Magnesium is slecht voor de bodem, maar onmisbaar voor de plant. 

Wanneer magnesiumpoeder in een vlam wordt gestrooid ontstaat er een buitengewoon fel licht. Het licht is zo fel dat het voor de ogen gevaarlijk kan zijn. Er ontstaat bij dit verbranden magnesiumoxide. Er is geen stof zo wit is als magnesiumoxide. Wit betekent dat alle licht  wordt weerkaatst. Nemen we geen poeder, maar een dun staafje magnesium en houden die in de vlam, dan gaat het staafje branden. Wanneer we door die vlam de zon laten schijnen dan is de schaduw zwart. Dat betekent dat alle licht van de zon in de vlam wordt opgenomen en dat betekent weer dat het licht van de magnesiumvlam zeer dicht bij dat van zonlicht zit. Magnesium heeft dus iets met licht. Dat blijkt bijvoorbeeld ook als we magnesium vergelijken met calcium. Calcium geeft de bodem een goede structuur. In de oceanen zinkt calcium als kalk naar de bodem. Magnesium is boven in de plant, in het groene blad,  essentieel om het zonlicht op te nemen en om te zetten in koolhydraten. In de oceanen zien we ook dat algen dicht onder het wateroppervlak magnesium nodig hebben om het zonlicht te kunnen binden. Magnesium en calcium zijn in de natuur in zekere zin tegengesteld. Calcium geeft stevigheid, structuur, zwaarte; magnesium heeft iets met licht.

Nu heb je een kleigrond met een hoog magnesiumgehalte. Onder natte omstandigheden begint de grond te zwellen en is niet meer te berijden. Doe je dat wel dan gaat de bodemstructuur nog meer achteruit. Magnesium werkt dus andersom dan calcium, dat wel, maar heeft dat iets met licht te maken?

De oplossing ligt mogelijk in het volgende. Zoals we bij de bespreking van de verschillende stoffen steeds zien, is er een overeenkomst tussen verschijnselen rond stoffen in de dode natuur en in levende organismen. Door naar dode en levende natuur te kijken kunnen we een beeld opbouwen over de aard van een stof. Het gaat dan om de wisselwerking met andere stoffen. Nu heeft een stof ook een puur fysiek karakter. Magnesiumionen zijn klein en zijn sterk geladen (tweewaardig). Ze binden daarom veel water en drijven zo de kleideeltjes uiteen waardoor de grond nat en smerend wordt. Dit staat enigszins los van het gedrag van magnesium in de wisselwerkingen in de dode en levende natuur. Bij kalium speelt iets vergelijkbaars. Kalium heeft binnen de plant invloed op suikertransport, smaak, ziektegevoeligheid en andere kwalitatieve eigenschappen. Dat zware zure kleigronden heel sterk kalium kunnen fixeren omdat de kaliumionen precies tussen de plaatvormige lutumdeeltjes passen, hoeft niet direct iets te maken hebben met kalium in wisselwerking met dode stoffen of in levensprocessen in de plant.
Stoffen kunnen, puur door grootte of lading, specifieke eigenschappen hebben die meer of minder los staan van het beeld dat ontstaat wanneer we de stof in wisselwerking met de omgeving bekijken.
Aardappeltelers zijn vaak fanatieke magnesiumbemesters. Bladbemesting met bitterzout (magnesiummeststof) geeft een donkerder blad en een hogere opbrengst van de zetmeelrijke knol. Wanneer een aardappelteler dat doet geeft hij magnesium de kans zich met het licht te verbinden.

Magnesiumpoeder in een vlam

Mackensen zegt van magnesium dat deze stof eigenlijk gedwongen wordt om in de aarde, de vaste materie, te zitten, maar dat eigenlijk niet wil. Hij zegt dit omdat magnesium zich veel gemakkelijker dan andere metalen uit zouten laat winnen; in heet water oplosbaar is en gebruikt kan worden als flitslichtpoeder.

Literatuur
Julius, F.H., 1965. Grundlagen einer phanomenologischen chemie. Verlag freies Geistesleben, Stuttgart.
Mackensen,M . von. 2012. Proces-chemie. Paidos Breda.