Inhoud:

  1. Jonge beekeerdgronden
  2. Middengronden: de enkeergronden
  3. Oude pozolgronden
  4. Zeer oude veenkoloniale gronden

Zandgrond 1. Jonge beekeerdgronden

Landschap

Verspreid over het gehele zandgebied van Noord, Oost en Zuid-Nederland liggen langs beken en middelgrote rivieren de beekeerdgronden. Ze zijn ontstaan door ontginning van elzenbroekbos. Ze zijn direct gekoppeld aan beken en liggen daadoor in doorgaande laagten. Oorspronkelijk waren het hooilanden en zijn in het begin van de vorige eeuw in gebruik genomen. Elzen waren de oorspronkelijke dominerende bodem en deze worden nu overal nog aangetroffen. Door ruilverkavelingen is het landschap vaak sterk verandert. Het ontbreken van berken maakt onderscheid met de aangrenzende podzolgronden dan vaak nog mogelijk. Bij deze podzolgronden zijn berk en eik veelvoorkomende bomen.

Regionale verdeling

Zandgronden met een beekeerdprofiel worden verspreid over het gehele dekzandgebied van Noord- Oost en Zuid-Nederland aangetroffen. Soms bestrijken ze grotere aaneengesloten oppervlakten.

Het bodemprofiel

De bodem kent twee lagen: Een donkere bovengrond met een scherpe overgang naar een organische stofarme ondergrond. De bovengrond kan bruin of zwart zijn. De zwarte heeft minder gunstige eigenschappen dan de bruine; is meer smerend bij bewerking onder nattere omstandigheden. De zwarte beekeerdgronden komen het meest voor. In lager gedeelten gaan deze vaak over in veengronden. De bovengrond kan door afplaggen dun worden en door bemesten met plaggenmest juist ook dikker. De ondergrond heeft roestvlekken, vooral rond voormalige wortelgangen. Vooral de bruine zijn bij een goede ontwatering voor veel teelten te gebruiken. Gunstig is vaak de vochtlevering vanuit de ondergrond in de zomer.


Tak van de els

Beekeerdgronden komen voor in fijn lemig dekzand, in jonger, wat grover dekzand en in beekafzetingen met lemige lagen. Wortelgangen zijn meestal in de ondergrond aanwezig en deze zijn voor de vochtvoorziening van groot belang. Vooral bij het oudere dekzand is de laag onder de donkere bovengrond soms dicht en bevat geen wortelgangen. Ook roestvlekken komen dan weinig voor. Leemlagen kunnen de drainage bemoeilijken. Een goede ontwatering is dan van veel belang.

Landbouwkundige maatregelen

Gewassen

Deze bodems vereisen geen specifieke gewassen. Door lage ligging en slechte drainage zijn het late gronden.

Groenbemesters

Onderploegen van makkelijk verteerbare resten van groenbemesters is niet goed vanwege de kans op anaërobie in de grond.

Mest en compost

Gebruik van verse mest in minder gunstig omdat dan luchtgebrek op kan treden. Een rulle gecomposteerde vaste mest is hier beter op zijn plaats. Groencompost en GFT zijn hier vaak niet nodig omdat het organische stofgehalte voldoende hoog is.

Bodembewerking

De laag onder de bouwvoor bevat weinig organische stof en kan door gebruik van machines verdichten. Losmaken is vaak niet wenselijk omdat de van nature aanwezige poriën verstoord worden en het effect uiteindelijk negatief is. Zijn deze poriën niet aanwezig of is de ondergrond door machines extreem verdicht en zijn regenwormen niet voldoende actief dan kan woelen van de ondergrond noodzakelijk zijn.

Sleufdrainage waarbij de sleuf wordt gevuld met grof drainagezand kan de kwaliteit van deze bodems sterk verbeteren.

Fig. De ondergrond van een beekeerdgrond is meestal toegankelijk voor wortels. Rond de wortels ontstaan roestvlekken

2. Middengronden: de enkeergronden

Landschap

Enkeerdgronden zijn door jarenlang gebruik van zandhoudende plaggenmest tenminste 50 cm opgehoogd. Sommige zelfs tot ca 1 m. Hierdoor liggen ze als verhoging in het landschap. Vaak zijn ze oorspronkelijk op wat hogere ruggen aangelegd en wordt door de ophoging het oorspronkelijk reliëf versterkt.

Enkeerdgronden lagen altijd in de buurt van boerderijen. Vaak zijn het toch wel grotere open gebieden van aaneengesloten akkers. Soms zijn ze kleiner, de zogenaamde ‘eenmansessen’. Ook liggen ze wel als een ring rond stuwwallen.

