Financiele aspecten van bodembeheer in de akkerbouw.

Kosten en opbrengsten van maatregelen ter verbetering van de bodemkwaliteit

Inhoud

1. Samenvatting
2. Inleiding
3. Methode
4. Case 1
5. Case 2
6. Case 3
7. Kosten van verschillende bedrijfsmaatregelen die de bodemstructuur verbeteren
Bijlagen

 

1. Samenvatting

Aan de hand van drie cases worden de economische effecten behandeld van verbetering van de bodemkwaliteit door extra aanvoer van organische stof. Daartoe zijn voor elk van de drie cases twee bemestingsstrategieën toegepast. Van deze strategieën zijn de technische en financiële effecten op korte en lange termijn in kaart gebracht. Daartoe is gebruik gemaakt van Ndicea (model om de nutriëntenvoorziening te berekenen), GSA (LEI spelsimulatie akkerbouw om de financiële en technische resultaten op korte termijn te berekenen) en de expertise van Coen ter Berg (voor de technische effecten op lange termijn).
Bemestingsstrategieën
De toegepaste bemestingsstrategieën zijn ‘gewasbemesting’ en ‘bodembemesting’.
Onder gewasbemesting verstaan we een bemestingsstrategie waarbij de toediening van de nutriënten zoveel mogelijk aansluit bij de behoefte van het gewas. Er wordt veel gewerkt met minerale stikstofmeststoffen door gebruik te maken van kunstmest (in gangbare landbouwsystemen) of ‘scherpe’ meststoffen zoals runderdrijfmest, kippenstrooiselmest en vinasse die in het voorjaar worden toegediend (in biologische landbouwsystemen).
Bij ‘bodembemesting’ wordt het gewas indirect bemest via het bodemleven. Jaarlijks wordt een grote hoeveelheid organische stof aan de bodem toegevoegd, waarbij via allerlei bodemprocessen mineralisatie van organisch gebonden stikstof plaatsvindt. Deze stikstof kan vervolgens ten goede komen aan de plant.

Drie cases

Case I is een bedrijf op kleigrond met een vierjaarlijks vruchtwisselingschema met consumptieaardappelen, suikerbieten, wintertarwe, zomergerst en zaaiuien. De bedrijfsvoering is gangbaar. Voor deze case zijn twee (extreme) bemestingstrategieën toegepast. In geval van gewasbemesting worden alleen kunstmeststoffen toegediend. Bij bodembemesting is de bemesting er op gericht zoveel mogelijk organische stof aan de bodem toe te voegen door gebruik van dierlijke mest, groencompost en groenbemesting.

Case II is een bedrijf met een biologische bedrijfsvoering. Het bedrijf ligt op zavelgrond en kent een zevenjaarlijkse vruchtwisseling met zomertarwe, consumptieaardappelen, kroten, zaaiuien en witlofwortelen. De gewasbemesting gaat uit van voorjaarsbemesting met runderdrijfmest, kippenstrooiselmest en vinasse. In het geval van bodembemesting wordt gebruik gemaakt van potstalmest in combinatie met groenbemesting, onderploegen van stroresten en het opnemen van luzerne in het bouwplan.

Case III tenslotte is eveneens een biologisch akkerbouwbedrijf. Het ligt op kleigrond. Het bouwplan is zesjarig met zomertarwe, consumptieaardappelen, stamslabonen, suikerbieten en knolselderij. De bemestingsstrategieën zijn vergelijkbaar met Case II: De gewasbemesting bestaat uit runderdrijfmest en kippenstrooiselmest die in het voorjaar worden gegeven; de bodembemesting gaat uit van potstalmest, groencompost, groenbemesters, stroresten en luzerne in het bouwplan.

Resultaten op korte termijn

In alle drie cases blijkt op korte termijn ‘gewasbemesting’ veel voordelen te hebben boven ‘bodembemesting’.
Op het gangbare bedrijf (case I) zijn dat een gemakkelijke toediening, goede beschikbaarheid van de meststoffen, eenvoudige opslag, de goede voorspelbaarheid van de werking van de meststoffen en de onafhankelijkheid van de weersomstandigheden.

Voor de beide cases met biologische bedrijfsvoering (II en III) zijn de voordelen van gewasbemesting een goede beschikbaarheid van de gebruikte relatief goedkope mestsoorten, lage uitrijkosten, geen kosten voor groenbemesting en goede gewasopbrengsten. Dit resulteert in een fors hoger saldo bij gewasbemesting; het verschil met bodembemesting is becijferd op enkele honderden euro’s per hectare. Er kleven op korte termijn ook nadelen aan gewasbemesting op biologische bedrijven. Die hebben vooral te maken met het toedieningstijdstip. In het voorjaar is men afhankelijker van weersomstandigheden, waardoor structuurschade kan ontstaan en de kans op uitstel van zaai- of pootdata groter wordt. Verder worden er hogere eisen aan de logistiek gesteld om de mest op het juiste tijdstip op de juiste locatie te krijgen. Een ander nadeel is de hogere arbeidspiek in het voorjaar.

