In een vruchtbare bodem moet er snel afbreekbare organiche stof en ern meer stabiele organische stof zijn. Pantenwortels en vaste mest of compost leveren vooral organisch materiaal. Reken eens de lange termijn verwachting van het organische stofgehalte uit. 

De bodem bestaat slechts voor een klein deel uit organisch materiaal. Dit zijn voor het grootste gedeelte afgestorven planten en dieren en voor gemiddeld 15% levende organismen. Dat zijn regenwormen, potwormen, aaltjes, springstaarten, mijten, bacteriën, schimmels en andere bodemdieren.

Afbraak van organische stof is een continu proces. Een deel van de organische stof wordt omgezet in koolzuur, water en voedingsstoffen en een deel in stabielere, moeilijker afbreekbare verbindingen. Omwille van de eenvoud is het gebruikelijk om drie soorten organische stof in de bodem te onderscheiden. Het onderscheid wordt gemaakt in de mate van afbreekbaarheid. Alle drie soorten organische stof zijn voor een vruchtbare bodem van belang:

Makkelijk afbreekbaar

-draagt bij aan ontwikkeling van het bodemleven
-levert plantenvoedingsstoffen
-verbetert bodemstructuur door bijvoorbeeld slijmstoffen van bacteriën en gangen van wormen
-bij sterke activiteit van het bodemleven en een dichte grond kans op luchtgebrek

Matig stabiel

-geleidelijke voeding van het bodemleven en plant door het hele groeiseizoen
-veroorzaakt vaak een gevarieerd bodemleven
-weinig kans op anaerobe plekken
-verbetert de bodemstructuur doordat het de samenhang van organische stof met minerale delen in stand houdt

Zeer stabiel

-houdt vocht vast
-houdt voedingsstoffen vast, vooral kalium en sporenelementen
-verbetert de bodemstructuur, maar bij een hoog C/N quotiënt kan het de bodem ook smerend maken onder natte omstandigheden

Organische stofgehalte
Als indicatie voor een wenselijk organische stofgehalte kan 3% aangehouden worden, bij zware klei een wat hoger percentage. Veel van het aangevoerde materiaal wordt al binnen een jaar afgebroken. Jaarlijks wordt tussen 2 en 4% van de oude organische stof uit vorige jaren afgebroken. Tijdens dit afbraakproces komen er voedingsstoffen vrij.

De organische stof die binnen een jaar verteert, levert wel voedingsstoffen en voedt het bodemleven, maar draagt niet bij aan de opbouw van organische stof. Effectief voor het organischestofgehalte is alleen die organische stof, die langer dan een jaar in de bodem aanwezig is. Het deel van aangevoerde organische stof dat na een jaar nog aanwezig is, wordt de effectieve organische stof (eos) genoemd.

Als vuistregel geldt, dat bij een ploegdiepte van 25 cm voor het handhaven van 2% organische stof aan effectieve organische stof nodig is:
-1400 kg effectieve organische stof per ha per jaar bij een jaarlijkse afbraak van 2%. Deze afbraak geldt voor de wat zwaardere kalkloze gronden met relatief weinig bewerking,
-2800 kg effectieve organische stof per ha per jaar bij een jaarlijkse afbraak van 4%. Deze afbraak geldt voor lichtere kalkrijke gronden met een hogere pH-waarde en met veel en intensieve bewerkingen.

Opstellen organischestofbalans
Voor een gedetailleerd inzicht in het op peil houden of verhogen van het organischestofgehalte is het handig om een organischestofbalans op te stellen.

Stap 1. Bepaal de aanvoer van effectieve organische stof (eos) in kg

Gewassen: kg eos per ha

aardappelen    875
suikerbieten    1.275
wintertarwe    2.630 
w.tarwe, exclusief. stro    1640
zomergerst    1.940
z.gerst, ex. stro    1.310
uien    300
peen    700 
kunstweide 2e jr    2.575
koolzaad    975
bladgewassen    300-400
koolsoorten    1.150
knolgewassen    400-600

italiaans/westerwolds raaigras onder dekvrucht    1255
italiaans/westerwolds raaigras in de stoppel    1080
engels raaigras    1155
rode klaver    1165
witte klaver    850
bladrammenas, gele mosterd    850
wikken    645

