Bodems ontstaan door afzettingen van wind of water of onstaan ter plekke (veen), Wanneer er planten op gaan groeien verandert de bodem hierdoor sterk. Het wenselijke bodembeheer verandert ook. Wat op een jonge bodem goed is kan op een oudere bodem juist slecht zijn.

Hieronder een beschrijving van een aantal ontwikkelingen bij zand en klei.
Allereerst een impressie:

Bij mensen is de leeftijd belangrijk. Iedere leeftijd heeft zijn beperkingen en mogelijkheden. Aan een kleuter moet je niet vragen een bedrijf te leiden en aan een bejaarde moet je niet vragen 100 meter in 10 seconden te af te leggen. In de leeftijden tussen deze extremen zijn er meer mogelijkheden. Heel apart is dat bij bodems eigenlijk iets vergelijkbaars is te zien. Gronden die kort geleden door rivier, zee of wind zijn afgezet, hebben bepaalde landbouwkundige beperkingen. Gronden waar al heel lang planten op groeiden, hebben weer heel andere beperkingen. Nederland is een uniek land om dit te ervaren. Een uitvoerige behandeling van het thema ontwikkelingen van landschappen en bodems vindt u in het boek Bodem onder het Landschap van Jan Bokhorst, uitgegeven door Roodbont (www.roodbont.nl)

De bodem

Wanneer een zand- of kleigrond door wind of water wordt afgezet bestaat het materiaal uit onder meer zand- en kleideeltjes en bevat naast kiezel een groot aantal andere mineralen. Een van deze mineralen is kalk (o.a. uit schaal- en schelpdieren). Deze kalk kan wel meer dan 10% van het gewicht van de grond uitmaken.
Wanneer de grond nu voldoende ontwaterd is omdat deze door opslibbing steeds hoger is komen te liggen, kunnen er planten op groeien. De resten daarvan blijven in de grond achter, worden door bodemleven verteerd of omgezet in stabiele humus. De bodem wordt daardoor steeds vruchtbaarder. Voorbeelden hiervan zijn de vruchtbare kleigronden in Noord-Holland (koolteelt) en de Betuwe. Op het zand staan de rijkere bossen aan de binnenduinrand op gronden die door aanreiking van organische stof steeds vruchtbaarder zijn geworden.
Wordt een grond nu ouder dan verdwijnt alle kalk en gaat de bodemkwaliteit achteruit. De grond wordt zuur en verdicht. Op kleihoudende gronden gaat dit proces heel langzaam en in Nederland zien we dat alleen plaatsvinden in de Achterhoek en op de löss-gronden van Zuid-Limburg. Op het zand gaat het sneller en hierdoor zijn daar heel veel van deze ‘oude’ gronden te vinden. Voorbeelden daarvan zijn de gronden van heidevelden die, door het verdwijnen van kalk, arm en verdicht zijn geworden en daarmee vaak niet meer aantrekkelijk voor landbouw.

Het landschap

De grote veranderingen in de bodem zijn veroorzaakt door de vegetatie, maar de veranderende bodem heeft zelf ook weer grote gevolgen voor deze vegetatie. We kunnen dit zien op die plaatsen waar de mens weinig of geen invloed heeft gehad.
Wanneer we naar kleigronden kijken zien we in het begin vaak een begroeiing met veel riet. Daarna komen de eerste bomen: wilg of els. Dan de es, en vervolgens eik, beuk en linde. Wordt de grond zuurder dan blijft alleen de eik over, maar naast de eik verschijnen al snel berk en naaldbomen.
In de ondergroei zien we in het begin brandnetel en kleefkruid overheersen. Later komen er een rijke kruidenvegetatie en ook veel heesterachtige planten voor. Nog later bij het ouder worden van de grond vereenvoudigt de vegetatie weer en blijven onder meer braam, buntgras en bosbes over.

De kleigrond

In onderstaande figuur is de ontwikkeling van bodem en vegetatie van een kleigrond samengevat. In het begin een beperkt aantal soorten planten en een humusarme bodem. Dan een rijkere bodem en een grote diversiteit aan planten. Tenslotte een achteruitgang van de bodem en ook een geringere diversiteit. Het laatste deel van de ontwikkeling van de kleigrond is ingeschat omdat er in Nederland nu eenmaal geen kleigronden zijn die ouder dan 10.000 jaar zijn.

De zandgrond

De zandgronden ontwikkelen zich veel sneller dan kleigronden. Bij duinzandgronden is dat heel mooi te zien. Van een goed doorwortelbare bodem met een rijk bos , naar een door humus verdichte bodem met wat eiken, berken en dennen kan in enkele duizenden jaren gebeuren. De ontwikkeling gaat niet alleen sneller, maar ook wat minder divers dan bij klei.

De natte grond

Bij gronden die een deel van het jaar of het hele jaar hoge grondwaterstanden hebben, is er geen duidelijke wisselwerking tussen wat boven en onder de grond gebeurt. Het materiaal dat onder water staat kan niet veranderen, is van een ontwikkeling uitgesloten. De gronden blijven daardoor jong, of het nu zand of klei is. ‘For ever young’ zou je kunnen zeggen. Er groeien soms duizenden jaren elzen of wilgen op. Typische bomen van jonge landschappen.

Met het voorgaande hebben we een stuk achtergrond geschetst voor verschillende Nederlandse landschappen. Iedere bodem - of het nu zand, klei of veen is - neemt een bepaalde plaats in in de ontwikkeling. Hoewel bij zandgronden, zoals gezegd, de ontwikkeling wat sneller en eenvoudiger gaat, gelden er dezelfde principes.
In het volgende worden achtereenvolgens de kleigronden, de zandgrond en de natte grond nader behandeld.