inhoud:

  1. De zeer jonge kleigronden van de Flevopolders.
  2. De jonge kleigronden van het zeekleigebied van Zuidwest-, West- en Noord-Nederland.
  3. De middengronden van de Betuwe
  4. De oudere ontkalkte kleigronden
  5. De oude ontkalkte kleigronden
  6. De zeer oude ontkalkte kleigronden

Kleigrond 1: De zeer jonge kleigronden van de Flevopolders

Landschap

Het landschap van de Flevopolders is in sterke mate door de mens bepaald. Beplanting langs wegen en diverse natuurgebieden bepalen naast uitgestrekte open gebieden het beeld. De wegen- en kavelstructuur is strak en grootschalig. Hoewel het niet direct zichtbaar is helt het oppervlak van de polders vanaf de voormalige kust van Overijssel en Gelderland naar het westen van 1 à 2 m –NAP tot 4 à 4,7 m –NAP.

De natuurlijke vegetatie op dit soort gronden bestaat onder meer uit es en iep. Vooral de essen zijn in grote getale aangeplant en samen met de natuurlijke ondergroei ontstaat een specifiek landschapsbeeld.

Bij de bossen zien we dat de groei in het voorjaar traag op gang komt. Bij diverse boomsoorten, onder meer de populieren is tijdelijk een licht rode kleur aanwezig. In de ondergroei domineert vaak de brandnetel. Deze ontwikkelt zich aanvankelijk uitbundig om in de loop van september voor een groot deel af te sterven Ook veel bomen, vooral populieren laten al vrij vroeg,in september, veel blad vallen. Herfstkleuren zijn nauwelijks en in sommige jaren vrijwel niet aanwezig. Het blad valt bruin of groen op de grond. Hier verteert het al voor een groot deel tijdens de winter. De strooisellaag is daarom vaak dun. Het makkelijk verterende blad wordt al snel door de regenwormen opgenomen.

 

Regionale verdeling

De Flevopolders bestaan uit onderwaterafzettingen. In de Noordoostpolder is de bouwvoor gemiddeld wat lichter dan in oostelijk Flevoland, waar deze in westelijke richting geleidelijk zwaarder wordt. Naar beneden toe worden de gronden lichter van textuur. Alleen in de omgeving van Schokland, Urk, ten noordwesten van Tollebeek en tussen Emmeloord en Marknesse komt in de Noordoostpolder veen binnen 120 cm voor. Dit is ook het geval in Oostelijk Flevoland ten westen en ten zuiden van Ketelhaven. Hier komen zelfs enkele gebieden met veengronden voor. Langs de oostelijke rand van de Noordoostpolder ligt uiterst fijn lutumarm materiaal met een zaveldek.

Bodemprofiel

De bouwvoor bevatte na inpoldering relatief veel makkelijk verteerbaar organisch materiaal. Samen met de kalkrijkdom geeft dit vaak een goede bodemstructuur. Na verloop van tijd verteert deze makkelijk verteerbare organische stof en wanneer er weinig aanvoer van verse organische stof is daalt het organische stofgehalte en ontstaan er structuurproblemen. Onder de bouwvoor treffen we in het algemeen gelaagd materiaal aan. De lagen kunnen het gevolg zijn van de afwisseling van wat zandiger en wat zwaarder materiaal, maar vooral dieper in het profiel kan donker gekleurd materiaal (rijker aan organische stof) de gelaagdheid veroorzaken. Dit is organische stof uit het voormalige veengebied.


Verdichte bouwvoor met blauwe luchtarme (anaerobe) gedeelten

Hoewel de oorspronkelijke gelaagdheid in de Flevopolders nog aanwezig is, is de laag wel doorwortelbaar. Dit is te danken aan poriën die onder meer door de rietgroei bij de ontginning zijn gevormd of bij de zwaardere gronden komt het door scheurvorming bij het indrogen. De doorwortelbaarheid van de laag onder de bouwvoor is van groot belang voor vochtaanvoer uit de ondergrond. De gronden zijn vanwege deze poriën goed opdrachtig. Verder spelen deze poriën ook een belangrijke rol bij de afvoer van water in natte perioden. Door werken met zware machines onder natte omstandigheden kan de laag onder de bouwvoor verdichten waardoor beworteling naar de ondergrond moeilijker wordt en daarmee de vochtaanvoer. Verticaal gravende regenwormen (pendelaars) kunnen de laag doorboren en van essentieel belang zijn om beworteling naar diepere lagen mogelijk te maken.

