Teveel stikstof is niet goed en teveel koolstof ook niet. De basis van bodembeheer is een dynamiek tussen beide te krijgen en dan ontstaat er iets heel moois. 

2.1. Stikstof

Het element stikstof is overal om ons heen en we ademen er iedere dag grote hoeveelheden van in. Toch valt stikstof in het geheel niet op. Dat geldt ook voor zuurstof, maar daarvan merk je snel dat je tekort komt wanneer de omgeving te weinig zuurstof bevat. Als kind kon je dat ervaren door via een stofzuigerslang adem te halen; dan werd je benauwd. In theorie kun je stikstof wel ervaren door lucht in te ademen met een hoger zuurstofpercentage dan de gebruikelijke 20%. Dan wordt zuurstof giftig en stikstof heeft dus de rol om een te sterke werking van zuurstof wat in te perken. In het dagelijks leven is stikstof evenwel de stof waar je eigenlijk het minste van merkt. Je zou kunnen zeggen dat stikstof zich in de lucht thuis voelt en niet zo nodig op de voorgrond hoeft te treden.

Stikstof binden

Nu ga je stikstof binden aan waterstof. In een stikstofbindingsfabriek is dat te zien omdat in de wand van de cilinder waarin dat gebeurt een raampje zit en het proces zichtbaar wordt. Je ziet dan een roodgloeiend rooster en er boven een roodgele vlam. Lucht die ontdaan is van zuurstof en bijna alleen uit stikstof bestaat, wordt gebonden aan waterstofgas dat gemaakt wordt uit aardgas. Fijne ijzerdeeltjes en wat kali en aluminiumoxide dienen hierbij als katalysator. Het gebeurt onder hoge druk en bij ca 500 °C. Er is voor dit proces buitengewoon veel energie nodig: voor 1 kg zuivere stikstof ca 135 liter ruwe olie. De ammoniak die zo ontstaat kan verder in het proces eenvoudig worden omgezet in nitraat.

Dit is de grondstof voor kunstmest, maar ook voor explosieven en wanneer deze explosieven tot ontploffing komen wordt duidelijk hoeveel energie er in deze stikstofhoudende stof is gestopt. Het is wonderlijk dat op een akker met vlinderbloemigen dezelfde binding van stikstof aan waterstof plaatsvindt en alleen het gezoem van wat bijen te horen is. Ook hier is evenwel zeer veel energie nodig die daar geleverd wordt door het blad dat met zonlicht, water en koolzuur de energierijke suikers maakt. Wanneer de stikstofverbindingen in de bodem komen komt er dus veel energie in de bodem. Bij explosieven zien we dat duidelijk, maar is dat bij stikstof in de bodem ook te zien?

Voordat we op een antwoord op deze vraag ingaan, is het van belang te realiseren, dat stikstof in gesteenten nauwelijks voorkomt. Stikstof tussen gesteentes bevindt zich in een voor stikstof vreemde wereld en het is te verwachten dat stikstof weer terug naar de lucht wil. Mackensen (1994) noemt stikstof een beweeglijk luchtelement dat zich niet makkelijk laat veranderen en wanneer het wel verandert, kiest het in nood via een explosie de weg naar de lucht. Gebonden stikstof is als het ware een “bom” vol energie die zich bevindt in een wereld waar die zich niet thuisvoelt. Hoe ga je met zo’n situatie om? Dit is best een belangrijke vraag want het antwoord bepaalt wel de voeding van de mens op de wereld, het schoonhouden van het oppervlaktewater en het zuinig omgaan met fossiele energie. Iets wat barst van de energie voelt zich niet thuis in zijn omgeving en geeft problemen. Moeten we bij een psycholoog te rade gaan? Misschien wel, maar laten we eerst eens kijken hoe stikstof zich uit in de natuur.