Resultaten op lange termijn

Een groot nadeel van gewasbemesting is de negatieve organische stofbalans. Jaarlijks wordt meer organische stof afgebroken dan via de bemesting wordt toegediend. Op korte termijn merk je daar niet veel van, maar op langere termijn echter breekt de negatieve organische stofbalans op. Op het gangbare bedrijf uit het teruglopende organische stofgehalte zich in een slechtere bodemstructuur, waardoor de bewerkbaarheid en de slempgevoeligheid toenemen. De opkomst van de bieten en de uien zal sterk gaan wisselen en de onkruiddruk zal toe gaan nemen. Bij bodembemesting neemt de organische stofbalans toe, waardoor de bodem beter bewerkbaar wordt, de opkomst stabieler en de onkruiddruk geringer. Dit uit zich op het gangbare bedrijf in (nog) betere financiële resultaten op lange termijn.

Op biologische bedrijven doen deze tendensen zich ook voor. De gevolgen daarvan zijn zelfs nog groter omdat er minder correctiemogelijkheden beschikbaar zijn. Ondanks het grote financiële nadeel op korte termijn blijkt bodembemesting op langere termijn voordelen te hebben.

Kosten van afzonderlijke bodemverbeterende maatregelen
Er is een globale inschatting gemaakt van de kosten van verschillende manieren om het organische stofgehalte op te krikken. Per ton effectieve organische stof variëren deze kosten tussen -€50 tot +€60 voor de gangbare landbouw en -€40 tot +€90 voor de biologische landbouw. In het algemeen zijn dierlijke meststoffen goedkoper dan groenbemesters, stroresten en groencompost, maar de verschillen zijn sterk afhankelijk van incidentele prijsniveaus.

Conclusie

Voor het gangbare bedrijf heeft een ruime organische stofvoorziening al op korte termijn een financieel voordeel bij een gunstige prijs van dierlijke mest. Op langere termijn neemt dat voordeel toe door de positieve effecten van een hoog organisch stofgehalte.

Voor de beide biologische cases is op korte termijn gewasbemesting sterk in het voordeel, maar op langere termijn levert bodembemesting voordelen op. Over de effecten op langere termijn zijn weinig tot geen onderzoeksresultaten beschikbaar. Daarom zijn er grove aannames gemaakt over die effecten. Volgens ruwe inschattingen is de terugverdientijd van de investering in de bodemstructuur twaalf jaar (case II) tot ruim zeventien jaar (case III).

 

2. Inleiding

Probleemstelling
Het is vaak onduidelijk wat de financiële gevolgen zijn van bodemverbeterende maatregelen. Hoewel duidelijk is dat gewasopbrengsten door deze maatregelen op termijn verbeteren, is het moeilijk zicht te krijgen op de extra kosten en meeropbrengsten. Ondernemers geven aan hun bedrijfsbeslissingen graag te willen onderbouwen met behulp van een begroting.

Doelstelling
Dit hoofdstuk tracht inzicht te geven in de financiële effecten van verschillende maatregelen die de bodemkwaliteit verbeteren. Voorbeelden zijn toediening van organische mest, verruiming van het bouwplan, onderploegen van stro, teelt van groenbemesters en dergelijke. Met deze maatregelen zijn vaak kosten gemoeid.

 

3. Methode

De problematiek van de kosten van bodembeheer wordt toegelicht aan de hand van drie bedrijven: een met een gangbare bedrijfsvoering en twee met een biologische bedrijfsvoering. Bij de keuze voor deze bedrijven heeft vooral de spreiding in grondsoort een rol gespeeld. Het verschil tussen de gangbare en biologische bedrijfsvoering is dat bij de biologische de keuze van te nemen maatregelen wat groter is. Inhoudelijk zijn er verder geen verschillen en kunnen de resultaten van de biologische bedrijven ook op de gangbare worden toegepast. Een vergelijking van de kosten van de verschillende bodemverzorgende maatregelen is opgenomen in hoofdstuk 13.6.

Ndicea
Om te beoordelen of er tijdens het groeiseizoen op ieder moment voldoende minerale stikstof in de bouwvoor beschikbaar is is gebruik gemaakt van het computermodel Ndicea. Dit model is mede ontwikkeld door het LBI.
Het model is gebruikt als controlemiddel bij de uitkomsten van spelsimulatieprogramma van het LEI (GSA).

GSA
Voor de economische berekeningen van de saldi is gebruik gemaakt van het spelsimulatieprogramma van het LEI (GSA). Met dit programma kan een akkerbouwer op grond van eigen bedrijfsgegevens alternatieve bedrijfsstrategieën doorrekenen en beoordelen op verschillende bedrijfseconomische kengetallen.

Data
Voor deze studie zijn de opbrengsten van de verschillende gewassen en de toegerekende kosten overgenomen uit KWIN.

Stikstofbemesting en gewasopbrengsten
In het model is een (eenvoudige) relatie gelegd tussen de stikstofbemesting en de kg-opbrengsten van de verschillende gewassen.

Globaal is deze relatie als volgt opgebouwd: De maximale opbrengst wordt bereikt bij het zogenaamde stikstofadviesniveau. Aangenomen wordt dat een hogere stikstofbemesting geen effect heeft op de opbrengst. Bij een lagere bemesting neemt de kg-opbrengst af. Indien er gegevens beschikbaar zijn over de mate van afname is die volgens een kromlijnig (polynoom) verband ingebracht. Als dat niet het geval is, is een lineair verband verondersteld, lopende van de maximale opbrengst bij het N-adviesniveau tot nul bij absoluut geen minerale stikstof beschikbaar. Voor de biologische gewassen is dit laatste van toepassing.