Goed ontwikkelde eiken overheersen in het gebied van de enkeerdgronden langs wegen en op de brink. Linde, beuk en fruitbomen worden ook veel aangetroffen.

Enkeerdgrond bij Junne (Ov.)

Regionale verdeling

Enkeerdgronden worden in het gehele zandgebied van Noord- Oost- en Zuid-Nederland aangetroffen. Als namen komen voor: es, eng, enk en veld.

Bodemprofiel

De enkeerdgronden zijn ontstaan door ophoging met plaggenmest. Dit wil nog niet zeggen dat ze nu een goede bodemvruchtbaarheid hebben. Binnen de enkeerdgronden komen de meest uiteenlopende typen voor.

Het merendeel is opgebouwd met plaggenmest dat strooisel van de heide bevat. Dit is een zwarte organische stof met minder gunstige, wat smerende, eigenschappen. Vooral wanneer het organische stofgehalte laag is hebben ze de neiging tot verdichting onderin. Ook kan het vochthoudend vermogen, vooral bij een beperkte bewortelingsdiepte, beperkt zijn.

Werd het strooisel uit een beekdal gehaald dan zijn ze vaak bruin van kleur. Bevatten ook vaak wat leem en kunnen bij een voldoende activiteit van regenwormen zeer goede gronden zijn met een goede bewortelingsdiepte en een ruim vochthoudende vermogen. Bruine enkeerdgronden kunnen ook ontstaan zijn door gebruik van bosstrooisel.

Landbouwkundige maatregelen

Gewassen

Omdat de organische stofgehalten vaak laag zijn, zijn organische stof opbouwende gewassen (grassen en granen) van veel belang.

Groenbemesters

Klavers en andere stikstofrijke groenbemesters zijn hier van belang en onderhouden de bodemstructuur. Daarnaast zijn ook organische stof opbouwende groenbemesters van belang.

Mest en compost

Composteren van mest is hier niet wenselijk. alleen bij een zeer slechte structuur kan dit wenselijk zijn. Humusopbouwende compost is ook wenselijk op deze gronden.

Bodembewerking

Losmaken van de ondergrond is soms nodig. Alleen uitvoeren na een profielbeoordeling want vaak zijn deze gronden voldoende los in de ondergrond. De enkeerdgronden hebben binnen de zandgronden de meeste pendelende wormen. De wormgangen maken een diepe doorworteling mogelijk en verhogen de beschikbaarheid aan vocht. Diep losmaken kan de wormgangen verstoren.

3. Oude podzolgronden

Landschap

Podzolgronden zijn meestal nog niet zo lang in cultuur. Wanneer dit wel het geval is hebben ze een dik donker cultuurdek en heten ze enkeerdgronden. Omdat ze nog niet zo lang in cultuur zijn, zijn de restanten van de oorspronkelijk vegetatie bijna altijd nog aanwezig. Het meest opvallende is de berk. Deze ontbreekt bij de ook in dit landschap voorkomende beekeerdgronden en wordt bij de enkeerdgronden ook zeer weinig aangetroffen. Langs percelen en in bossen wijst deze boom op de aanwezigheid van podzolgronden.

De oudste ontginningen van de huidige podzolgronden zijn enkele honderden jaren oud. Dit zijn vaak nederzettingen in de buurt van de dorpen met enkeerdgronden. Hier werd met plaggenmest gemest en bij deze bemestingswijze neemt de donkere bovenlaag per jaar met ca 1 mm in dikte toe. Bij een gebruikelijke dikte van 30 tot 50 cm is de grond dus 300 tot 500 jaar in cultuur. Deze gronden heten laarpodzolgronden. Ze komen over het gehele zandgebied voor. Naast de genoemde berk treffen we hier ook vaak wat zwaardere eiken langs wegen en percelen aan. De verkaveling is vaak een rechthoekig blok en in Friesland een strokenverkaveling met houtwallen langs de percelen.

De overige podzolgronden zijn onder te verdelen in droge en natte. Gemeen hebben ze dat beide vooral in het begin van de vorige eeuw zijn ontgonnen. Ze hebben daarom nog geen dikke donkere bovengrond, mede ook omdat kunstmest de dominerende bemesting was. De ontgonnen gebieden waren uitgestrekte heidevelden en het landschap is na ontginning nog steeds open met lange rechte wegen. Bij de droge podzolen zien we langs percelen en in bossen berk, eik en den. Bij de natte veel minder omdat deze gronden die vaak de overgang naar veengebieden waren of ooit zelf een veendek bevatten van nature geen bos als begroeiing hadden, maar een natte vegetatie met dopheide, veenbies en pijpestrootje.

