In de lössgronden treedt een bijzonder proces op. Kleideeltjes zijn hele kleine dunne schijfjes. Ze lijken een beetje op mica dat in kachelruitjes wordt gebruikt en zijn daar ook aan verwant. Wanneer er kalk in de grond zit zijn deze kleideeltjes stabiel en kunnen zich goed binden met humus. Ze geven de grond zo een stabiele structuur. Is de grond zuur dan verdwijnt de stabiliteit van deze dunne kleiplaatjes. De onderlinge binding van de deeltjes vermindert. Ze kunnen nu uit gaan spoelen. Dit gebeurt vooral in de zomer bij zware regen langs scheuren in de grond. De deeltjes komen zo in diepere lagen terecht. De zanddeeltjes zijn veel minder gevoelig voor uitspoelen. Wanneer dit vele honderden tot duizenden jaren gebeurt is het gevolg dat de bovengrond steeds zandiger wordt en de laag onder de bouwvoor steeds zwaarder. Een lössgrond gaat bovenin in de richting van een zandgrond. De gronden heten dan brikgronden.
In de lössgronden verliezen niet alleen de kleideeltjes stabiliteit, maar de grond als geheel ook. Wanneer de lössgronden op een helling liggen, wat vaak het geval is, kan de grond door het verlies aan stabiliteit wegspoelen naar lagere delen. Deze erosie is bij het grootste deel van de lössgronden opgetreden. De grond in de dalen is van boven aangevoerde grond. Wanneer op de helling de bovenste laag verdwijnt komt de laag aan de oppervlakte waar de kleideeltjes naar toe zijn gespoeld. Die liggen dan opnieuw aan de oppervlakte. Door de erosie is de grond als het ware verjongd. Bij de gronden die op de vlakke top van de heuvels lagen is geen erosie opgetreden en hebben we nog het oude profiel, dus een zandige bovenlaag met daaronder een zwaardere laag met ingespoelde klei.


Bij deze bodem op lössgrond is mooi te zien wat de gevolgen zijn van uitspoeling van kleideeltjes. Oorspronkelijk was het materiaal homogeen. Uit de bovenlaag zijn kleideeltjes gespoeld en deze is daardoor zandiger geworden. In diepere lagen is extra klei terecht gekomen en deze is hierdoor sterk verdicht. Ligt zo’n grond op een helling dan spoelt de bovenlaag makkelijk weg.

Voorbeeld van een bodem op löss

 
Een typische grond met akkerbouw op löss

Wat zien we hier?

De laag 0-25 cm is redelijk los door ploegen

De laag 25-35 cm is sterk verdicht

De laag 35-40 cm is matig verdicht

De laag dieper dan 40 cm is poreus en goed doorwortelbaar. Hier zien we het volgende:


Zeer proeuze grond op 70 cm diepte. De grote porie is de gang van een regenworm.

Samenvattend: De bouwvoor is met ploegen redelijk los te houden, maar met ploegen niet goed te beschermen tegen erosie. De laag 25 tot 40 cm diepte is een probleem. De laag dieper dan 40 cm is poreus en goed doorwortelbaar.