Voor de bepaling van het N-adviesniveau van gangbare teelten is uitgegaan van Van Dijk (1999). Voor biologische teelten is uitgegaan van KWIN, waarbij is aangenomen dat de zogenaamde Nmin-factor 1 is. Een voorbeeld is opgenomen in Figuur 1, waarin de opbrengstcurve van consumptieaardappelen is weergegeven. Het N-advies voor biologische consumptieaardappelen is 150 kg N/ha – 1 * Nmin. Bij een hoeveelheid minerale stikstof van 50 kg N/ha is het advies dus 100 kg werkzame N/ha. In de figuur is het omslagpunt zichtbaar. Deze (eenvoudige) berekeningswijze is vergeleken met de uitkomsten van Ndicea.

4. Case I: Gangbaar akkerbouwbedrijf op lichte kleigrond

Beschrijving van case I

Grondsoort en bouwplan
Het bedrijf is gesitueerd op een lichte kleigrond (35-45% afslibbaar) met in het uitgangsjaar 2,0% organische stof in de teeltlaag en een pH-waarde van 7.
Het is een bedrijf met een gangbare bedrijfsvoering en een vierjarige bouwplanrotatie. De geteelde gewassen zijn: 25% wintertarwe, 25% consumptieaardappelen, 25% suikerbieten, 12,5% zaaiuien en 12,5% zomergerst.

Beschikbare mestsoorten
Aangenomen is dat dit bedrijf kan kiezen uit verschillende mestsoorten:

Werkzaamheden in loonwerk
Aangenomen is dat de loonwerker wordt ingeschakeld voor de volgende werkzaamheden:

  • Mestrijden
  • Zaaien
  • Oogsten alle gewassen, behalve aardappels
  • Stropersen

Gewasbemesting

Bemestingstrategie in relatie tot de vruchtopvolging
De bemesting is er op gericht dat de gewassen zoveel mogelijk op het juiste moment de benodigde nutriënten beschikbaar hebben.
De bemesting wordt zoveel mogelijk is het voorjaar toegediend.

Saldi van gewassen

Organischestofbalans

Tabel 3. Os-gehalte over 10 jaar 1.85%


Voor- en nadelen op korte termijn
Voordelen:

  • Gemakkelijke toediening, onafhankelijk van de weers- en bodemomstandigheden (structuurschade bij uitrijden)
  • De meststoffen zijn altijd op het juiste moment beschikbaar
  • Eenvoudige opslag
  • De werking van kunstmest is voorspelbaar en onafhankelijk van weersomstandigheden
  • Door het gebruik van veel snelle minerale stikstof nauwelijks afhankelijk van mineralisatie in het voorjaar
  • Goede gewasopbrengsten
  • Mogelijkheid om in te spelen op de bemestingstoestand in het vroege voorjaar
  • Geen stank

Nadelen:

  • Bij huidige prijzen van organische mest duur
  • Meer kans op uitspoeling van stikstof

Voor- en nadelen op lange termijn
Voordelen:

  •  

Nadelen:

  • Door snel teruglopend organisch stofgehalte slechtere bodemstructuur
  • Kans op sterk wisselende opkomst van uien en bieten in het voorjaar
  • Hogere onkruiddruk
  • Slechter wordende bewerkbaarheid en verhoogde slempgevoeligheid (dichtslaan van de grond)

Bodembemesting

Bemestingstrategie in relatie tot de vruchtopvolging
De bemesting is er op gericht het bodemleven zoveel mogelijk te stimuleren door jaarlijks een grote hoeveelheid organische stof aan de bodem toe te voegen. Bij de processen in de bodem (mineralisatie) komt stikstof vrij, die vervolgens aan de plant ten goede kan komen.
De bemesting bestaat uit een ruime gift aan dierlijke mest en groencompost, die zoveel mogelijk in het najaar wordt uitgereden.
De bemesting wordt ondersteund door toepassing van groenbemesting, welke voor een extra hoeveelheid organische stof zorgt en uitspoeling van minerale stikstof (gedeeltelijk) voorkomt

Tabel 4. Bouwplan, vruchtwisseling en bemestingstrategie (variant ‘bodembemesting’)

Saldi van de gewassen

Organische stofbalans

Voor- en nadelen op korte termijn
Voordelen:

  • geen

Nadelen:

  • Extra arbeid door inzaaien van groenbemesters en uitrijden van grote hoeveelheden vaste mest.
  • Minder mogelijkheden om in te spelen op actuele bemestingstoestand
  • Afhankelijkheid van mineralisatieproces

Voor- en nadelen op lange termijn
Voordelen:

  • Rijker bodemleven
  • Betere bodemstructuur, minder slempgevoeligheid, betere bewerkbaarheid
  • Betere opkomst van uien en bieten
  • Stabielere en gemiddeld hogere opbrengsten
  • Lagere onkruiddruk

Nadelen:

  • geen

Conclusie case I
Op korte termijn is gewasbemesting iets goedkoper dan bodembemesting. Het verschil hangt sterk af van de actuele prijzen voor kunstmeststoffen en organische meststoffen. Het saldo verschilt €34 per ha ten gunste van gewasbemesting. Deze kosten zijn te verdelen in:

  • Goedkopere bemesting (-€38/ha)
  • Kosten van groenbemesting (€25/ha)
  • Meer uitrijkosten van de mest (€45/ha)

Op lange termijn wordt het verschil kleiner door een hoger organisch stofgehalte (1.85% vs. 2.10% over 10 jaar). De effecten zijn niet gemakkelijk te kwantificeren omdat ze vaak erg jaarafhankelijk zijn. Toch wagen we een poging. Een verhoging van het organische stofgehalte van 1.85% naar 2.10% leidt tot:
Vroeger zaaien en een betere opkomst. Bij een meeropbrengst 5% voor uien en suikerbieten en 2,5% voor consumptieaardappelen bedraagt het financiële voordeel €103 per ha per jaar.
Minder kosten voor onkruidbestrijding. Bij dit bouwplan moet gerekend worden op gemiddeld €128 per ha. Een vermindering met 25% levert een besparing op van €32.