Regionale verdeling

In het zandgebied van Noord-, Oost-en Zuid-Nederland zijn podzolgronden het overheersende bodemtype.

Het bodemprofiel

Binnen de podzolgronden is er variatie in dikte van de donkere bovengrond, in de mate van verdichting van de laag onder de bouwvoor en in de aard van de ondergrond. Verder kan de grondwaterstand wisselen en er kunnen afwijkende lagen voorkomen, zoals keileem.

De donkere bovenlaag kan wisselen in dikte en maximaal 50 cm dik zijn. In het noorden van het land is de organische stof vaak zwart . In het zuiden ook vaak bruin. De gronden met een zwarte bovenlaag hebben meest hogere organische stofgehalten dan de bruine. Dit moet niet zonder meer als positief worden gezien. De zwarte organische stof is meest van zeer hoge ouderdom en ter plekke ontstaan of met plaggenmest aangevoerd. Deze organische stof wordt niet meer door het bodemleven omgezet en levert geen bijdrage aan dat deel van de bodemvruchtbaarheid die aan het bodemleven moet worden toegeschreven. Bij droogte treedt makkelijk verstuiving op. De bodemstructuur is vanwege deze organische stofsoort vaak een probleem. De gronden met een bruine organische stof zijn veel makkelijker te bewerken en intensieve groenteteelt wordt vooral op deze bruine gronden aangetroffen.

De ondergrond is van nature verdicht en moet mechanisch losgemaakt worden. De hoger gelegen podzolgronden zijn sterker verdicht dan de lager gelegen natte podzolen. Bij de hoger gelegen podzolen is de organische stof in horizontale banden ingespoeld. Bij de lager gelegen is de inspoelingslaag veel homogener bruin van kleur.

De ondergrond van de hoger gelegen podzolen is alleen na een mechanische grondbewerking doorwortelbaar. Het loswoelen moet na een aantal jaren meestal herhaald worden. Bij een voldoende aanvoer van organische stof kunnen pendelende regenwormen zich goed ontwikkelen en de ondergrond loshouden. Woelen van de ondergrond is dan niet meer nodig. Een profielstudie geeft dit direct aan.


Pendelende wormen maken de beworteling van de ondergrond mogelijk op een podzolgrond bij Vorden in de Achterhoek

Wormgangen van pendelende wormen met wortels van zomertarwe

De meeste natte podzolen laten in de laag onder de bouwvoor donkeer spikkels zien. Dit zijn resten van pijpestrootjewortels van voor de ontginning. Soms zijn deze gangen nu nog door landbouwgewassen te gebruiken. De natte podzolen zijn ook minder vast dan de droge en de noodzaak tot woelen is om deze redenen niet altijd aanwezig. Bij de meerderheid moet ook bij de natte podzolen woelen de ondergrond voor wortels toegankelijk maken.

Aandacht voor een goede pH op deze van oorsprong zure en steeds weer verzurende gronden is van veel belang.

Wanneer keileem in de ondergrond aanwezig is treffen we meest natte podzolen aan. Ook wanneer de grond wat hoger gelegen is. De keileem verhindert de waterafvoer naar beneden. De ondergrond van gronden in keileemgebieden is moeilijk te verbeteren. Bodemverbetering moet zich op de bovengrond richten.

Landbouwkundige maatregelen

Gewassen

Omdat de organische stofgehalten vaak laag zijn, zijn organische stof opbouwende gewassen (grassen en granen) van veel belang. Ook bij hogere organische stofgehalten kan het zijn dat de zwarte organische stof overheerst en toch aanvoer van omzetbare organische stof nodig is. Het is van belang dat de grond in de winter bedekt is, bijvoorbeeld met een groenbemester.

Groenbemesters

Klavers en andere stikstofrijke groenbemesters zijn hier van belang en onderhouden de bodemstructuur. Daarnaast zijn ook organische stof opbouwende groenbemesters van belang.

Mest en compost

Composteren van mest is hier niet wenselijk. alleen bij een zeer slechte structuur kan dit wenselijk zijn. Humusopbouwende compost is ook wenselijk op deze gronden.

Bodembewerking

Losmaken van de ondergrond is vaak nodig. Herhaling alleen uitvoeren na een profielbeoordeling.