Landbouwkundige maatregelen

Gewassen

Organische stof opbouwende gewassen (grassen en granen) zijn van groot belang. Diepwortelende gewassen (bijv. granen) ook, want de ondergrond moet meer organische stof en bodemleven gaan bevatten.

Groenbemesters

Klavers en andere stikstofrijke groenbemesters zijn hier van belang en onderhouden de bodemstructuur. De bodemstructuur is evenwel niet de zwakste kant van deze gronden en humusopbouwende groenbemesters zoals gras en graan verdienen de voorkeur.

Mest en compost

Gecomposteerde vaste mest verdient de voorkeur boven verse. Verse kan anaerobe plekken in de grond veroorzaken.
Humusopbouwende compost is ook wenselijk op deze gronden.

Bodembewerking

Losmaken van de ondergrond is in het algemeen niet wenselijk. Losmaken van een eventuele verdichte laag onder de bouwvoor verergert vaak de problemen. Per situatie beoordelen hoe groot het probleem is. Verticaal levende regenwormen kunnen van groot belang zijn. Alleen bij zeer grote problemen is loswoelen van de verdichte ondergrond wenselijk. Dit moet dan onder droge omstandigheden gebeuren.

Kleigrond 2. De jonge kleigronden van het zeekleigebied van Zuidwest-, West- en Noord-Nederland.

Landschap

De ontstaanswijze en de datum van ontginning van deze gronden variëert sterk maar het landschap vertoont in de verschillende gebieden toch veel overeenkomsten. De gronden zijn bijna alle ontstaan door inpoldering. Dit inpolderen had ten doel de grond voor landbouw in gebruik te nemen. En landbouw is het hoofdgebruik op deze gronden. De natuurlijke vegetatie op dit soort gronden wordt vrijwel niet aangetroffen. De natuurlijke vegetatie op deze gronden bestaat onder meer uit iep en es. Deze zijn ook veel aangeplant en bestempelen zo het karakter van het gebied passend bij de bodem. Daarnaast zijn populieren veel aangeplant. De oudste polders zijn al rond 1150 na Chr. ontgonnen; de jongste in Groningen en Friesland vrij recent. Akkerbouw is het belangrijkste gebruik. Weidebouw wordt onder meer in Friesland ook wel aangetroffen.

Regionale verdeling

Bijna alle jonge zeekleigronden zijn afgezet in een gebied waar ooit veen de dominerende afzetting was. Omdat de gronden dicht bij de kust liggen is het veen vaak geheel verdwenen of alleen op grotere diepte aanwezig. Daar waar de afzetting op een bestaand veengebied plaatsvond is het materiaal tijdens de afzetting ontkalkt en behoort tot de kalkloze kleigronden die elders beschreven worden.

In Zeeland zijn de gronden in een schorrengebied ontstaan en zijn dan echte zeekleigronden. Daarnaast zijn er ook afzettingen in een gorzengebied geweest en zijn dan onder zoete of brakke omstandigheden afgezet. Waar de klei op veen is afgezet is het veen vaak ingeklonken en liggen de kreken, waar het veen is weggeslagen nu hoger in het landschap dan de gebieden ertussen.


Zuid-Beveland

In Noord-Holland is een onderscheid te maken tussen kleigronden die later door veen zijn bedekt en gronden die altijd aan de oppervlakte lagen. In droogmakerijen zijn deze kleigronden vaak weer aan de oppervlakte gekomen en vaak nog kalkrijk. Soms rijk aan organische stof, soms ook arm aan organische stof. In het noordwesten van Noord-Holland treffen we veel jonge zeeklei aan., kalkrijk, organische stof arm en vaak zandig. In West-Friesland zij ook veel gronden nooit door veen bedekt, maar gedurende lange tijd begroeid en daardoor organische stofrijk. Deze woudeerdgronden worden nu voor groenteteelt gebruikt.

