De bodem binnen het gehele veenkoloniale gebied is redelijk overeenkomstig. Dat hangt samen met de ontstaanswijze. Lang geleden stroomden er door het zandgebied beken en kleine rivieren. Ca 15.000 jaar geleden trad er in de beekdalen in de droge zomers verstuiving van zand op en ontstonden zandruggen langs de dalen. Hierop zouden later de essen aangelegd worden. Het gebied tussen twee beken werd door de ruggen afgesloten en er ontwikkelde zich een natte heide met onder meer dopheide en pijpenstrootje. Deze natte heide ging later over in veenmosveen.
De overheersende bodemopbouw is een donkere bovenlaag van ca 40 cm dikte. Hieronder is een humusinspoelingshorizont met een egale bruine kleur. Onder de bovenlaag kan een veenlaag zitten, de rest van het oorspronkelijke hoogveen. Ook kan deze veenlaag zo dik zijn dat de hele ondergrond veen is. De humusinspoelingslaag in het zand is soms afwezig en onder de bouwvoor is er dan direct het zand met een zeer laag organischestofgehalte. Dit zand kan ook lemig zijn. De bovengrond varieert in organischestofgehalte van slechts enkele procenten tot tegen de 20% organische stof. De organische stof is zwart en heeft minder gunstige eigenschappen. De grond versmeert snel en verdicht makkelijk. De geringe stabiliteit uit zich ook in de gevoeligheid voor verstuiven in het voorjaar. Bij een hoger organische stofgehalte is de draagkracht minder goed. De ondergrond neigt tot verdichting.


Sappemeer

Dedemsvaart

De Peel