De gronden worden woudeerdgronden genoemd omdat ze bovenin rijk zijn aan organische stof, maar binnen 50 cm toch wel roestvlekken vertonen door periodiek hogere grondwaterstanden nu of in het verleden.


Kenmerkend bodemprofiel. Een ca 40 cm dikke donkere bovengrond met prachtige structuur op organischestofarme zavel.


Regenwormgang van waarschijnlijk lumbricus terrestris met koolwortels er in.

In de laag onder de donkere bovengrond zijn vaak wormgangen te zien van lumbricus terrestris. Die gangen worden opgevuld met regenwormuitwerpselen en zijn dan intensief doorwortelde minibodems.


De bovengrond is het rijk van allobophora caliginosa. Deze eet zich door de grond heen en is daardoor een echte structuurvormer.

Lumbricus terrestris leeft zijn hele leven in eenzelfde verticale gang. Allobophora caliginosa leeft meer in de bovenlaag. Typisch voor deze worm is dat deze zich voedt met voorverteerd materiaal en daarbij ook grond eet. De mooie structuur die deze gronden kunnen hebben komt voor een groot deel voor rekening van deze worm.


Een blauwe anaerobe laag onder de bouwvoor.

Bij bovenstaande foto zien we een blauwe laag na ca 20 cm diepte. Door berijden met zware machines onder natte omstandigheden en door dichtsmeren van de grond bij het ploegen is een verdichte laag ontstaan waar het water op blijft staan die de beworteling ernstig belemmert.


Beworteling van prei

Hoewel deze grond duidelijk zeer poreus is, wortelt de prei relatief ondiep. Dat doet prei meestal. Prei heeft veel stikstofbemesting nodig, maar neemt maar weinig stikstof op. De matige beworteling verklaart dit. Bij bijvoorbeeld winterpeen is dit net andersom. Winterpeen wortelt diep en intensief, neemt vrij veel stikstof op, maar heeft maar weinig mest nodig.


De ondergrond van de woudeerdgronden is vaak zeer poreus. 

Bij Broek op Langedijk is een deel van het oorspronkelijke cultuurlandschap behouden