Algemeen

Hier wordt alleen op maatregelen ingegaan specifiek voor de akkerbouw in het veenkoloniale gebied. Algemene maatregelen bodemonderhoud zijn vaak ook van toepassing op de akkerbouw in de veenkoloniën. Deze worden behandeld in "Maatregelen bodemonderhoud"

Aanvoer van organische stof

Aanvoer van verteerbare organische stof is essentieel in de veenkoloniën. De organische stof moet zowel verteerbare koolstofhoudende als verteerbare stikstofverbindingen bevatten. Tarwe kan, wanneer het stro niet wordt afgevoerd, veel koolstofrijke verbindingen achterlaten. Doe er wat stikstofrijke mest bij, bijvoorbeeld kippen- of varkensmest, en zaai na de oogst een groenbemester. Dit kan zeer bevorderlijk zijn voor het bodemleven. Groencompost bevat te weinig makkelijk afbreekbare stikstofrijke verbindingen. Groencompost uit de Flevopolders is wel weer gunstig. Bij vlinderbloemigen, bijvoorbeeld lupine, is het weer anders. Deze stikstofrijke planten worden snel afgebroken en dragen daarom weinig bij aan bodemvruchtbaarheid. GFT-compost is een relatief gunstige compost wat betreft stimulering van het bodemleven en de bodemstructuur. Steeds geldt: kijk niet naar het organischestofgehalte om te beoordelen of er verteerbare organische stof nodig is.

Losmaken van de ondergrond

Een kuil graven en de beworteling beoordelen moet een standaardhandeling zijn om tot een goed bodembeheer te komen. Periodiek woelen zal vaak nodig zijn. Daarna een diepwortelend gewas inzaaien om het dichtzakken te voorkomen. Indien passend in de vruchtopvolging is een grasklaver met veel rode klaver een mooie combinatie. Tarwe wortelt wel diep, maar de wortels zijn vaak niet krachtig genoeg om de onderlaag voldoende te doorwortelen. Ook de penwortel van gele mosterd of bladrammenas wordt vaak overschat. Tevens wortelen deze beide zeer extensief met dunne en tere wortels die niet echt de bodemstructuur kunnen onderhouden.
Steeds iedere maatregel met een profielkuil evalueren en conclusies trekken voor verder beheer. Voorkomen dat een losse grond niet opnieuw vast gaat zitten is belangrijk. Onder natte omstandigheden niet rijden als het echt niet moet en letten op de bandendruk zijn van belang.


Wanneer, zoals hier, op 20 cm diepte veel wortels aanwezig zijn en deze tot ruim 40 cm doorgaan, is woelen niet nodig. Het kan zelfs schadelijk werken doordat bestaande gangen verstoord worden.
De regenworm aporrectodea calliginosa op een akkerbouwperceel bij Sappemeer. Bij voldoende aanvoer van organische stof kunnen een aantal regenwormsoorten in een extensieve akkerbouw op veenkoloniale grond wel actief zijn.

Grondbewerking

Vroeger werd er alleen geploegd op veenkoloniale gronden. Tegenwoordig zijn vooral de spitmachine en de vaste tandcultivator in gebruik. In Koopmans e.a. 2015 worden de voordelen van de verschillende methoden op een rij gezet:

Ploeg: gunstig voor bodemstructuur en voorkomen slemp
Spitmachine: gunstig voor vlakligging
Vaste tandcultivator: gunstig voor behoud van vocht in de bodem, weinig arbeid, lage kosten en veel capaciteit

Niet-kerende grondbewerking

Door minder te bewerken en in de winter de grond bedekt te houden, zou een aanzienlijk betere bodemstructuur kunnen ontstaan. De gedachten gaan dan direct richting niet-kerende grondbewerking. Toch is dit voor de veenkoloniën geen oplossing. De eenzijdige smerende humus maakt dat de grond te sterk verdicht en er geen goede beworteling meer mogelijk is. Bedrijven die het desondanks wel lukt, zijn er nog niet.

Drainage

De hoogste grondwaterstanden mogen niet boven de 60 cm onder het maaiveld komen. Wanneer dit niet zo is moet gedraineerd worden. Wanneer de grond redelijk doorlatend is, kan sleufloos gedraineerd worden. Bij aanwezigheid van dichte fijnzandige, lemige of veenlagen moeten de drains met een kettinggraver gelegd worden. Bij sterk verdichte grond moet de drainsleuf opgevuld worden met drainagezand. Het is belangrijk onder droge omstandigheden te draineren en direct een diepwortelende groenbemester in te zaaien. De omstandigheden kunnen zo ongunstig zijn door grondsoort of hoge slootwaterstanden, dat het nodig is de percelen bol te leggen, greppels te graven of moldrainage toe te passen.

Bij veen in de ondergrond kan drainage inklinking veroorzaken door oxidatie van het veen. Onderwaterdrainage kan soms toegepast worden om dit te voorkomen. Soms wordt moldrainage met succes toegepast. Hierbij wordt met een bal of verdikking achter een woelpoot op 50-60 cm diepte waterafvoermogeljkheid in de grond gemaakt.

Bij voldoende diepe grondwaterstanden hoeft niet gedraineerd te worden, vooral niet als het zand wat grover is.

Bij een omhulling (090-waarde) van 0,45 mm kunnen zanddeeltjes de drain niet inspoelen. Bij ijzerrijkwater is 0,7-1,1 mm wenselijk. Bij een pH-KCl van de bodem boven 6,0 kan geen kokos als omhulling worden gebruikt.

Vochtvoorziening

Organische stof en een diepere doorwortelbaarheid zijn essentieel voor een goede vochtvoorziening. Vochttekort blijft op zandgronden vrijwel altijd een probleem. Het is gunstig om in het voorjaar te ploegen of niet te ploegen. Gebruik altijd de vorenpakker. In de zomer de grondwaterstand verhogen tot ca 80 cm is wenselijk wanneer dat mogelijk is.