Als deze aannames kloppen wordt het bovengenoemde saldoverschil tussen beide systemen steeds kleiner tot op een gegeven moment een omslagpunt wordt bereikt.
Gemiddeld over de eerste ‘ronde’ van vier jaar blijft er een klein voordeel voor gewasbemesting van ongeveer €14/ha/jaar, maar over de tweede ronde van vier jaar slaat dat om in een voordeel van gemiddeld €40/ha/jaar voor bodembemesting en in de derde vierjaarlijkse periode loopt dat voordeel zelfs op tot gemiddeld €94/ha/jaar. In jaar 12 is het voordeel €128/ha/jaar in het voordeel van bodembemesting. Aannemende dat het verschil daarna niet meer toeneemt blijft dat in de 4e ronde dus €128/ha/jaar.
Als de hogere aanvangskosten bij bodembemesting worden gezien als een investering zouden hiervoor rentekosten in rekening gebracht kunnen worden. Zonder rentekosten is de terugverdientijd ongeveer 6 jaar. Bij een rentepercentage van 4% wordt de terugverdientijd een half jaar langer.


5 Case II: Biologisch bodems-vruchtbaar-maken/akkerbouw/vollegrondsgroentebedrijf op zavelgrond

Beschrijving van case II

Grondsoort en bouwplan

Het bedrijf is gesitueerd op een matig lichte zavelgrond (16-22% afslibbaar) met in het uitgangsjaar 2,0% organische stof in de teeltlaag. De pH is 7,5 en de grond is niet droogtegevoelig.
Het is een biologisch bedrijf waarop vijf verschillende gewassen worden geteeld: Zomertarwe, consumptieaardappelen, kroten, zaaiuien en witlofwortelen.

Beschikbare mestsoorten
Aangenomen is dat dit bedrijf kan kiezen uit verschillende mestsoorten:


Werkzaamheden in loonwerk
Aangenomen is dat de loonwerker wordt ingeschakeld voor de volgende werkzaamheden:

  • Mestrijden
  • Zaaien
  • Loofbranden
  • Oogsten alle gewassen, behalve aardappels
  • Stropersen

Gewasbemesting

Bemestingstrategie in relatie tot de vruchtopvolging
De bemesting is er op gericht dat de gewassen zoveel mogelijk op het juiste moment de benodigde nutriënten beschikbaar hebben
De bemesting wordt zoveel mogelijk is het voorjaar toegediend

Saldi van de gewassen

Organische stofbalans

Voor- en nadelen op korte termijn
Voordelen:

  • Goedkoop
  • Voldoende beschikbare nutriënten
  • Door het gebruik van relatief veel snelle minerale stikstof minder afhankelijk van mineralisatie in het voorjaar
  • Goede gewasopbrengsten
  • Intensief bouwplan met hoog saldo
  • Mogelijkheid om in te spelen op de bemestingstoestand in het vroege voorjaar

Nadelen:

  • Bij voorjaarsbemesting afhankelijk van weers- en bodemomstandigheden, daardoor wisselende opbrengsten als er niet op tijd bemest kan worden
  • Kans op structuurschade bij mestuitrijden
  • Kans op uitstel van zaai/pootdatum
  • In het voorjaar treedt een arbeidspiek op
  • Er is veel aandacht voor de logistiek vereis om de mest op het goede moment op de goede plaats beschikbaar te hebben.

Voor- en nadelen op lange termijn
Voordelen:

  • Door het hoge saldo wordt een financiële buffer opgebouwd
  • Er is voldoende runderdrijfmest en kippenstrooiselmest beschikbaar

Nadelen:

  • Door teruglopend organisch stofgehalte slechtere bodemstructuur
  • Kans op sterk wisselende opkomst van uien en kroten in het voorjaar
  • Hogere onkruiddruk
  • Slechter wordende bewerkbaarheid en verhoogde slempgevoeligheid

Bodembemesting

Bemestingstrategie in relatie tot de vruchtopvolging
De bemesting is er op gericht het bodemleven zoveel mogelijk te stimuleren door jaarlijks een grote hoeveelheid organische stof aan de bodem toe te voegen. Bij de processen in de bodem (mineralisatie) komt stikstof vrij, die vervolgens aan de plant ten goede kan komen.
De bemesting bestaat uit een ruime gift aan potstalmest, die zoveel mogelijk in het najaar wordt uitgereden.
De bemesting wordt ondersteund door toepassing van groenbemesting, welke voor een extra hoeveelheid organische stof zorgt en uitspoeling van minerale stikstof (gedeeltelijk) voorkomt.