Typisch voor Groningen en Friesland zijn de kwelderwalgronden. Deze ontbreken in het Centrale en zuidelijke zeekleigebied. Deze kwelderafzettingen zijn in het algemeen kalkrijk, maar de oudere, meer in het binnenland gelegen soms tot 50 cm diepte ontkalkt.

Enkele boezems (Middelzee, Lauwersboezem en Dollardboezem) zijn gedeeltelijk met kalkrijke en gedeeltelijk met kalkarme klei opgevuld.



Bodem onder een groenbemester na tarwe. In de bovenste centimeters een goede structuur, maar daaronder wordt deze minder en gaan scherpblokkige elementen overheersen.

Het bodemprofiel

De klei van de jonge zeekleigronden is bezonken in een vegetatie van schorren en kwelders en wortels en andere plantenresten en de activiteit van gravende dieren hebben een poreuze massa achtergelaten. Door deze poriën kunnen de wortels het grondwater bereiken en ook in de zomer vindt nalevering van vocht uit de ondergrond plaats. Deze poreuze laag met de zogenaamde sponsstructuur is evenwel zelden nog aanwezig in de laag direct onder de bouwvoor. De oogstmachines in de herfst hebben een verdichte laag van bijv. 25 tot 40 cm diepte veroorzaakt. Voor de beworteling is deze laag sterk remmend. De beworteling concentreert zich op de bouwvoor en een beperkt aantal wortels bereiken de grondwaterzone.

Doordat de gronden jong zijn is in de laag onder de bouwvoor nog weinig toelevering van organische stof geweest en weinig homogenisering door het bodemleven.

De bovengrond is steeds goed gerijpt. De ondergrond niet steeds. Hier kan zich ook organische stof bevinden dat onder de luchtarme omstandigheden naar beneden gespoeld nitraat omzet in stikstofgas, waardoor het beperkt in de drainbuis wordt aangetroffen. Het kalkgehalte kan sterk wisselen en wordt bepaald door het kalkgehalte van de afzetting en door de mate van ontkalking na afzetting. Het organische stofgehalte is gekoppeld aan de zwaarte en aan het bodemgebruik in het verleden. Een organische stofgehalte van 1% bij 5% lutum tot 6% bij 30% lutum is een normaal traject.

Wanneer onder de bouwvoor een zandlaag wordt aangetroffen wordt verdroging in de zomer een probleem. Vooral in Zeeland komen deze zandplaatgronden voor.


Bodem Zeeuws-Vlaanderen

Landbouwkundige maatregelen

Gewassen

Organische stof opbouwende gewassen (grassen en granen) zijn van veel belang. Diepwortelende gewassen (bijv. granen en luzerne) ook, want de ondergrond moet meer organische stof en bodemleven gaan bevatten

Groenbemesters

Klavers en andere stikstofrijke groenbemesters zijn hier van belang en onderhouden de bodemstructuur. Daarnaast zijn ook organische stof opbouwende groenbemesters van belang.

Mest en compost

Gecomposteerde vaste mest verdient de voorkeur boven verse. Verse kan anaerobe plekken in de grond veroorzaken.
Humusopbouwende compost is ook wenselijk op deze gronden.

Bodembewerking

Losmaken van de ondergrond is in het algemeen niet wenselijk. Losmaken van een eventuele verdichte laag onder de bouwvoor verergert vaak de problemen. Per situatie beoordelen hoe groot het probleem is. Alleen bij zeer grote problemen is losmaken nodig Verticaal levende regenwormen kunnen van groot belang zijn. Krijgen deze via gewasresten, groenbemesters, mest en compost voldoende te eten dan maken deze een eventueel verdichte onderlaag in voldoende mate los.

Kleigrond 3: de middengronden van de Betuwe

Landschap

Het rivierkleigebied omvat vooral de afzettingen van Rijn, Maas en IJssel. Globaal is het onder te verdelen in wat hoger gelegen stroomruggronden en lager gelegen komkleigronden. Op de kalkhoudende gronden van de eerste groep wordt nu ingegaan, de tweede groep wordt behandeld bij de kalkloze kleigronden.

