Een belangrijk deel van de organische stof in veenkoloniale gronden is nog afkomstig van het veen dat er groeide. Dit veen is gevormd door planten als veenmos in eerste instantie en verder ook door wollegras, zonnedauw en een beperkt aantal andere planten. Het veen groeide uitsluitend op regenwater en wat stof dat er neerdwarrelde. Stikstof was nauwelijks aanwezig. De organische stof van het veen is daarom zeer koolstofrijk en zeer arm aan stikstof. De humus die hieruit ontstaat is ook zeer koolstofrijk en heeft ongunstige eigenschappen. Deze humus bepaalt mede het bodemgebruik van de veenkoloniën. De grond is moeilijk rul te krijgen en intensieve teelten, zoals groenteteelt, zijn daarom moeilijk. Er is een stikstofrijkere, biologisch actievere humus nodig om de zanddeeltjes met elkaar te verbinden. Die gunstige humus is van nature nauwelijks aanwezig, maar werd er met compost uit de stad en vaste mest wel naar toegebracht. Dat stopte toen de chilisalpeter werd ontdekt. Aanvoer van organische mest leek niet meer nodig en de chilisalpeter versnelde het afbraakproces van de zo belangrijke actieve humus. In 1919 is er nog een monument opgericht voor Klaas de Vrieze die op de winterlandbouwschool de chilisalpeter propageerde. In feite droeg hij bij aan de achteruitgang van de gronden in de veenkoloniën. Aanvoer van biologische actieve organische stof is een van de belangrijkste aandachtspunten in de veenkoloniën. Dat het organischestofgehalte soms vrij hoog is door de aanwezigheid van humus gevormd uit het oude veen, kan deze aandacht voor verse organische stof makkelijk verdoezelen.




Enkele vormers van het hoogveen. Veenmos (de belangrijkste), wollegras en zonnedauw.
De humus die uit het veen ontstond is na regen op lagere plekken vaak nog te zien. De scheuren bij opdrogen geven het karakter al wat aan. Het is een smerende humus met ongunstige eigenschappen.

Lelies op veenkoloniale grond in Drenthe

Op de foto een in september uitgestoken kluit van een lelieplant. Deze kluit geeft de problematiek van de veenkoloniën goed weer. De lelies worden geteeld in een vruchtopvolging van vier jaar, waarvan twee jaar aardappelen. Bij aardappelen wordt de grond twee keer in het seizoen, bij aanleg van de ruggen en bij de oogst, volledig losgewoeld. Voor de lelies wordt er tot ca 25 cm gespit en ook dan weer wordt de grond losgewoeld. Door het intensieve bewerken gaat iedere structuur uit de grond. Het gevolg hiervan zien we op de foto. De lelies wortelen zeer oppervlakkig. Hoewel de grond in het voorjaar is losgemaakt is die nu, in september, helemaal verdicht en bevat vrijwel geen wortels. De eenzijdige humus van de veenkolonien is de belangrijkste veroorzaker van de snelle verdichting. Andere, meer actieve organsiche stof aanvoeren met compost of gewassen is van belang.


De onderlaag met de massieve niet doorwortelbare brokken. Slechts een wortel lukt het om een klein stukje in de dichte laag te komen.
Het in 1919 in Bareveld (Groningen) opgerichte monument ter herinnering aan de in 1915 overleden landbouwleraar Klaas de Vrieze die het gebruik van chilisalpeter prropageerde. Met de tekst:
Hulde aan de nagedachtenis van wijlen K.J. de Vrieze, overleden 30 januari 1915, den ijverigen propagandist voor het gebruik van kunstmeststoffen in de Veenkoloniën - Hij wees den landbouw nieuwe wegen, den boer tot heil, het land ten zegen - Hij leerde de ouderen en onderwees de jongeren
.