Saldi van de gewassen

Organische stofbalans

Voor- en nadelen op korte termijn
Voordelen:

  • Minder afhankelijk van weersomstandigheden in het voorjaar
  • Er hoeft met poten en zaaien niet gewacht te worden op de bemesting
  • Minder structuurschade bij uitrijden van de mest
  • Bij slechte weersomstandigheden in het najaar kan de bemesting eventueel in het voorjaar worden toegediend

Nadelen:

-        Extra arbeid door inzaaien van groenbemesters en uitrijden van grote hoeveelheden vaste mest.

-        Minder mogelijkheden om in te spelen op actuele bemestingstoestand

-        Afhankelijkheid van mineralisatieproces

-        Minder geldopbrengsten doordat er geen stro wordt verkocht en laagsalderend luzerne wordt verbouwd.

-        Dure meststoffen

-        Beschikbaarheid van potstalmest

 

Voor- en nadelen op lange termijn

Voordelen:

-        Rijker bodemleven

-        Betere bodemstructuur, minder slempgevoeligheid, betere bewerkbaarheid

-        Betere opkomst van kroten, uien en witlof

-        Stabielere en gemiddeld hogere opbrengsten

-        Lagere onkruiddruk

-        Minder kosten voor wieden

Nadelen:

-        Beschikbaarheid van potstalmest

-        Investering in bodem blijft drukken op resultaat, daardoor slechtere rentabiliteit

Conclusie case II

Op korte termijn is gewasbemesting goedkoper dan bodembemesting. Het saldo verschilt €358 per ha ten gunste van gewasbemesting. Deze kosten zijn te verdelen in:

-        Duurdere bemesting (€49/ha)

-        Kosten van groenbemesting (€51/ha)

-        Lager saldo van luzerne ten opzichte van zomertarwe(€142/ha)

-        Onderploegen van stro (€51/ha)

-        Lagere opbrengst van zomertarwe door stikstoftekort. Daar staat een iets hogere opbrengst voor kroten en zaaiuien tegenover (per saldo €8/ha).

-        Meer uitrijkosten van de mest (€46/ha)

-        Overige effecten (€9/ha)

Op lange termijn wordt het verschil kleiner door een hoger organisch stofgehalte (1.94% vs. 2.13% over 10 jaar). De effecten zijn niet gemakkelijk te kwantificeren omdat ze vaak erg jaarafhankelijk zijn. Toch wagen we een poging. Een verhoging van het organische stofgehalte van 1.94% naar 2.13% leidt tot:

-        Gemiddeld hogere opbrengsten doordat bij najaarsbemesting minder structuurbederf optreedt. (opbrengstverbetering naar schatting 2%, ofwel €112 per ha)

-        Vroeger zaaien en een betere opkomst van vooral kroten en zaaiuien bij een nat voorjaar (opbrengstverbetering voor kroten, witlof en zaaiuien naar schatting 10%, aardappelen 2,5%, rest nihil). Dit komt neer op €347 per ha.

-        Uitwijkmogelijkheid van bemesting naar voorjaar als het najaar te nat is. (opbrengstverbetering ca. 1%) Dit komt neer op €40 per ha.

-        Minder kosten voor onkruidbestrijding. Bij dit bouwplan moet gerekend worden op gemiddeld 66 uur handwieden per ha. Een vermindering met 10% levert een besparing op van 14 uur per ha a €18 per uur = €120.

Als deze aannames kloppen wordt het bovengenoemde saldoverschil tussen beide systemen steeds kleiner tot op een gegeven moment een omslagpunt wordt bereikt.

Gemiddeld over de eerste ‘ronde’ van zeven jaar blijft er een voordeel voor gewasbemesting van ongeveer €150/ha/jaar, maar over de tweede ronde van 7 jaar slaat dat om in een voordeel van gemiddeld €320/ha/jaar voor bodembemesting. In jaar 14 is het verschil bijna €600/ha/jaar in het voordeel van bodembemesting. Aannemende dat het verschil daarna niet meer toeneemt blijft dat in de 3e ronde dus €600/ha/jaar.

Gemiddeld over de eerste 21 jaar is bodembemesting in het voordeel met €280/ha/jaar.

Als de hogere aanvangskosten bij bodembemesting worden gezien als een investering zouden hiervoor rentekosten in rekening gebracht kunnen worden. Zonder rentekosten is de terugverdientijd ongeveer 12 jaar. Bij een rentepercentage van 4% wordt de terugverdientijd een jaar langer.

 

6. Case III: Biologisch akkerbouwbedrijf op kleigrond

Beschrijving van case III

Grondsoort en bouwplan

Het bedrijf is gesitueerd op een lichte kleigrond (35-45% afslibbaar) met in het uitgangsjaar 2,0% organische stof in de teeltlaag en een pH-waarde van 7.

Het is een bedrijf met een biologische bedrijfsvoering en een zesjarige bouwplanrotatie. De geteelde gewassen zijn: zomertarwe, consumptieaardappelen, stamslabonen (voor de industrie), suikerbieten en knolselderij.

