Inhoud:

3.1. De voorbereiding van het bollenperceel na grasland
3.2. De voorbereiding van het bollenperceel na akkerbouw
3.3. Drainage
3.4. Compost
3.5. Voorbeelden op bedrijven
3.6. Groenbemesters
3.7. Grondbewerking zavel- en kleigronden

3.1. De voorbereiding van het bollenperceel na grasland

Bij grasland is laat bewerken ongunstig. Te overwegen valt om de laatste snede gras niet te oogsten en de verhuurder hier een vergoeding voor te geven. Grasland wordt meestal eind augustus/begin september doodgespoten. Tijdens het planten is de graszode goed afgestorven en de bodemstructuur blijft behouden. Hierdoor is het mogelijk na regen toch weer snel te kunnen planten. Ook zonder doodspuiten lukt het vaak het gras goed onder te werken. Extra aandacht voor onkruidbestrijding is dan wel nodig.
Er zijn twee manieren om de grond geschikt te maken voor het planten:
1. Vlak voor het planten wordt geploegd en vervolgens wordt gerotoregd en direct aansluitend geplant.
2. Vlak voor het planten wordt de zode op 3-5 cm gefreesd om de zode goed stuk te krijgen. Daarna wordt gespit. Meestal met een krukasspitmachine. Achter de spitmachine is er, wanneer de grond dat nodig heeft, een rol met pennen die de grond nog wat fijner maakt.
De tweede methode met de spitmachine wordt het meest uitgevoerd.
Het diep onderwerken van de bovengrondse groene massa is niet wenselijk. Een goede verdeling van de groene massa door de bouwvoor kan verkregen worden door bij het ploegen niet met de voorschaar maar met een stro-inlegger te werken.

3.2. De voorbereiding van het bollenperceel na akkerbouw

In het algemeen geldt dat voorkomen moet worden dat te laat en onder te natte omstandigheden de bodembewerking plaats moet vinden. Ploegen is de meest gebruikte methode. Op lichte grond is het ook de enige methode. Wordt bij een lichte grond gespit dan komt de grond te los te liggen en is de kans op verslemping groter. Bij ploegen zijn de kluiten steviger.
Op zwaardere en vooral organischestofrijke gronden is spitten wel te overwegen. Roterend is dan beter dan met een krukas. Soms is het na spitten nodig om een keer te frezen. Dit wordt dan in dezelfde werkgang uitgevoerd.
Bij nettenteelt heeft ploegen het nadeel dat het land ongelijk komt te liggen. Soms zitten er zelfs gaten in de grond. Toepassing van een vorenpakker en wat aandrukken kan soulaas bieden. Gebruik van een rotorkopeg na het ploegen onder natte omstandigheden kan de bodemstructuur vernielen. Wordt er stro ondergeploegd, een combinatie van stro met dierlijke mest, groenbemesters of gras, dan kan het zijn dat dit organische materiaal onderin de bouwvoor komt te liggen, slecht verteert en tot luchtgebrek leidt. Bij gebruik van een stro-inlegger wordt het stro veel beter door de bouwvoor verdeeld.
Bij een slechte bodemstructuur bestaat snel de neiging om dieper te ploegen. Dit is eventueel een tijdelijke oplossing maar brengt op langere termijn vrijwel altijd schade aan de bodemvruchtbaarheid toe doordat het organischestofgehalte lager wordt. Op lichte grond kan dichtslempen van de grond makkelijk optreden bij dieper ploegen.

3.3. Drainage

Een goede ontwatering van het perceel is van groot belang. In een natte periode de grondwaterstand meten en het lopen van de drains beoordelen is van belang. Op lichte grond kan doorspuiten van de drains helpen. Bij twijfel is het te overwegen een perceel opnieuw of intensiever te draineren. Bij huurland is het een mogelijkheid om de kosten voor deel door de verhuurder te laten betalen. Een goedkope wijze van draineren is de toepassing van moldrainage. Met behulp van een woelpoot, met aan de onderkant een kegel wordt een soort mollengang door de grond getrokken. Aan de kegel is een 'opruimer' bevestigd die de wand van de molgang verstevigd. Niet altijd werkt dit systeem goed. Vooral op lichtere grond zakken de gangen weer in. In de Beemster zijn er goede ervaringen mee. Bij droge grond in september en een zware trekker kan er met 10 km per uur om de twee meter worden gedraineerd.
De laatste jaren blijkt dat ook in de zomerperiode bij de oogst een goede waterafvoer belangrijk is door overvloedige regenval.

3.4. Compost

Van nature groeien bollen in de humusrijke bovenlaag van de grond. Vanwege kans op vorstschade en ziekten worden bollen nu dieper geplant. Dat organische stof belangrijk is voor bollen mag uit onderstaande voorbeelden blijken. Het betreft hier de relatie compost en groei van bollen.

Compost als mulchlaag
In de Wieringermeer is de invloed van een mulchlaag van groencompost op bodem en groei bollen onderzocht.


Rechts tulpen met compost als mulch, links met stro. De groei was sterker bij compost.
De compost, aangebracht in de herfst bleek in de zomer van het volgende jaar door regenwormen in vrij sterke mate de grond te zijn ingewerkt. Dit betekende een aanzienlijke verbetering van de structuur en de beworteling.

