Hier wordt alleen op maatregelen ingegaan die specifiek zijn voor de akkerbouw in Flevoland. Algemene maatregelen worden behandeld in "Maatregelen bodemonderhoud".

Mest en compost

1. GFT- en groencompost
Omdat de organischestofgehalten lager worden, wordt er wel compost gebruikt. Onderzoek wijst uit dat dit vooral effect heeft, wanneer er meerdere jaren redelijke hoeveelheden worden gebruikt. Bij compost gaat het om de bijdrage aan de organischestofvoorziening en om voeding van het bodemleven. GFT-compost heeft de voorkeur boven groencompost. Doordat uit de grondstoffen voor groencompost steeds meer het houtige materiaal wordt verwijderd, omdat het gebruikt wordt voor energiewinning, gaat de kwaliteit van groencompost achteruit. Het wordt steeds meer humusrijk zand, wordt wel gezegd.
Wat betreft humusopbouw, regelmatige levering van voedingsstoffen en voeding van het bodemleven is vaste mest op de Flevolandse gronden superieur. Laat het een seizoen liggen en zet het driemaal om met een kraan. Helaas is het steeds moeilijker verkrijgbaar. Meer over mest en compost vindt u hier





2. Natuurcompost
In Flevoland zijn meerdere natuurgebieden die periodiek gemaaid moeten worden. Het materiaal leent zich uitstekend voor composteren. Meerdere technieken zijn uitgetest. Verhakselen en enkele malen met een kraan omzetten is een mogelijkheid. Ook zijn er speciale composteermachines die over de rillen rijden en een mooi product afleveren. Bij composteren op grond treedt er geen verontreiniging van het oppervlaktewater van betekenis op. Gebruik van maaisel uit de regio is een mooi regionale bijdrage aan milieu, bodemvruchtbaarheid en klimaat. Het composteren op grond wordt daarom vaak toegestaan. Soms wordt toch beoordeeld dat er een conflict met de wetgeving is.



Compostering van maaisel uit de natuurgebieden rond Schokland. De rillenmethode waarbij aeroob gecomposteerd wordt met een composteermachine wordt hier toegepast.


Volgen van de temperatuur tijdens het composteren van maaisel.

Vaste rijpaden

Het werken met vaste rijpaden in combinatie met RTK-GPS is in Flevoland voor het eerst in de biologische teelt toegepast. Het vindt plaats op grotere bedrijven of in een samenwerking tussen bedrijven omdat de investeringskosten op kleinere bedrijven te hoog zijn. Vaste rijpaden leidt tot een betere bodemstructuur, hogere opbrengsten, meer werkbare dagen, minder onkruid en een hogere meststofefficiëntie. Desondanks zijn de financiële voordelen nog niet goed duidelijk. Oogsten vanaf vaste rijpaden is nog een probleem. Machines die dit wel kunnen zijn in ontwikkeling.



Trekker voor werken op vaste rijpaden op 3,20 m afstand tussen de wielen op een biologisch bedrijf bij Ens.

Woelen

Zwaardere machines verdichten de grond, de grond blijft dan langer nat en bij opnieuw berijden wordt de grond onder nog weer nattere omstandigheden bewerkt. In de laag onder de bouwvoor kan de grond zo sterk verdichten dat de gewasgroei er aanzienlijke schade van ondervindt. De verdichte laag loswoelen lijkt dan een oplossing, maar meerdere onderzoeken over vele jaren gaven aan dat dit niet helpt en soms extra schade oplevert. Een uitvoerig onderzoek van PPO van 2006 tot 2009 (van Geel e.a. 2009) had als doel dit onderwerp degelijk uit e zoeken.
Op een grond bij Lelystad met 14% lutum en 3,4% organische stof en een sterk verdichte laag tussen 25 en 40 cm werden onderstaande bodembewerkingen vergeleken (foto’s PPO):

Woelen met een gewone woelpoot:

Woelen met de combiplow:
 

En spitten met een spitmachine:


 

De grond werd tot ca 45 cm losgemaakt. Deze gewassen werden vergeleken: luzerne, wintertarwe, aardappel en suikerbiet.
Het bleek dat de grond na de behandeling weer sterk verdichtte en er geen hogere opbrengsten waren. Luzerne was ook niet in staat om de losgemaakte grond te bewortelen. De penwortel liep al snel vast.