Mest en compost: kg eos per 1000 kg vers product

dunne mest rundvee    33
dunne mest vleesvarkens    20
dunne mest zeugen    12
dunne mest kippen    31

vaste mest rundvee    77
vaste mest kip met strooisel   143
vaste mest vleeskuikens  183

champost    89
GFT-compost    183

Stap 2. Bepaal de afvoer van organische stof

De afvoer van organische stof wordt alleen bepaald door de afbraak ervan. De eerder genoemde bekende vuistregel zegt dat jaarlijks 2 tot 4 % van de organische stof in de bouwvoor afbreekt. Dit komt gemiddeld overeen met ongeveer 1.500 tot 3.000 kg organische stof. Het percentage afbraak wisselt afhankelijk van de hoeveelheid en soort organische stof die in het recente verleden op het perceel is aangevoerd. Ook hebben bodembewerking en zuurgraad invloed. Percelen waarop recent grote hoeveelheden dierlijke mest of groenbemesters zijn aangevoerd, hebben in het algemeen een grotere afbraak. Op zandgronden met 2% organische stof en lage mestgiften in het verleden, kan de afbraak beperkt zijn tot ca. 750 kg organische stof per ha. Bij een historie van hoge mestgiften kan de afbraak van organische stof op deze grond oplopen tot wel 3.000 kg per ha.

Stap 3. Stel de organischestofbalans op

De organischestofbalans is het verschil tussen aanvoer en afvoer van effectieve organische stof. Als de balans op nul uitkomt, blijft de toestand van de bodem gelijk. Maar als de balans negatief is, teert de bodem op haar voorraden in. Wordt het organische stofgehalte te laag dan is het raadzaam om de aanvoer te verhogen.

 

Maatregelen

Maatregelen om het organischestofgehalte te verhogen zijn bijvoorbeeld het telen van gewassen die veel organische stof achterlaten, telen van groenbemesters of het aanvoeren van een (grotere) hoeveelheid organische mest met een hoog gehalte aan effectieve organische stof.

Organische mestsoorten

Organisch materiaal met een relatief lage koolstof/stikstof verhouding zal in de regel makkelijk verteren. Voorbeelden hiervan zijn: strorijke kippenmest, groenbemesters en drijfmest. Organisch materiaal met een relatief hoge koolstof/stikstof verhouding zal in de regel langer in de bodem aanwezig blijven. Voorbeelden hiervan zijn: wortelresten van graan, gras en kool. Bij composteren gaat de C/N verhouding omlaag. Het materiaal wordt door het composteren stabieler en is daarom ondanks de lage C/N verhouding toch sterk organische stofopbouwend. Verse materialen met een hoge C/N verhouding (>30) kunnen sterk stikstof binden na uitbrengen.

Sterk structuurverbeterende organische materialen zijn vooral de wortels van planten. Daarna komen het loof van groenbemesters en vaste mest. Gewassen met veel wortels zijn granen en grassen.

Toedienen

Menging door de grond is bij toediening van organisch materiaal belangrijk, omdat bodemorganismen de organische meststof snel kunnen omzetten en de plantenwortels goed bij de mineralen kunnen komen. Geen grote plakken, maar een fijne verdeling met een maximale diepte van doorgaans 20 cm is gewenst.

Bodembewerking

Een verhoging van het organischestofgehalte betekent voor de bodem een verbeterd vermogen tot het vasthouden van vocht. Voor de plant is dit gunstig. Voor de berijdbaarheid, de bewerkbaarheid en de onkruiddruk van de bodem kan dit echter negatieve gevolgen hebben. Het onder te natte omstandigheden bewerken van de bodem kan leiden tot verdichting en versmering.

Bodembewerking heeft een ongunstige invloed op het organischestofgehalte. Het blootstellen van de in de bodem aanwezige organische stof aan zuurstof versnelt de afbraak en het organischestofgehalte neemt dus af.

Ondiep ploegen zorgt voor relatief hoge concentraties organische stof in de bouwvoor. De organische stof wordt minder verdund en een hoger organische stofgehalte zal het gevolg zijn. De kans op verdichting van de laag onder de organischestofrijke bovenlaag is aanwezig.