De ontwikkeling van een bodem door het jaar heen.

Processen in de bodem gedurende het jaar en de betekenis voor de bodembewerking en de bemesting.

Hoewel de bodem ogenschijnlijk gedurende de loop van het jaar maar weinig veranderingen laat zien is dit toch niet het geval.
In het vroege voorjaar bevinden zich in de bodem de resten van diverse bodemorganismen die de winter niet overleefd hebben. Verder zijn er de afgestorven resten, wortels en blad, van de planten die het voorgaande jaar op deze plaats groeiden. Tenslotte kan er organische mest in de bodem aanwezig zijn wanneer deze in het late najaar of later ondergewerkt is.

Wanneer de bodem nu geleidelijk aan warmer wordt kan het bodemleven zich opnieuw gaan ontwikkelen. Vocht is in het voorjaar geen probleem. Het bodemleven zal lichaamssubstantie op gaan bouwen uit de aanwezige afgestorven organismen. Dit kan want de substantie die opgebouwd moet worden is van een overeenkomstige samenstelling als het aanwezige voedsel. Dit aanwezige voedsel kan evenwel niet zonder meer in eigen substantie omgezet worden. Er is ook energie nodig en deze energie moet betrokken worden uit de aanwezige koolhydraten. Het directe gevolg hiervan is dat er een relatief tekort aan koolhydraten en een overmaat aan eiwitachtige verbindingen is. Deze eiwitachtige verbindingen worden ook als energiebron gebruikt. De stikstof en fosfor die zich hierin bevindt, blijft over en is in de vorm van nitraat en fosfaat voor de plant beschikbaar.

In de loop van de zomer en in de herfst raakt het voedsel voor het bodemleven dat sinds de winter aanwezig was uitgeput. Onder invloed van de zon worden er boven de grond nu evenwel volop koolhydraten gevormd. Deze suikers, zetmeel, cellulose, lignine enz. kunnen op verschillende wijzen in de bodem komen: via wortels die van boven suikers toegevoerd kregen en daarna afsterven maar ook omdat bijvoorbeeld regenwormen koolhydraatrijke bladeren en vruchten de grond inwerken. Ook de boer kan zo'n situatie stimuleren door bijvoorbeeld stro onder te werken.

De situatie die nu kan ontstaan is dat er een koolhydraatoverschot en een stikstof- en fosfortekort is. De aanwezige nitraat en fosfaat in de bodem worden door het bodemleven vastgelegd, omgevormd tot humus, en kunnen hierdoor niet uitspoelen.

De bodem laat zich op deze wijze als een prachtig functionerend organisme zien. In de tijd dat de planten voedingsstoffen nodig hebben worden deze door het bodemleven vrijgemaakt. In nazomer en herfst, wanneer de planten weinig voedingsstoffen meer nodig hebben en ze ook niet mogen gaan uitspoelen worden ze door het bodemleven gebonden. In het voorjaar zal het koolhydraatgebrek tot humusafbraak leiden, in de herfst het koolhydraatoverschot tot humusopbouw. Humusopbouw en humusafbraak treden beide op. Wanneer er steeds maar een proces werkzaam was zouden de humusgehalten te hoog of te laag worden.

Deze natuurlijke processen kunnen als leidraad voor de bemesting gebruikt worden. Het gaat er dan om om ze te intensiveren. Niet om het voorjaarsproces naar de herfst of het najaarsproces naar het voorjaar te verschuiven. Het intensiveren kan op vele manieren gebeuren maar steeds moet aan het principe voldaan worden: eiwitrijk materiaal in het voorjaar en nitraat en fosfaatarm materiaal in nazomer en herfst toedienen. In het voorjaar kunnen afhankelijk van bodemsituatie en te telen gewas versere mest of drijfmest op hun plaats zijn. In de nazomer en herfst zijn ook weer afhankelijk van de verdere bedrijfsomstandigheden plantencompost, langer gecomposteerde mest en koolhydraatrijke oogstproducten op hun plaats. Ploegen en frezen, maatregelen die eiwitrijke organische stof beschikbaar maken en een deel van het bodemleven doden en ook beschikbaar maken voor afbraak, horen vooral in het voorjaar thuis.