Compost onder in de bouwvoor


Om de bollen dichter bij de natuurlijke groei te krijgen is onder in de bouwvoor een laagje groencompost aangebracht.
Bij gebruik van compost bleek de groei van de wortels direct na uitlopen beter bij gebruik van compost.

De verdere groei van de bollen kon niet onderzocht worden. Nader onder onderzoek moet dit uitwijzen.

3.5. Voorbeelden op bedrijven

Een zavelgrond in West-Friesland

Deze grond die bij Proeftuin Zwaagdijk ligt is van een type dat zeer gewild is als huurland voor bollen. De bovenlaag van zo’n 40 cm dik is humeus en heeft een goede bodemstructuur. Onder de donkere bovengrond is een humusarme laag met veel verticale wormgangen, waardoor overtollig water snel weg kan. De grondwaterstand ligt rond de 80 cm diepte wat betekent dat er een constante aanvoer van water uit de ondergrond mogelijk is. De wortels van de tulp komen hier tot ruim 40 cm diepte de grond in, wat voor tulp vrij diep is. De bodemstructuur is mooi, omdat er in het voorgaande jaar gras stond dat onder droge omstandigheden ondergewerkt is. Een nadeel van de grond is wel, dat door de zwaarte en het hoge organische stofgehalte de grond veel vocht vast kan houden; wanneer er in een natte periode bewerkt moet worden kan de bodemstructuur sterk versmeren. Enkele kilometers verder ligt een grasperceel dat een minder goede verzorging had en een dichte bodemstructuur heeft. Hier moet ook tulp komen, maar de uitgangssituatie is niet optimaal.


Zwaagdijk. Een woudeerdgrond met een dikke donkere bovenlaag
De humusrijke bovenlaag van 35 cm dik is geheel doorworteld
Door verticale wormgangen is ook de ondergrond doorworteld

 Grasland aan de Zeugweg in de Wieringermeer


Het plan is deze grond voor bollenteelt te gebruiken. In het verleden hebben er aardappelen, tarwe en suikerbieten op gestaan. 20% slib en 1,5% organische stof. Het is een organischestofarme grond dus, maar de bodemstructur is goed door een zorgvuldig beheer. Onderin zijn wel blauwe, anaerobe plekken zichtbaar.

 


De bovenlaag is humusarm, maar goed doorwortelbaar.

Deze grond is zeer gevoelig voor een verkeerd beheer. Hoewel nu in de nazomer mooi van structuur, is de teelt in het volgende jaar niet goed verlopen. Een natte periode bij de bodembewerking voor de bollenteelt kon deze grond toch niet aan.

3.6. Groenbemesters

Groenbemesters worden onder meer geteeld om uitspoeling van voedingsstoffen tegen te gaan, om organische stof te leveren en om verstuiving tegen te gaan. De belangrijkste eigenschap is evenwel verbetering van de bodemstructuur. De vers ondergeploegde groene massa verbetert de bodemstructuur maar beperkt en kan onder natte omstandigheden ook een negatief effect op de bodemstructuur hebben doordat er luchtgebrek ontstaat. Het zijn vooral de wortels die de bodemdeeltjes bijeen houden en de structuur verbeteren.
Verder is bij de teelt van groenbemesters van belang dat de gebruiksruimte van stikstof groter wordt, dat het inzaaien en onderwerken kosten met zich meebrengt en dat aaltjes zich kunnen vermeerderen tijdens de teelt.

3.7. Grondbewerking zavel- en kleigronden

De teelt van bollen op zavel- en kleigronden vindt voornamelijk op huurland plaats. Het is vooral een zaak van de verhuurder om een optimale inzet van groenbemesters te verwezenlijken. De negatieve of positieve rol die groenbemesters bij schade door aaltjes kunnen hebben speelt in de bollenteelt op zavel- en kleigronden aanzienlijk minder dan op zandgronden. Aaltjesonderzoek van de grond voorafgaand aan de teelt is alleen nodig wanneer aardappels in de rotatie zijn opgenomen in verband met een AM-vrij verklaring. Bij een langdurig contact met een verhuurder kan een gesprek rond optimaal bodembeheer zinvol zijn. Bij groenbemesters zijn dan aandachtspunten die de keuze kunnen beïnvloeden:
- vriest de groenbemester dood in de winter;
- past de groenbemester in de vruchtwisseling;
- vermeerdert de groenbemester geen aaltjes;
- wat zijn de bewortelingseigenschappen van de groenbemester;
- kan stimulering van slakken een probleem zijn.
Een nieuwe ontwikkeling rond de teelt van groenbemesters is het zaaien van een mengsel. Hierdoor kunnen de positieve eigenschappen van meerdere groenbemesters gecombineerd worden. Een mogelijkheid is om een structuurverbeterende en een stikstofbindende groenbemester te combineren. Ook is het mogelijk om een groenbemester die snel kiemt en onkruid onderdrukt te combineren met een groenbemesters die vooral de bodemstructuur verbetert. Een voorbeeld van de eerste combinatie is haver met wikke. Van de tweede bladrammenas met Engels raaigras.