De goed ontwaterde rivierkleigronden zijn al lange tijd in cultuur. In de Romeinse tijd zijn ze al vaak in cultuur geweest. Daarna zijn ze weer verlaten omdat rond 1000 na Chr. de invloed van hoge waterstanden te sterk werd. Na 1200 begon de bedijking in het gebied en sindsdien is er steeds een vegetatie op geweest, voornamelijk akkerbouw en fruitteelt. Het verkavelingtype is de blokverkaveling, wat een specifiek landschapsbeeld oplevert. Dit heeft enige overeenkomst met dat van de enkeerdgronden van het zandgebied, waar de blokverkaveling ook het gebruikelijk verkavelingtype is. Beide landschappen zijn in dezelfde periode ontstaan.

De blokverkaveling drukt zijn stempel op het landschap. Rond de kavels liggen vaak houtwallen. Verspreid liggen en bossen of bosachtige gebieden in het landschap. Es, eik, beuk, linde en veel soorten fruitbomen geven een zeer divers landschapstype dat sterk door de mens beïnvloed is, maar een nauwe band heeft met de vegetatie die van nature op dit soort gronden thuishoort.

Regionale verdeling

De kalkhoudende rivierkleigonden liggen vooral in de Betuwe en langs de IJssel. In Utrecht en langs de Maas onder Venlo zijn ze kalkloos.

Het bodemprofiel

Vele honderden jaren begroeiing betekent lange tijd aanvoer van organisch materiaal en daarmee vele honderden jaren van vorming van humuszuren, vertering door het bodemleven van het organische materiaal en vele honderden jaren productie van koolzuur bij het ademingsproces van het bodemleven. Deze zuren lossen de kalk op en onvermijdelijk spoelt er calcium uit. Deze afname van het kalkgehalte vermindert het sterke mineraliserende karakter van een grond en geeft meer ruimte voor humusopbouw. Deze humusopbouw vindt niet alleen in de bovenlaag plaats, maar ook dieper in de grond. Regenwormen en mollen homogeniseren na verloop van tijd het profiel tot grotere diepte, vaak tot 90 cm diepte.

Een humushoudende grond met een goede bewortelingsmogelijkheid tot wat grotere diepte is het gevolg. Mineralen die in de winter naar een diepere laag spoelen kunnen in de zomer voor een deel weer door de wortels worden opgenomen. Er ontstaat als het ware een kringloop in het profiel.

De bodemvorming op de geschetste wijze is het meest uitgesproken wanneer de gronden langere tijd onder boomgaard liggen en een grasbegroeiing hebben. Dit soort gronden behoren vanuit landbouwkundig gezichtspunt bezien tot de mooiste van de wereld.

Typisch voor de gronden is de kaliumfixatie. Kalium wordt door kleideeltjes gefixeerd en komt moeilijk meer vrij. Vooral op de zwaardere gronden treedt dit op. Onderin het profiel komen roestvlekken voor. Vaak gaan deze gepaard met zwarte concreties. Deze zwarte concreties lijken op organische stof, maar zijn het niet. Het zijn mangaanhoudende concreties.

Landbouwkundige maatregelen

Gewassen

Bijzondere maatregelen om eenzijdigheden op te heffen zijn hier niet nodig.

Groenbemesters

Ook wat betreft groenbemesters zijn geen bijzondere maatregelen nodig.

Mest en compost.

Wanneer de bodemstructuur door bijvoorbeeld te intensieve mechanische bewerking minder goed is, is het van belang geen verse, maar gecomposteerde mest te gebruiken. Bij een goede bodemstructuur is dit minder van belang. Plantaardige compost is hier in het algemeen niet op zijn plaats.

Bodembewerking

Losmaken van de ondergrond maakt het probleem in het algemeen groter dan het was. Stimulering van de regenwormen is een belangrijk hulpmiddel. Op deze gronden komen veel pendelende regenwormen voor. Teel gras en groenbemesters om ze te onderhouden.

Kleigrond 4. De wat oudere, ontkalkte kleigronden

Landschap

Kalkloze kleigronden zijn minder makkelijk te bewerken, vooral wanneer de grondwaterstanden hoog zijn. Om deze reden zijn ze vaak nog niet zo lang in cultuur omdat de ontginning pas later mogelijk werd. Hooiland was voor de in cultuur name een belangrijk bodemgebruik.

