Artikelintro. Lorem ipsum dolor sit amet, vocent volutpat delicatissimi ut sea, cum soleat ceteros an. Vim id brute repudiare intellegam, ea lorem torquatos ius, forensibus contentiones vis ex.

Dat boven de grond planten- en dierenleven een duidelijk jaarritme kennen, kan niemand ontgaan. Voor de landbouw is het waarschijnlijk van belang te weten of er een verloop door het jaar heen van het bodemleven is en of dat van belang is voor bijvoorbeeld de vrijmaking van voedingsstoffen. Het eigenaardige is dat hier heel weinig onderzoek over bekend is. In 1978 deed het Louis Bolk Instituut onderzoek naar de groei van winterpeen en de ontwikkeling van springstaarten in de grond. Dit onderzoek licht een tipje van de sluier op en geeft ook een bijzondere kijk op samenhangen in de natuur.

Experiment op een zavelgrond in de Betuwe en zandgrond bij Driebergen (Visser e.a., 1979)


De groei van een winterpeen en de populatie springstaarten op een kleigrond.

Afgebeeld is een winterpeen die na een periode met vegetatieve groei van mei tot augustus een periode met neerstrijkend loof van augustus tot oktober laat zien gepaard met een afrijping van de peen. De peen heeft een goede houdbaarheid en een duidelijke peensmaak.
Eronder zijn de springstaarten afgebeeld. Boven de gekleurde, harige, meer insectenachtige soorten; onder de witte, gladde, meer wormachtige soorten. De getallen geven de aantallen weer per gram grond. Er is een tendens dat de insectenachtige soorten (boven) meer in het voorjaar voorkomen en de wormachtige (onder) meer in de nazomer. Het schema geeft aan dat afbraak van organisch materiaal en daarmee vrijkomen van mineralen voor de groei door de springstaarten meer in het voorjaar bevorderd wordt en de binding van verteerde plantenresten aan klei en daarmee humusvorming en binding van mineralen meer in de nazomer en herfst. Dit omdat de insectenachtige springstaarten meer mineraliserend zijn en de wormachtige meer humusopbouwend.


De groei van een winterpeen en de populatie springstaarten op een zwaar bemeste zandgrond

Deze figuur geeft de groei van peen en de ontwikkeling van springstaarten op dezelfde wijze weer als bij de kleigrond. Nu geen afrijping van de peen, maar een sterke loofgroei tot in oktober. De peen heeft een minder goede houdbaarheid en een minder duidelijke smaak.
De insectenachtige springstaarten ontwikkelen zich weinig in het voorjaar, maar juist meer in de nazomer en herfst. De wormachtige zijn er ook alleen in de nazomer en herfst. Voorjaarsprocessen bij de plant en bij springstaarten blijken hier meer naar de nazomer en herfst verschoven te zijn.

Dit onderzoek laat zien dat de verandering van een gewas tijdens het seizoen samen gaat met veranderingen in het bodemleven. Bij een evenwichtige gewasontwikkeling zijn de veranderingen bij het bodemleven in harmonie met de veranderingen bij de plant. Bij een zware bemesting rijpt de plant niet goed af en treffen we in de herfst een bodemleven aan dat niet in de herfst thuishoort, maar bij het voorjaar past.
Dit experiment is vooralsnog uniek. Vergelijkbaar onderzoek is voor zover bekend niet elders uitgevoerd en het is daarom niet mogelijk om te beoordelen of vergelijkbare processen gebruikelijk zijn in de bodem. Mocht dit zo zijn dan zijn springstaarten een buitengewoon interessant onderdeel van het bodemleven om bodemkwaliteit te volgen.

Literatuur

Visser, M., A. de Vries en J.G. Bokhorst, 1979. Springstaarten en bodemvruchtbaarheid. Louis Bolk Instituut, Driebergen.