stof geeft makkelijk bewerkingsproblemen vanwege de smerende eigenschappen.

Het landschap
De overheersende boomsoort is de els, een boom met donkergroen loof. Net als bij de jonge zeekleigronden laat de els in sommige jaren wel wat geel blad zien, maar in het algemeen valt het groen of bruin op de grond. Ook hier is geen duidelijk gefaseerd jaarritme aanwezig.

Mest- en compostgebruik
Gebruik van verse materialen hoort hier niet thuis omdat het de eenzijdigheid versterkt en kan leiden tot luchtarme omstandigheden. Wat langer gecomposteerd materiaal geeft humus die de bodemstructuur verbetert. De vaak volop aanwezige organische stof, die onder natte omstandigheden ontstaat, kan de bodemstructuur niet voldoende onderhouden en dit leidt tot problemen met bodembewerking bij de geploegde teelten of met de bodemstructuur bij gras.
De in het voorgaande geschetste eigenschappen van de bodem zijn niet op korte termijn te veranderen en zullen op langere termijn de keuze van mest of compost mede bepalen. Daarnaast zullen bodembewerking, weersomstandigheden en het gewas ook invloed hebben op de bodemeigenschappen. Regelmatig beoordelen van de bodem is van belang om op ieder perceel de wenselijke maatregelen te kunnen nemen. Hierbij spelen mest- en compostkeuze, gewaskeuze en wijze van grondbewerking een rol.