De bodem vergt bij de bollenteelt extra aandacht. Hier zijn meerdere redenen voor:
-De meeste bolgewassen hebben geen wortelharen. De wortelharen maken een intensief contact met de bodem mogelijk en deze mogelijkheid ontbreekt dus bij bollen.
-Bij veel planten kiemen de zaden in het voorjaar. De jonge planten hebben in het begin nog niet veel voedingsstoffen nodig. Pas als de grond warmer wordt en meer voedingsstoffen gaat leveren neemt de behoefte toe. Bolgewassen hebben al voedingsstoffen nodig voordat de mineralisatie van organische stof goed op gang is gekomen.
-In de natuur groeien bollen ondiep in een enigszins humushoudende grond. Vanwege de kans op vorstschade en ziekten worden bollen vrij diep geplant en ook vaak in zand- en zavel- of kleigronden met lage organischestofgehalten.
-Wortelvorming in de herfst is belangrijk. Er wordt evenwel vaak laat geplant waardoor er minder tijd is voor wortelvorming. Een humushoudende grond met een goede structuur die de beworteling stimuleert is dan extra belangrijk. De reden van het late planten is dat er pas geplant wordt als de bodemtemperatuur onder de 12 graden C ligt, dit in verband met de kans op fusarium en Augustaziekte. Dit is rond 1 oktober op zavel en klei. Om een goede bodemkwaliteit voor een teelt te krijgen zijn bodemwerking, bemesting en teelt in een vruchtopvolging met bodemverzorgende gewassen en groenbemesters van belang.


Bollenteelt op huurland in Noord-Holland

Op zavel- en kleigronden kan niet met hoge grondwaterstanden worden gewerkt. Er treedt dan luchtgebrek op en ook berijden geeft problemen. De grondwaterstand moet tenminste ca. 70 cm onder maaiveld liggen en op gevoelige gronden met hogere lutum- en organische stofgehalten tenminste 90 cm onder maaiveld. Ook wanneer er fijn zand aanwezig is die interne slemp kan veroorzaken is een goede ontwatering tot 90 cm onder maaiveld belangrijk. Verder moet de waterafvoer tenminste 10 mm per dag bedragen. De capillaire opstijging zou 6 mm per dag moeten bedragen, maar dat is op zavel- en kleigronden vaak niet meer dan 2 mm en beregenen wordt in het groeiseizoen belangrijk. De ondiepe beworteling van bolgewassen speelt een rol bij de grote vochtbehoefte. Er zijn geen wortels die diep gaan en veel vocht uit de ondergrond kunnen halen. Een goede verkruimelbaarheid van de grond was vroeger belangrijk. Grove kluiten tussen de bollen bij de oogst betekent veel handwerk. Door de nettenteelt is dit minder een probleem en kan er ook op zwaardere grond geteeld worden. Lichte gronden met weinig kalk en een laag organische stofgehalte zijn slempgevoelig en een bedekking met stro is hier belangrijk.
Omdat bollen een goed doorwortelbare laag onder de boldiepte moeten hebben wordt er vaak vrij diep geploegd. De kans bestaat dat de poriënstructuur naar de ondergrond verbroken wordt en er waterstagnatie optreedt. Tevens wordt het organische stofgehalte lager. Een goede bodemstructuur in de laag onder boldiepte is belangrijk. Vooral op humusarme zwaardere gronden kan bij laat ploegen onder natte omstandigheden schade aan de bodemstructuur aangericht worden.

Bodemvruchtbaarheid op zavel- en kleigronden
De bollenteelt op zavel- en kleigronden betreft dus vooral teelt op huurland. De verzorging van de bodemvruchtbaarheid is daarom vooral een zaak van de verhuurder. Huurder en verhuurder hebben beide belang bij een goede bodem. Vaak wordt er gedurende langere tijd bij eenzelfde verhuurder land gehuurd. Samen naar de juiste bemesting, grondbewerking en gewaskeuze van de hele vruchtwisseling kijken is altijd wenselijk. Van groot belang is de keuze van het juiste perceel. De huurder heeft hierin veel vrijheid wanneer er geen vaste relatie is, maar ook wanneer er wel een gedurende meerdere jaren contact is, is bodemkwaliteit belangrijk. Een oogst van een hakvrucht in een natte herfst kan voor meerdere jaren een perceel minder geschikt maken voor bollenteelt.
De belangrijkste principes rond onderhoud en verbetering van de bodemkwaliteit verschillen voor weidebouw en akkerbouw:

Weidebouw
1. Ontwatering. Zorg voor een goede ontwatering. In winter en voorjaar moet het grondwater niet binnen 60 cm staan. Betaal als huurder eventueel mee aan drainagekosten.
2. Bekalken. Zorg ervoor dat de zuurgraad bij de start goed is en bespreek een lange termijnplan.
3. Berijden met steeds zwaardere machines onder natte omstandigheden is vooral op zavel- en kleigrond funest voor de bodemstructuur. Van belang is het niet rijden onder te natte omstandigheden, voor een lage bandenspanning zorgen (0,8 bar in het voorjaar en 1,0 bar in de zomer), onder natte omstandigheden met sleepslangen bemesten; geen koeien op te nat land.

Akkerbouw
In de akkerbouw liggen de mogelijkheden om een goede bodemkwaliteit te krijgen op het gebied van bodembewerking, bemesting en vruchtopvolging.
1. Bodembewerking. Hoewel er steeds meer met lage drukbanden gewerkt wordt lost dit het probleem van te sterke belasting van de bodem niet op. De apparatuur wordt ook steeds zwaarder en er wordt ook meer gereden onder omstandigheden waaronder het vroeger niet mogelijk was om te rijden. Bij iedere keer dat er het land opgegaan wordt moet de vraag gesteld worden wat de gevolgen van de bodemstructuur zijn. Soms is het beter iets niet te doen.
2. Bemesting. Vaste mest en compost dragen bij aan bodemlevenactiviteit en organische stofgehalte. Drijfmest draagt niet of nauwelijks bij en bij uitrijden in het voorjaar kan de structuur te lijden hebben.
3. Vruchtopvolging. Teel de bollen zo lang mogelijk na een jaar waarin hakvruchten onder natte omstandigheden zijn geoogst. Wordt er wel optimaal gebruik gemaakt van groenbemesters? Besef dat de oogst van lelies onder natte omstandigheden aanzienlijke schade aan de bodemstructuur kan geven waar de verhuurder later mee te maken krijgt.