Beschikbare mestsoorten

Aangenomen is dat dit bedrijf kan kiezen uit verschillende mestsoorten:

Tabel mestsoorten

 

Werkzaamheden in loonwerk

Aangenomen is dat de loonwerker wordt ingeschakeld voor de volgende werkzaamheden:

-        Mestrijden

-        Zaaien

-        Loofbranden

-        Oogsten alle gewassen, behalve aardappels

-        Stropersen

 

  1.  Gewasbemesting

Bemestingstrategie in relatie tot de vruchtopvolging

De bemesting is er op gericht dat de gewassen zoveel mogelijk op het juiste moment de benodigde nutriënten beschikbaar hebben

De bemesting wordt zoveel mogelijk is het voorjaar toegediend

tabel 13

 

 tabel 14

 tabel 15

  

Voor- en nadelen op korte termijn

Voordelen:

-        Goedkoop

-        Voldoende beschikbare nutriënten

-        Door het gebruik van relatief veel snelle minerale stikstof minder afhankelijk van mineralisatie in het voorjaar

-        Goede gewasopbrengsten

-        Intensief bouwplan met hoog saldo

-        Mogelijkheid om in te spelen op de bemestingstoestand in het vroege voorjaar

Nadelen:

-        Bij voorjaarsbemesting afhankelijk van weers- en bodemomstandigheden, daardoor wisselende opbrengsten als er niet op tijd bemest kan worden

-        Grote kans op structuurschade bij mestuitrijden

-        Kans op uitstel van zaai/pootdatum

-        In het voorjaar treedt een arbeidspiek op

-        Er is veel aandacht voor de logistiek vereist om de mest op het goede moment op de goede plaats beschikbaar te hebben.

Voor- en nadelen op lange termijn

Voordelen:

Door het hoge saldo wordt een financiële buffer opgebouwd

Er is voldoende runderdrijfmest en kippenstrooiselmest beschikbaar

Nadelen:

-        Door teruglopend organisch stofgehalte slechtere bodemstructuur

-        Kans op sterk wisselende opkomst van bieten in het voorjaar

-        Hogere onkruiddruk

-        Slechter wordende bewerkbaarheid en verhoogde slempgevoeligheid.

 Bodembemesting

Bemestingstrategie in relatie tot de vruchtopvolging

De bemesting is er op gericht het bodemleven zoveel mogelijk te stimuleren door jaarlijks een grote hoeveelheid organische stof aan de bodem toe te voegen. Bij de processen in de bodem (mineralisatie) komt stikstof vrij, die vervolgens aan de plant ten goede kan komen.

De bemesting bestaat uit een ruime gift aan potstalmest, die zoveel mogelijk in het najaar wordt uitgereden.

De bemesting wordt ondersteund door toepassing van groenbemesting, welke voor een extra hoeveelheid organische stof zorgt en uitspoeling van minerale stikstof (gedeeltelijk) voorkomt.

tabel 16

tabel 17

tabel 18

Voor- en nadelen op korte termijn

Voordelen:

-        Minder afhankelijk van weersomstandigheden in het voorjaar

-        Er hoeft met poten en zaaien niet gewacht te worden op de bemesting

-        Minder structuurschade bij uitrijden van de mest

-        Bij slechte weersomstandigheden in het najaar kan de bemesting eventueel in het voorjaar worden toegediend

Nadelen:

-        Extra arbeid door inzaaien van groenbemesters en uitrijden van grote hoeveelheden vaste mest.

-        Minder mogelijkheden om in te spelen op actuele bemestingstoestand

-        Afhankelijkheid van mineralisatieproces

-        Minder geldopbrengsten doordat er geen stro wordt verkocht en laagsalderend luzerne wordt verbouwd.

-        Dure meststoffen

-        Beschikbaarheid van potstalmest

Voor- en nadelen op lange termijn

Voordelen:

-        Rijker bodemleven

-        Betere bodemstructuur, minder slempgevoeligheid, betere bewerkbaarheid

-        Betere opkomst van suikerbieten

-        Stabielere en gemiddeld hogere opbrengsten

-        Lagere onkruiddruk

-        Minder kosten voor wieden

-        Door structuurverbetering op den duur mogelijkheid om lucratievere gewassen (zoals uien) te telen

Nadelen:

-        Beschikbaarheid van potstalmest

-        Investering in bodem blijft drukken op resultaat, daardoor slechtere rentabiliteit

Conclusie case III

Op korte termijn is gewasbemesting goedkoper dan bodembemesting.

Het saldo verschilt €531 per ha ten gunste van gewasbemesting. Deze kosten zijn te verdelen in:

-        Duurdere bemesting (€75/ha)

-        Kosten van groenbemesting (€37/ha)

-        Lager saldo van luzerne ten opzichte van stamslabonen(€303/ha)

-        Onderploegen van stro (€40/ha)

-        Lagere opbrengst van zomertarwe door stikstoftekort. Daar staat een iets hogere opbrengst voor knolselderij tegenover (per saldo €30/ha).

-        Meer uitrijkosten van de mest (€53/ha)

-        Overige effecten (-€7/ha)

In de gewasbemestingsvariant is een kanttekening op zijn plaats: op papier is voldoende stikstof beschikbaar voor de gewassen, maar door structuurbederf bij het uitrijden van de mest, zal de opbrengst lager uitvallen.

Dit systeem kan alleen redelijk functioneren met een uitrijsysteem waarbij de structuurschade minimaal is (b.v. rijpadensysteem).