De ontstaanswijze en daarmee de bodemopbouw varieert sterk in de verschillende delen van Nederland. Bij het landschap is de variatie veel geringer. Grasland is het overheersende gebruik. Strokenverkaveling het overheersende verkavelingstype en els, wilg en populier de overheersende boomsoorten.

Komklei in de Betuwe

Regionale verdeling

Kalkloze kleigronden zijn afgezet in een moerasachtig gebied wat verder van de zee of de rivier. In Zeeland vormen ze de kern van enkele eilanden. Soms is veen in de ondergrond aanwezig. In Noord-Holland, Friesland en Groningen treffen we kalkloze kleigronden met de naam van respectievelijk pik-, knik- en knipklei. Deze zijn onder brakke omstandigheden in een rietmoeras ontstaan en hebben zee dichte structuur in de ondergrond. In het rivierkleigebied zijn grote oppervlakten met komkleigronden die naar het westen overgaan in klei-op-veengronden.

Het bodemprofiel

De gronden zijn in het algemeen zwaar tot zeer zwaar van textuur en vertonen in de zomer scheurvorming. Eventuele verdichte lagen worden hierdoor doorbroken. Beworteling naar de grondwaterzone is door deze scheuren mogelijk. Dit is belangrijk omdat de zware klei van de bovengrond het vocht stevig bindt en maar een beperkt vochtleverend vermogen heeft. Een ander effect van de scheuren is dat er vanuit de bovengrond grond in kan vallen. Bij het dichtzwellen in de herfst en winter heeft dit tot gevolg dat er een extra verdichting optreedt. De bodemstructuur in de ondergrond is hierdoor vaak zeer dicht. De kwaliteit van de grond wordt in sterke mate bepaald door de bodemstructuur van de bovengrond. Soms zijn er na 5 cm diepte al geen wortels van betekenis meer aanwezig. Soms is er op 30 cm diepte nog een actieve beworteling. De dikte van de laag met een betere structuur valt af te lezen aan de structuurelementen en de intensiteit van de beworteling. Op de knipkleigronden wordt de betere bovenlaag de bruunlaag genoemd.

Landbouwkundige maatregelen

Gewassen

Naast gras wordt soms mais verbouwd. Indien de bodembewerking zorgvuldig gebeurt, kan dit een positieve invloed op de bodemstructuur hebben.

Groenbemesters

Bij een goed beheer van pH, en fosfor- en kaliumvoorziening kan een redelijke klavergroei plaatsvinden.

Mest en compost

Gecomposteerde vaste mest verdient de voorkeur boven verse. Dunne mest zo oppervlakkig mogelijk inbrengen. Humusopbouwende compost is niet nodig.

Bodembewerking

Wanneer de grond nog te nat is kan inscharen van vee of berijden een duidelijke negatieve invloed op de bodemstructuur hebben. De gronden zijn hiervoor zeer gevoelig. Een goede ontwatering is op deze gronden zeer belangrijk. Ook de pH moet niet te laag worden, niet onder pH-KCL 5,0.


Recent geploegde komkleigrond in de herfst


Dezelfde grond in het voorjaar en nu goed te bewerken



Kalkloze klei aanvankelijk sterk verdicht, maar na gebruik van champignonmest door wormen losgemaakt


In de gedeeltelijk anaerobe laag op 80 cm diepte heeft een regenworm een verticale gang gemaakt waardoor deze toegankelijk voor wortels is geworden.

Kleigrond 5. De oude ontkalkte kleigronden

Landschap

De gronden waar kleideeltjes naar beneden zijn gespoeld naar 40-80 cm diepte heten brikgronden. Dit uitspoelen van kleideeltjes kan alleen op goed ontwaterde gronden. Door deze goede ontwatering zijn de gronden al lange tijd in cultuur. We hebben met oude landschappen te maken met een verkavelingstype, de blokverkaveling die vaak dateert uit het begin van de jaartelling. Dorpen, oud geboomte en kastelen bepalen het karakter van de streek met de brikgronden.

Regionale verdeling

Brikgronden komen voor in oudere rivierafzettingen rond Montferland en langs de Maas en verder in de loessgronden van Zuid-Limburg.

