In de fruitteelt staat de bodemkwaliteit centraal. Met het fruit worden er maar weinig voedingsstoffen afgevoerd en bij een goede verzorging van de kringloop van voedingsstoffen staat de bemesting niet centraal. De kaliumvoorziening vraagt op veel bodemtypen correcties en ook de stikstofvoorziening moet periodiek bijgestuurd worden. Een evenwichtig en actief bodemleven en een goede bodemstructuur doen de rest. De uitgangsbodem is hierbij wel belangrijk. De gronden van de stroomruggen in de Betuwe en en woudeerdgronden in Noord-Holland hebben eigenschappen die ideaal zijn voor de fruitteelt. De overige gronden moeten constant bijgestuurd worden. De wijze en de mate varieert per bodem. Dat er verschillen zijn blijkt al uit de kwaliteit van het fruit. De Betuwe levert het beste en meest smakelijke fruit. Dan komen de zeekleigronden in West-Nederland en de zandgronden en op de jonge gronden van de Flevopolders is het het moeilijkst om fruit met een goede smaak te produceren.