Op lange termijn wordt het verschil kleiner door een hoger organisch stofgehalte (1.97% vs. 2.23% over 10 jaar). De effecten zijn niet gemakkelijk te kwantificeren omdat ze vaak erg jaarafhankelijk zijn. Toch wagen we een poging. Een verhoging van het organische stofgehalte van 1.97% naar 2.23% leidt tot:

-        Gemiddeld hogere opbrengsten doordat bij najaarsbemesting minder structuurbederf optreedt. Voor deze zwaardere gronden is die meeropbrengst geschat op 10%. In geld uitgedrukt is het voordeel daarvan €400 per ha per jaar.

-        Vroeger zaaien en een betere opkomst. Bij een meeropbrengst 10% voor knolselderij, en suikerbieten en 2,5% voor consumptieaardappelen bedraagt het financiële voordeel €235 per ha per jaar.

-        Uitwijkmogelijkheid van bemesting naar voorjaar als het najaar te nat is. (opbrengstverbetering ca. 1%) Dit komt neer op €40 per ha.

-        Minder kosten voor onkruidbestrijding. Bij dit bouwplan moet gerekend worden op gemiddeld 22 uur handwieden per ha. Een vermindering met 10% levert een besparing op van 2,2 uur per ha a €18 per uur = €40.

Als deze aannames kloppen wordt het bovengenoemde saldoverschil tussen beide systemen steeds kleiner tot op een gegeven moment een omslagpunt wordt bereikt.

Gemiddeld over de eerste ‘ronde’ van zes jaar blijft er een aanzienlijk voordeel voor gewasbemesting van ongeveer €350/ha/jaar, maar over de tweede ronde van zes jaar slaat dat om in een voordeel van gemiddeld €80/ha/jaar voor bodembemesting. In jaar 12 is het voordeel €340/ha/jaar in het voordeel van bodembemesting. Aannemende dat het verschil daarna niet meer toeneemt blijft dat in de 3e ronde dus €340/ha/jaar.

Gemiddeld over de eerste 18 jaar is bodembemesting in het voordeel met €20/ha/jaar.

Als de hogere aanvangskosten bij bodembemesting worden gezien als een investering zouden hiervoor rentekosten in rekening gebracht kunnen worden. Zonder rentekosten is de terugverdientijd ongeveer 17 jaar. Bij een rentepercentage van 4% wordt de terugverdientijd vier tot vijf jaar langer.

De financiële effecten van bodembemesting worden gunstiger als na de eerste ronde van zes jaar het organische stofgehalte zover is verbeterd dat zaaiuien kunnen worden geteeld in plaats van suikerbieten. Zaaiuien hebben een hoger saldo (€3500/ha) dan suikerbieten (€2700/ha). Uitgesmeerd over het gehele bouwplan betekent dat een verbetering van ruim €100/ha cultuurgrond. De terugverdientijd wordt in dat geval verkort met ongeveer drie jaar.

7. Kosten van verschillende bedrijfsmaatregelen die de bodemstructuur verbeteren

Gebruik dierlijke mest

Dierlijke mest wordt zowel in de biologische als in de gangbare landbouw algemeen toegepast. In de biologische landbouw is het op veel bedrijven de enige gebruikte mestsoort omdat gebruik van kunstmeststoffen niet is toegelaten.

Dierlijke mest wordt om verschillende redenen gewaardeerd:

-        Aanwezigheid van N, P2O5 en K2O

-        Aanwezigheid van sporenelementen

-        Aanwezigheid van organische stof

De gehaltes van deze stoffen in de mest variëren sterk. Dat geldt voor mest van verschillende diersoorten, maar ook daarbinnen komt een grote variatie voor afhankelijk van de voeding van de dieren, de bewaring van de mest en de verdere behandeling daarvan.

In het algemeen is de werking van vooral stikstof en kali in dierlijke mest geringer dan van kunstmest. Daarvoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. In de eerste plaats is slechts een deel van de stikstof in minerale vorm direct opneembaar voor de plant. De organisch gebonden stikstof kan pas na een mineralisatieproces door de plant worden opgenomen. Het mineralisatieproces is een bacterieel proces dat sterk afhankelijk is van externe invloeden zoals temperatuur, structuur, vochtigheid van de bodem. Een tweede oorzaak voor de lagere werking is het feit dat dierlijke mest over het algemeen niet in het groeiseizoen kan worden toegediend. Daardoor is er steeds risico dat vooral gemakkelijk oplosbare stoffen (minerale stikstof en kaliumzouten) uitspoelen voor het door de plant is opgenomen. Bij bemesting in het najaar is dat risico uiteraard veel groter dan bij bemesting in het voorjaar. In de derde plaats vervluchtigd een deel van de stikstof  bij het uitrijden in de vorm van ammoniak. Als de mest direct na het uitrijden wordt ondergewerkt is dit risico kleiner dan bij bovengronds uitrijden.

Drijfmest heeft in het algemeen een lager gehalte aan organisch materiaal dan vaste mest. Dat komt omdat drijfmest in zijn geheel door het maag/darmkanaal van het dier heeft doorlopen waarbij een groot deel van de organische stof is afgebroken. In vaste mest komen vaak veel strooiselresten voor, zoals stro, zaagsel of papiersnippers. Omdat deze delen in veel mindere mate zijn verteerd dragen ze meer bij aan de organische stof voorziening van de bodem.

