Vanuit het ontstaan kun je Nederland globaal in drie groepen bodems indelen: jong, midden en oud. Op jonge en oude bodems moet in de landbouw geprobeerd worden meer in de middensituatie terecht te komen. 

De huidige bodemkaart van Nederland is niet goed te vertalen naar bodembeheer in de landbouw. Bij een indeling in jonge, midden en oude bodems is dat beter mogelijk. Hieronder staat een kaart met een globale indeling in deze drie groepen. Een uitvoerige beschrijving van deze indeling vindt u in het boek Bodem onder het Landschap (www.Roodbont.nl / www.Bol.com )

Bodemkaart van Nederland:

Groen: Jonge bodems
Oker: Midden bodems
Paars: Oude bodems

1. Jonge bodems

Aan de basis van een bodem staan verweringsproducten van gesteentes. Hier groeien planten op en zo komt er organische stof in de bodem. Wanneer er weinig organische stof aanwezig is, blijven de minerale delen de bodemeigenschappen bepalen. De reden dat er weinig organische stof is, kan zijn dat een bodem nog niet zo lang begroeid is, zoals bij rivier- en zeeafzettingen. Een andere reden kan zijn dat organische stof snel wordt afgebroken, bijvoorbeeld in een vochtig klimaat en een hoge temperatuur, zoals in de tropen. Ook door droogte of kou wordt vorming van organische stof belemmerd. Gronden met weinig organische stof en weinig afvoer van mineralen door bodemvormende processen, noemen we jonge bodems. Dit is dus een kwalitatieve indeling. Jonge bodems kunnen, zoals in de tropen, ook heel oud zijn.

2. Midden bodems

Bij gunstige klimatologische omstandigheden komt er door activiteit van het bodemleven steeds meer organische stof in de bodem, zowel in de bovenlaag als dieper, en de organische stof kan zich ook aan klei gaan binden. We treffen hier gemengd bos aan bij de bruine gronden of steppeachtige vegetaties bij de chernozems. Deze gronden noemen we midden bodems.

3. Oude bodems

Bij een neerslagoverschot kunnen bodems onder een vegetatie steeds zuurder en armer worden. Ook kan er dan instabiele zwarte organische stof uit de bovenlaag verdwijnen en op een bepaalde diepte weer inspoelen. Er ontstaan dan podzolgronden. Wanneer de inspoelingslaag verdicht, ontstaan zeer natte omstandigheden en treedt veenvorming op. Maar ook door uitsluitend natte omstandigheden en kou kan er veenvorming optreden. Zo ontstaan oude bodems.

Landbouwkundig gezien geeft deze indeling in jonge, midden en oude bodems interessante perspectieven. Er zijn bij veel bodems tekortkomingen, waar een boer constant aan moet werken. Deels om op korte termijn, deels om op lange termijn een goede groei van de gewassen te krijgen. Hieronder staan enkele voorbeelden van landbouwkundige maatregelen die passen bij resp jonge, midden en oude bodems.

(Onder 'Bodems van de wereld' wordt uitgebreid op deze indeling ingegaan en komt aan bod hoe zeven belangrijke bodemtypen binnen deze jong-midden-oud-indeling worden gekwalificeerd.)

  Jong Midden Oud
Organische stof Werken aan de opbouw van organische stof Normaal beheer van organische stof Werken aan de kwaliteit van de organische stof
Koolstof-stikstof-verhouding Koolstofrijke organische stof toevoeren Organische stof aanvoeren met koolstof en stikstof in een goede verhouding Stikstofrijke organische stof toevoeren
Fosfaat-beheer Streef de vorming van een actief bodemleven en de opbouw van organisch gebonden fosfaat na. Compost kan hierbij helpen. Normale aanvoer van koolstof via granen en grassen; en normale aanvoer van stikstof via vlinderbloemigen. Bijzondere maatregelen zijn beperkt nodig. Fosfor wordt nauwelijks vastgelegd aan calcium-, ijzer- of aluminiumrijke mineralen.
Bodem-bewerking Door lage organische stofgehalten en kans op verdichting, kan mechanisch losmaken van de grond nodig zijn. Bij voldoende doorwortelde grond kan losmaken ook negatief werken. Van nature goed doorwortelbaar. Alleen losmaken bij verdichting. Mechanisch losmaken is vaak nodig. Na losmaken diepwortelende gewassen inzaaien.
Omdat de benodigde maatregelen op iedere grond weer anders zijn is inzicht in het type grond waarop gewerkt wordt belangrijk.