Globaal zijn bij veengronden drie lagen te onderscheiden. In onderstaande afbeelding zijn ze als afzonderlijke kluiten neergelegd:


Opbouw bodemprofiel veengrond.
links: niet verweerd, niet gerijpt, niet veraard,
midden: deels verweerd, deels gerijpt, deels veraard,
rechts: verweerd, gerijpt, veraard.

Drie voorbeelden van een niet verweerde, niet gerijpte, niet veraarde diepere laag 


Ondergrond 80-90 cm diepte veengrond Stolwijk Zuid-Holland

Ondergrond 80-90 cm diepte veengrond Zegveld Utrecht

Ondergrond 75-85 cm diepte Kwadijk Noord-Holland

Bovenstaande drie foto's van veen uit Noord- en Zuid-Holland laten veen zien dat nog bruin is (niet verweerd) en door geringe biologische activiteit zijn de oorspronkelijke plantenresten nog goed te herkennen (niet veraard). Deze laag is in het algemeen niet doorworteld. Toch lukt het wortels soms wel om via holtes in de plantenresten in de zomer in deze laag te komen. Ook een beperkt aantal wortels kan dan veel vocht aanleveren voor het gewas en het is goed om erop te letten of beworteling in deze laag voorkomt.

Voorbeeld van een deels verweerde, deels gerijpte, deels veraarde diepere laag


Veen op 35 tot 45 cm diepte.

Tussen de veraarde bovenlaag en de ongerijpte ondergrond bevindt zich een laag die in de winter volledig verzadigd is met water, maar in de zomer deels uitdroogt. In deze laag kunnen in de zomer scheuren optreden, vooral wanneer de grond wat klei bevat. In deze scheuren kan in de zomer ook wat grond uit hogere lagen vallen en wanneer in de winter de grond weer gaat zwellen is er eigenlijk niet voldoende ruimte over en ontstaan glimmende vlakken van samengeperste grond. In het midden van de foto is zo'n glimmend vlak te zien. Ook is te zien dat wortels in de zomer van de scheur gebruik hebben gemaakt om in diepere lagen te komen.

Voorbeeld van verweerde, gerijpte veraarde bovengrond


Bovenlaag veengrond onder Purmerend met een goede doorworteling tot ruim 20 cm diepte

Bovenlaag veengrond onder Purmerend met een slechte doorworteling dieper dan 5 cm

Bovenstaande twee kluiten van verweerde, gerijpte en veraarde grond onder gras laten zien dat er grote verschillen in doorworteling voor kunnen komen. De oorzaak van dergelijke verschillen is veelzijdig. Berijden onder te natte omstandigheden is de belangrijkste, maar maïsteelt of teveel vee op een moment dat dat nog niet kan is soms ook de oorzaak. Het achterwege laten van mest die het bodemleven voedt speelt ook een rol. Vaak is het een samengaan van meerdere ongunstige maatregelen die elkaar versterken.


Kuil in een veengrond onder Purmerend. In de grond zijn verschillende lagen te herkennen:
De licht gekleurde bovenlaag is de veraarde laag. Hierin zijn resten van zand te herkennen dat is aangebracht om de draagkracht te vergroten.
Hieronder een zwarte deels veraarde laag met geringe bewortelingsmogelijkheden. Onder deze zwarte laag ligt de bruine ongerijpte veenlaag. Daar weer onder ongerijpte klei die voor de veenvorming is afgezet.