De bodem vergt bij de bollenteelt extra aandacht. Hier zijn meerdere redenen voor:
-De meeste bolgewassen hebben geen wortelharen. De wortelharen maken een intensief contact met de bodem mogelijk en deze mogelijkheid ontbreekt dus bij bollen.
-Bolgewassen hebben al voedingsstoffen nodig voordat de mineralisatie van organische stof goed op gang is gekomen.
-In de natuur groeien bollen ondiep in een enigszins humushoudende grond. Vanwege de kans op vorstschade en ziekten worden bollen vrij diep geplant en ook vaak in zand- en zavel- of kleigronden met lage organische stofgehalten.
-Wortelvorming in de herfst is belangrijk. Er wordt evenwel vaak laat geplant waardoor er minder tijd is voor wortelvorming. Een humushoudende grond met een goede structuur die de beworteling stimuleert is dan extra belangrijk. De reden van het late planten is dat er pas geplant wordt als de bodemtemperatuur onder de 12 graden C ligt, dit in verband met de kans op fusarium en Augustaziekte. Dit is rond 1 oktober op zavel en klei. Op zand wordt tulp na 1 november geplant.
Om een goede bodemkwaliteit voor een teelt te krijgen zijn bodemwerking, bemesting en teelt in een vruchtopvolging met bodemverzorgende gewassen en groenbemesters van belang.


Een bodem uit de Bollenstreek bij Hillegom. De gronden worden periodiek omgezet tot 60 cm diepte. Hierdoor is een intensieve vruchtopvolging van hyacint, tulp en narcis mogelijk. Door de diepe grondbewerking is het moeilijk om voldoende organische stof te krijgen. Bij deze grond is het organische stofgehalte 1,2%, wat hoger is dan gemiddeld. De bodemstructuur is hier ook goed en de wortels van de hyacint kunnen tot 35 cm diepte wortelen. GFT-compost, stalmest en bollencompost zijn de belangrijkste middelen om het organische stofgehalte op peil te hoden. Door het lage organische stofgehalte spoelen voedingsstoffen, vooral stikstof, makkelijk uit. Ook ammonium dat bij andere gronden aan humus of klei wordt gebonden, spoelt hier makkelijk uit. Toch zijn de nitraatgehalten in het oppervlaktewater laag. De uitgespoelde stikstof wordt in de ondergrond omgezet in stikstof- en lachgas en komt daarom maar beperkt in het oppervlaktewater. Voor de vochtvoorziening is de hoge grondwaterstand van 50 - 60 cm onder maaiveld belangrijk. Verder is het voor een goede doorwortelbaarheid van belang dat het zand niet te fijn is.