Bodemprofiel

Wanneer rivierkleigonden of loessgronden na langere tijd ontkalkt raken en daarna zeer zuur worden verdwijnt de stabiliteit uit de grond en gaan de kleideeltjes uitspoelen. De bovenlaag wordt zandiger en de laag op 40 tot 80 cm diepte kleiiger. De verminderde stabiliteit uit zich in toenemende gevoeligheid voor erosie. Bij gronden die op een helling van tenminste 2% liggen is de zandiger bovenlaag in het algemeen verdwenen en ligt de zwaardere inspoelingslaag aan de oppervlakte. Bij een helling van tenminste 8% gaat ook de inspoelingslaag eroderen. De erosiegevoeligheid wijst er al op de gronden door de ontkalking hun stabiliteit zijn verloren. Hierdoor zakt de bouwvoor makkelijk in komen structuurproblemen vaak voor. De laag onder de bouwvoor kan makkelijk zo dicht worden dat de ontwatering een probleem wordt en de beworteling zich beperkt tot de bouwvoor.

De ondergrond is vaak wel los gemaakt door pendelende regenwormen. Bij zwaardere inspoelingslagen treedt scheurvorming op in een droge zomer en wordt verdichting van deze laag tegengegaan.


Drempt, Achterhoek, verslemping

Lanbouwkundige maatregelen

Gewassen

Gewassen die humus opbouwen en een intensief wortelstelsel hebben zijn op deze gronden van belang. Dit zijn bijvoorbeeld grassen en granen.

Groenbemesters

Vooral humusopbouwende groenbemesters horen hier thuis.

Mest en compost

Bodemleven en bodemstructuur kunnen hier met gecomposteerde vaste mest het beste onderhouden of verbeterd worden. Plantaardige composten kunnen aanvullend van belang zijn.

Bodembewerking

Bodembewerkingen onder te natte omstandigheden moeten zoveel mogelijk vermeden worden. Losmaken van de ondergrond is vaak nodig. Wel eerst goed de profielopbouw beoordelen. Wanneer regenwormen of op zwaardere gronden scheurvorming de ondergrond open houden is woelen van de ondergrond niet gewenst. De pendelende regenwormen die de ondergrond loshouden kunnen gestimuleerd worden door teelt van groenbemesters en gras. In de winter moet de grond bij voorkeur bedekt gehouden worden om erosie te voorkomen. Door niet te diep te ploegen (niet dieper dan ca 20 cm) blijft de organische stof bovenin en kan deze beter de bodemstructuur onderhouden.

Kleigrond 6. De zeer oude ontkalkte kleigronden

De zeer oude ontkalkte kleigronden. Ze bestaan nog niet. De oudste gronden in Nederland zijn zo'n 10.000 jaar oud en dat is voor bodems eigenlijk helemaal niet zo oud. Toch is het wel interessant om in te schatten wat er op langere termijn met Nederlandse kleigronden gebeurt. Die inschatting is wel mogelijk omdat in Ierland en Noorwegen waar de processen in bodems sneller gaan al wat te zien is over lange termijnontwikkelingen. Bij de brikgronden zagen we dat de klei uitspoelt en de kleigrond op lange termijn richting zandgrond gaat. In Ierland en Noorwegen zien we dan dat er humus uit gaat spoelen en er een podzolgrond ontstaat. Ook in Nederland is in oude kleigronden al na 10.000 jaar enige uitspoeling van humus waargenomen (mondelinge mededeling Ir. K.J. Hoeksema, voormalig medewerker WUR). Het landschap op deze gronden zal veel gelijkenis hebben met het landcshap dat we nu op de droge zandgronden aantreffen: eik, beuk, berk en misschien ook heide.
Is nu de hele ontwikkeling rond? Er is mogelijk nog een volgende fase. Door inspoeling van klei en humus kan de grond zo sterk verdichten dat het water niet meer afgevoerd kan worden. Er kan dan veenvorming ontstaan. Er ontstaat een hoogveen. Begon de ontwikkeling met klei dat vrijwel geen organische stof bevatte, werd de bodem vruchtbaarder doordat klei en organische stof in een onderlinge wisselwerking kwamen, tenslotte wint de plant en zijn er alleen plantenresten aan de oppervlakte.