Bollen worden tussen 8 en 15 cm diepte geplant. De bovenlaag van de grond is het meest vruchtbaar en daar maken bollen maar beperkt gebruik van omdat bij de meeste bollensoorten de wortels niet omhoog kunnen groeien. Ook is het wortelstelsel zwak. Verder is de vochtbehoefte hoog. Aan de bodem stellen bollen bijzondere eisen.
Zandgronden kunnen in tegenstelling tot zavel- en kleigronden luchtig zijn bij hoge grondwaterstanden, Daarom vindt de bollenteelt veel plaats op zandgronden. Eis is wel dat de grondwaterstanden goed gereguleerd kunnen worden. Tijdens het groeiseizoen moet de grondwaterstand 50 tot 60 cm beneden maaiveld zijn. Deze hoge grondwaterstand is nodig omdat het organischestofarme zand weinig vocht vasthoudt. In de winter is 60 cm onder maaiveld een gebruikelijke grondwaterstand. Bij veel neerslag nog 10 tot 20 cm dieper. De lucht- en vochtvoorziening stellen verschillende eisen aan de grond. Voor een goede luchtvoorziening moet het zand niet te fijn zijn (optimaal M50 180-210 mu). Verder moet het zand los zijn. De wateraanvoer van beneden is bij wat grover en luchtig zand juist minder dan bij fijner en vaster zand. De marges waarbinnen gewerkt kan worden zijn smal. Verder moet in het gebied het polderpeil nauwkeurig beheerst kunnen worden. De bemalingscapaciteit of de berging moeten voldoende groot zijn.
Wanneer een zandgrond kalkrijk is, is de structuur losser. Dit komt enerzijds door de aanwezigheid van een kalkhuidje rond de zandkorrels, anderzijds door de aanwezigheid van schelpresten. De kalk geeft wel een hoge pH-waarde en stimuleert daarmee een bodemleven dat organische stof snel afbreekt. Wanneer de zandgrond klei bevat of de korrelgrootte van het zand te klein is, is de kans op verdichte grond groter en kan sneller luchtgebrek optreden.
Wanneer de grondwaterstanden beneden de 50 cm komen in het groeiseizoen neemt de noodzaak tot beregenen snel toe. Er wordt gerekend met een dagelijkse vochtbehoefte van 6 mm. Op kalkrijke gronden is een lage grondwaterstand eerder een probleem dan op kalkloze gronden. Kalkloze gronden zijn dichter en het grondwater kan hoger opstijgen. Verder hebben de kalkloze zandgronden meestal hogere organische stofgehalten waardoor ze het vocht beter kunnen vasthouden. De kans op vorstschade is hoger op kalkrijke zandgronden. Om vorstschade te voorkomen worden op kalkrijke gronden hogere grondwaterstanden aangehouden. Hyacint en narcis groeien op kalkrijke zandgronden beter dan op kalkloze. Voor tulp is dit minder het geval.