De mechanische weg is mogelijk niet de goede. Stimulering van regenwormen, veel aandacht voor de bodem bij het kiezen van een bewerkingstijdstip en minder hakvruchten in het bouwplan zijn alternatieven. Een woeler die meer kerend werkt en inbrengen zodat de grond niet weer inklinkt en het gebruik van compost of ander organisch materiaal in de laag 15 tot 40 cm hebben mogelijk perspectieven.

Diepploegen

De belangrijkste reden om diepploegen toe te passen is de afname van de bewerkbaarheid. De oorzaak van de minder goede bewerkbaarheid ligt vooral bij:

-teelt van te weinig graan en groenbemesters;
-toename van de bodemdruk door zwaardere machines;
-toename van de bewerkingsintensiteit.

Wanneer de teeltwijze niet verandert, is diepploegen maar een tijdelijke oplossing voor de problemen. Naast de slechter wordende bewerkbaarheid speelt evenwel ook een rol dat er vaak lichtere grond onderin het bodemprofiel aanwezig is die naar boven geploegd kan worden. Hierdoor worden er op zwaardere grond meer teelten mogelijk.

De resultaten van diepploegen zijn wisselend. Grote problemen en sterke verbetering komen beide voor. Gunstige ervaringen zijn er door:
-minder gebruik van diesel door minder bewerkingen;
-minder arbeid doordat er sneller kan worden gewerkt;
-hogere opbrengsten;
-mogelijkheid voor meer teelten;
-minder wormproblemen.

Minder gunstige ervaringen zijn er door:
-een minder goede ontwatering;
-grotere stuifgevoeligheid;
-meer bodemgebonden ziekten;
-meer verslemping door fijner zand in de bovenlaag;
-ontstaan van een verdichte laag;
-minder goede productkwaliteit, hogere sorteerkosten, vooral op zwaardere gronden;
-fosfaattekort;
-zoutschade.

Alvorens de beslissing te nemen om te gaan diepploegen is een analyse ter plekke door een deskundige belangrijk. Deskundigheid op dit gebied is schaars. Door het opheffen van de Rijksdienst IJsselmeerpolders in 1989 is veel kennis verloren gegaan.
Veel problemen kunnen voorkomen worden door na het diepploegen direct te draineren. en dit bij plaatselijke verzakking van de buizen na bijvoorbeeld vier jaar weer te herhalen. Een ander belangrijk punt is om het bouwplan - tenminste tijdelijk - aan te passen. Niet 1op 3 aardappels, maar bijvoorbeeld 1 op 5. En voldoende gras of graan. Daar draait alles om. In het eerste jaar ook geen ui, peen of aardappels telen, maar vochtonttrekkende gewassen als tarwe en suikerbiet.

 Perceel bij Biddinghuizen dat gediepploegd wordt. Zand is naar boven gekomen en de zware zavel is in diepere lagen terecht gekomen. 

Voorbeelden van diepploegen op bedrijven

We gaan kijken bij de Firma Breg aan de Zeebiesweg in Biddinghuizen.



Wintertarwe op een gediepploegd perceel bij de Firma Breg aan de Zeebiesweg in Biddinghuizen. Na de oogst is compost opgebracht.



De tarwe wortelt alleen zeer ondiep.



Aan de oppervlakte zijn regenwormen massaal bezig de compost de grond in te werken.


Wat hebben we gezien?
Na het diepploegen is een zeer humusarme grond ontstaan die zeer weinig wortels bevat. Aan de oppervlakte maken regenwormen een zeer mooie organischestofrijke grond met een goede structuur.

Hoe nu verder?
Dien regelmatig compost toe en teel organischestofleverende gewassen zoals tarwe of grassen. Dat de tarwe nu nog weinig wortels maakt geeft aan dat er nog een lange weg te gaan is.
Voor wie overweegt om te gaan diepploegen: denk goed na over de zeer arme grond die ontstaat. Regelmatig heeft men spijt van de keuze tot diepploegen.

Bodembedekking


Grote oppervlaktes liggen in de winter kaal. Voor de bodemstructuur is dit schadelijk. Vooral binnen het onderzoek naar Niet Kerende Grondbewerking wordt er gezocht naar oplossingen voor dit probleem.