Inhoud

4.1. De geschiedenis van een perceel
4.2. Ziekten en voorvrucht
4.3. Bodemanalyse
4.4.Aaltjes
4.5.Start al eerder
4.6. Het contact met de verhuurder

De groei van bollen wordt sterk bepaald door de bodemkwaliteit. De meeste bollen hebben een zwak wortelstelsel en wanneer de structuur verdicht is, wordt de wortelgroei sterk belemmert. Hierdoor neemt de ziektegevoeligheid toe en wordt de opbrengst lager. Verder moet er vaker bemest en beregend worden. Ook een slechte ontwatering, een verkeerde zuurgraad of tekortkomingen bij de voedingsstoffenlevering kunnen redenen zijn om een perceel niet te kiezen. Om tot een goede keuze te komen en de juiste maatregelen te nemen zijn van belang:
-de geschiedenis van een perceel
-de bodemanalyse
-de bodemconditie
Deze worden achtereenvolgens behandeld.

4.1. De geschiedenis van een perceel

Bij de keuze van huurland moet gelet worden op het gewas in het voorgaande jaar in verband met de bodemstructuur en op voorvruchten langer geleden in verband met het optreden van ziekten en plagen. Een aantal veel voorkomende voorvruchten worden behandeld:
Grasland
Grasland is voor bollen het meest populair. De graswortels binden de bodemdeeltjes aan elkaar en geven een goede samenhangende bodemstructuur. De vertering van gras en wortels geven ook een nalevering van stikstof. De reden dat een perceel grasland is kan soms ook zijn dat de grond eigenlijk ongeschikt is voor andere teelten. De grond is te zuur, te zwaar of het organischestofgehalte is te hoog. Ook voor bollenteelt is een dergelijk perceel dan minder geschikt. Grasland wordt de laatste jaren steeds intensiever bereden en bij bemesting en grasoogst wordt steeds zwaardere apparatuur gebruikt. Ook wordt vaak onder te natte omstandigheden gewerkt. De bodemstructuur beoordelen alvorens aan de slag te gaan, is bij grasland steeds belangrijker. Informatie over de wijze waarop de bodem beoordeeld kan worden, staat onder 'De bodem', envervolgens onder 'Bodembeoordeling'. Een grasland dat voor bollenteelt wordt gebruikt moet tenminste 5 jaar oud zijn. Gras van 8 tot 10 jaar is ideaal. Dergelijk land wordt dan vers land genoemd, hoewel de term eigenlijk bedoeld is voor land waar nog nooit bollen hebben gestaan.
Grasland op kleigrond mag alleen tussen 1 februari en 15 september worden gescheurd. Er moet dan direct aansluitend een relatief stikstofbehoeftig gewas worden ingezaaid. Het kan ook van 16 september tot 30 november wanneer tulp, krokus, iris of muscari (blauwe druif) worden geplant. Plant het gewas direct na omwerken van de graszode.

Tarwe
In de akkerbouw is tarwe als voorvrucht aantrekkelijk. Tarwe wordt in het algemeen onder relatief droge omstandigheden geoogst en de kans op bodemverdichting bij de oogst is dan kleiner. Tevens levert tarwe via wortels en stro verse organische stof. Een nadeel van tarwe is wel dat de grond vaak vast en kluiterig is. De voorvrucht voor tarwe is vaak aardappel. Bij de ruggenopbouw voor aardappel wordt de grond fijngefreesd en verdwijnen de stabiele structuurelementen. Bij de oogst van de aardappel kan verdere structuurachteruitgang optreden. Vervolgens wordt tarwe gezaaid en ligt de grond nog lang open en kan bij regen verdere verdichting optreden. De bodemstructuur na tarwe valt om deze redenen soms tegen. Het ophalen van de strobalen na de oogst kan ook tot diepe sporen leiden.

Suikerbiet en andere rooivruchten
Gewassen die laat onder natte omstandigheden geoogst worden kunnen meerdere jaren tot een slechte bodemstructuur leiden. Suikerbiet is berucht. Bij suikerbiet wordt vrijwel onafhankelijk van het weer gerooid. Bollen telen na suikerbieten is daarom riskant. Toch worden bollen wel na suikerbieten geteeld. De reden is dat de bodemstructuur van bietenland erg mooi kan zijn wanneer onder voldoende droge omstandigheden is geoogst. De bodemstructuur is dan beter dan na aardappels en tarwe.
De bodemstructuur is na aardappels vaak niet mooi door structuurschade bij de ruggenbouw en natte omstandigheden bij de oogst.
Groentegewassen zoals peen zijn vaak minder aantrekkelijk door het late oogsttijdstip en het verdichten van de bodem tijdens de oogst.

Luzerne
Luzerne is aantrekkelijk als voorvrucht. De grond is vaak goed doorwortelbaar en er is een constante nalevering van stikstof. Een groot probleem kan zijn dat de luzerne weer opnieuw uitloopt. Een goede chemische bestrijding in combinatie met het goed stukfrezen van de ondergrondse delen.