Over het algemeen is dierlijke mest een goedkope mestsoort. Dat geldt in het bijzonder in de gangbare landbouw in verband met het huidige ruime aanbod van mest ten opzichte van de vraag. In veel gevallen wordt de mest gratis geleverd of wordt er zelfs geld toe betaald. In de zogenaamde mestoverschotgebieden (globaal in het Oostelijk, het Centraal en het Zuidelijk Zandgebied is de prijs voor de gebruiker zeer gunstig. In de mesttekortgebieden (bijvoorbeeld het Noordelijk Zeekleigebied) is de prijs minder gunstig doordat de mest vanuit de overschotgebieden over grote afstand moet worden vervoerd. Voor deze studie is een relatief ongunstige  mestprijs aangehouden.

De uitrijkosten zijn bij gebruik van dierlijke mest hoger dan voor kunstmest; bovendien is het uitrijden van drijfmest goedkoper dan het uitrijden van vaste mest.

Gebruik groencompost

Groencompost bevat in verhouding zeer veel organische stof. De gehaltes aan stikstof, fosfaat en kali zijn relatief laag. Ook groencompost wordt tegen lage prijzen te koop aangeboden. Wel moet rekening gehouden worden met de uitrijkosten. De werking van de aanwezige stikstof hangt af van de mate waarin compostering heeft plaatsgevonden.

Groenbemesting

Groenbemesting wordt om twee redenen toegepast. In de eerste plaats vanwege de bijdrage die restanten van het gewas aan de organische stofvoorziening van de bodem. In de tweede plaats kan groenbemesting een functie hebben in combinatie met najaarsbemesting. Het gewas neemt in het najaar meststoffen op uit de net toegediende mest. In het daaropvolgende voorjaar komen deze meststoffen weer vrij en komen ze (voor een deel) ten goede aan het hoofdgewas. Voordeel is dat er veel minder kans bestaat op uitspoeling van de stikstof. Op deze wijze kan voorkomen worden dat ongeveer 25 kg stikstof  verloren gaat.

Onderploegen van stro

Een doeltreffende maatregel om organische stof aan de bodem toe te voegen is het onderploegen van stro. De kosten bestaan uit opbrengstderving van stro. Aan de andere kant wordt geld bespaard omdat het stro niet geperst hoeft te worden. Naast organisch materiaal worden ook meststoffen in de bodem gebracht. Deze hoeveelheden zijn verwaarloosbaar.

Bouwplanaanpassingen

Ook kunnen bouwplanaanpassingen worden toegepast om het organische stof gehalte in de bodem te verbeteren. Vooral in de biologische landbouw komt dit voor. Men laat een perceel bijvoorbeeld een jaar braak liggen of met teelt een jaar luzerne. Als alleen gelet wordt op de hoeveelheid organische stof die met deze maatregel extra wordt toegevoegd is de conclusie dat het een hele dure maatregel is. Er zijn echter andere voordelen die het opnemen van een zogenaamd rustgewas aantrekkelijk maakt. Denk daarbij aan het tegengaan van allerlei bodemgebonden ziektekiemen. De kosten van een bouwplanaanpassing zijn daardoor niet goed te relateren aan extra organische stof, omdat het bouwplan raakt aan het gehele landbouwkundige systeem op het bedrijf.

Kostenbenadering van diverse bodemverbeterende maatregelen

In bijlage 1 is een schema opgenomen, waarin de kosten van maatregelen worden berekend die de bodemstructuur verbeteren. Deze kosten zijn uitgedrukt per kg effectieve organische stof.

Bij de kostenraming is rekening gehouden met de aankoopprijs van de verschillende mestsoorten. Aangenomen is dat gangbare dierlijke mest gratis franco erf wordt geleverd. Ook de bijkomende kosten en de eventuele bemestingswaarde van toegepaste bemesting zijn in de berekening betrokken. Daarbij is gerekend met de kunstmestprijs en de mate waarin de meststoffen naar verwachting door de akkerbouwer worden gewaardeerd en in mindering op de kunstmestgift worden gebracht. Dit laatste is vooral voor biologische landbouw uiteraard zeer discutabel.

Tabel 19 geeft een samenvatting van deze kosten voor zowel gangbare als biologische landbouwmethoden.

Het blijkt dat vooral gangbare dierlijke mest in het algemeen zeer gunstig in prijs is en dat de kosten ervan al (meer dan) goedgemaakt worden door de bemestingswaarde. De organische stof krijg je er als het ware gratis bij.  Aanvoer van groencompost, het toepassen van een groenbemester en het onderploegen van stro kosten netto ongeveer 5 eurocent per kg effectieve organische stof.

In de biologische landbouw verschilt de situatie niet veel met die in de gangbare landbouw. Biologische mest is weliswaar duurder dan gangbare mest, maar biologische boeren waarderen de meststoffen in de mest hoger. Daardoor blijft de kosten voor de organische stof in de dierlijke mest  per saldo vrijwel nihil. Ook de kosten van andere bodemverbeterende maatregelen verschillen niet veel van die in de gangbare landbouw.

In de tabel zijn de kosten voor het opnamen van rustgewassen niet opgenomen. Het bleek niet mogelijk de kosten daarvan toe te rekenen aan de organische stof.

tabel 19

 

Bijlage I   Berekening van de kosten van organische stof per kg effectieve organische stof

bijlage 1

Bijlage 2

tbijlage 2

 Deze studie is tot stand gekomen in een samenwerking tussen LEI  (Henri Prins), Coen ter Berg Advies en LBI (Jan Bokhorst).