Graszaad
Graszaad is potentieel een goede voorvrucht. Eenjarig graszaad laat in de regel een betere structuur achter dan meerjarig graszaad. Het type gras is ook van belang. Engels raaigras, Italiaans raaigras en Rietzwenkgras zijn goede bodemverbeteraars. Soms levert graszaad als voorvrucht toch een sterk tegenvallende structuur op.

4.2. Ziekten en voorvrucht

Diverse ziekten, waaronder zuur en Augustaziekte, kunnen jaren later nog voor besmetting zorgen. Zuur is sinds 2000 in toenemende mate een probleem en goed uitzoeken wat de geschiedenis van een perceel is, is belangrijk. Op een perceel waar nog nooit bollen hebben gestaan hebben is aantasting evenwel ook niet uitgesloten. Ziekten kunnen ook met het plantgoed meekomen. Het is wenselijk om een rotatie van 1:6 aan te houden. Bij grasland bijvoorbeeld 4 jaar gras, 1 jaar bollen en dan 1 jaar bloemkool of een ander gewas.

4.3.Bodemanalyses

Bij huurland zijn er een aantal bodemanalyses die speciaal de aandacht vragen. Het organischestofgehalte zegt iets over de bodemkwaliteit. Bij kalkrijk zand is 1,1 % tenminste wenselijk. Bij zavel- en kleigronden en dekzandgronden is 3% organische stof een indicatie voor een potentieel redelijke bodemkwaliteit. Ook een lager gehalte dan 3% kan een goede beworteling mogelijk maken. De kluit- of kuilbeoordeling kan dit uitwijzen. Let er op dat zeer lage pH-waarden niet in 1 jaar hersteld kunnen worden. Hoge pH-waarden duidelijk boven de 7 kunnen wijzen op een geringe activiteit van het bodemleven. Wat betreft voedingsstoffen is het wenselijk dat de waarden niet extreem zijn. Wat betreft de stikstofvoorziening draagt de bodemanalyse niet zoveel bij. Een hoog organische stofgehalte, een voorvrucht die veel organische stof achterlaat (bijvoorbeeld meerjarig gras) en ruime bemestingen met vaste mest kunnen alle een hoog stikstofleverend vermogen van de grond met zich mee brengen. Lage fosfaatgehalten zijn zelden een probleem, vooral niet bij een goede bodemstructuur. Hetzelfde geldt voor magnesium. Gebrek aan sporenelementen is via de bodemanalyse niet goed te achterhalen. Bij zeer lage gehalten is extra opletten van belang en bij twijfel, omdat het gehalte laag is, maar de bodemkwaliteit ook slecht is, een bladbemesting toepassen.

4.4. Aaltjes

Het is op het moment niet gebruikelijk om bij huurland onderzoek naar aaltjes uit te voeren. Onderzoek moet uitwijzen of dit terecht is. Wanneer er in de vruchtwisseling aardappels voorkomen is het verplicht te monsteren voor een AM-vrij verklaring. Dit kan bij de PD, BKD en NAK.

De bodemconditie
De bodemanalyse geeft een belangrijk, maar beperkt deel van de bodemeigenschappen weer. Een kuil geeft inzicht in de bewortelingsmogelijkheden, de activiteit van het bodemleven, het waterafvoerend vermogen en het vochtleverend vermogen van de grond en mag bij een goede bodembeoordeling niet ontbreken.

4.5. Start al eerder

Ideaal is om twee jaar van te voren een perceel te kiezen. Staan er dan in de winter plassen op het land dan kan dat al betekenen dat er verdichtingsproblemen zijn. Ook kan beoordeeld worden of het perceel voldoende vlak ligt. Er is bij ruim van te voren beginnen ook tijd om maatregelen te nemen. Woelen of greppels kunnen oplossingen zijn. Het toepassen van greppels heeft evenwel ook nadelen bij onderhoud en oogst van de bollen. Tevens heb je landverlies.
Na de bollen:
Aardappel en kool zijn goede navruchten van bollen. Gras was altijd een slechte, omdat opslag van kleine bollen zuuroverdracht kan veroorzaken. Dit probleem is door de nettenteelt kleiner geworden omdat er dan minder kleine bollen achterblijven.

4.6. Het contact met de verhuurder

De bollenteler gebruikt het land maar een jaar en fundamentele verbeteringen van de bodemkwaliteit liggen dan niet voor de hand of zijn niet mogelijk. De verhuurder heeft evenwel ook belang bij een goede bodemkwaliteit. Wanneer gedurende langere tijd grond gehuurd wordt is bodemkwaliteit een gemeenschappelijk belang. Ga in overleg met de verhuurder en bespreek de maatregelen rond bodemvruchtbaarheid.