Ontploffing van een stikstofbindingsbedrijf in Texas, in 2013

Stikstof in de landbouw

In het beheer van de bemesting is stikstof moeilijk te grijpen. Stikstof is een van de meststoffen die het sterkst de productie bepaalt, maar in de bodemanalyse was nooit een stikstofanalyse te vinden. Tegenwoordig wordt het stikstofleverend vermogen, het NLV, vaak wel aangegeven, maar dat wordt berekend uit het totale stikstofgehalte. De stikstof die jaarlijks vrijkomt uit de totale stikstof is slechts 1% van de alle stikstof in de organische stof in de grond en deze inschatting van het stikstofleverend vermogen is zeer onbetrouwbaar. Stikstof, bomvol energie, gaat alle kanten op en is niet met eenvoudige regels te pakken te krijgen. Met simulatiemodellen gaat het wel wat beter, maar de ingewikkeldheid van de processen maakt een nauwkeurige modellering onmogelijk. Er gebeurt van alles met stikstof in de grond: bij weinig lucht gaat nitraat snel over in ammonium en ammonium kan in enkele dagen bij voldoende temperatuur weer overgaan in nitraat. De stikstof uit mest- en plantenresten verschijnt eerst als ammonium die zich kan binden aan klei en humus via adsorptie. Ammonium kan tussen kleiplaatjes kruipen en is dan gefixeerd. Nitraat spoelt heel snel uit bij regen want nitraat bindt zich vrijwel nergens aan. Is er gebrek aan lucht, dan kan nitraat als stikstofgas of lachgas de lucht in gaan. Op zich is dit interessant. Wanneer er lucht in de grond zit kan stikstof zich wel enige tijd in de bodem handhaven, wanneer die ontbreekt krijgt stikstof het als het ware benauwd en zoekt zelf de lucht weer op. De veelheid aan vormen en processen past in het beeld van veel energie en niet thuisvoelen. Hoe krijg je nu orde in deze chaos en wordt die beheersbaar? Is koolstof hierbij een oplossing? In de volende paragraaf gaan we dieper in op koolstof.

Samenvattend:

Stikstof in de landbouw
-gaat alle kanten op. Gaat de lucht weer in bij luchtgebrek, spoelt uit bij neerslagoverschot.
-breekt de organische stof af.
-komt in de bodem in veel vormen voor.
-is bij bodemanalyse niet goed te pakken.
-geeft explosieve groei, planten worden ziektegevoelig en verliezen smaak.
Stikstof geeft beweging. Veel bij mens, dier en bacterie en weinig bij plant en schimmel
Ammoniakemissie is niet goed te meten
Stikstof, vol energie, voelt zich in de bodem niet thuis

2.2 Koolstof

Koolstof zit in de lucht, vooral de lucht dicht bij het aardoppervlak, maar het grootste deel van de koolstof op aarde zit in de aardkorst in verschillende vormen als steenkool, olie, veen en dergelijke. Interessant is dat wanneer grote hoeveelheden plantenresten dieper in de aarde komen, de verschillende stoffen in de plant, zoals stikstof en zuurstof, verdwijnen. Alleen de koolstof vindt het blijkbaar prima om op 1000 meter of dieper in de aarde te blijven.
In de plant is koolstof overal aanwezig. Bijna alle stoffen in de plant bevatten koolstof. Die koolstof is afkomstig uit de lucht en bij de fotosynthese in de plant ontstaan eerst suikers. Een suiker is een wit poeder dat makkelijk in water oplost, is daarom goed transporteerbaar en speelt overal in de plant een belangrijke rol. Uit suikers kan cellulose worden gevormd. Celwanden bestaan voor een deel uit cellulose en geven hier stevigheid aan. Het koolstofgehalte van cellulose is hoger dan dat van suiker. Een volgende fase is de vorming van houtstof, lignine, dat nog weer meer koolstof bevat. Cellulose kennen we van papier en cellofaanzakjes. Het is lichtdoorlatend en flexibel. Houtstof zit in alle planten en geeft samen met cellulose stevigheid. Die stevigheid is wat te vergelijken met gewapend beton. Cellulose bestaat uit vezels, te vergelijken met het ijzervlechtwerk gericht op trekkrachten en lignine is de vulstof, gericht op druk weerstaan. Wanneer plantenresten in de grond komen worden ze afgebroken. Suiker gaat heel snel, cellulose wat trager en lignine zeer traag.


Fig. Steenkool

3. Stikstof en koolstof in de landbouw

Ik heb eens een veehouder horen zeggen dat landbouw eigenlijk de kunst is om met stikstof en koolstof om te gaan. Er komt natuurlijk nog wel wat meer bij kijken, maar het is interessant om eens naar deze visie te kijken. In het voorgaande zagen we dat stikstof vooral in de lucht zit en koolstof vooral diep in de aarde. In de bouwvoor komen ze samen en de wijze waarop is afhankelijk van hoe de teler dat doet. Koolstof heeft de neiging om in koolstofrijke verbindingen te verstarren. Cellulose en suiker kunnen veel beter aan de bodemprocessen deelnemen. Stikstof heeft de neiging om uit de bodem te verdwijnen. Uitspoelen als nitraat of overgaan in stikstofgas. In eiwitachtige verbindingen neemt stikstof deel aan de bodemprocessen.
Landbouw wordt hiermee als het ware kunst. Twee stoffen, stikstof en koolstof, die ieder hun eigen eenzijdigheid hebben en in hun eentje niet in staat zijn om iets moois, iets vruchtbaars te maken, worden in de landbouw met elkaar in contact gebracht en kunnen dan iets heel nieuws tot stand brengen. Ze kunnen een grond maken waar een plant op groeit die een hoge voedingskwaliteit heeft.
Niet altijd lukt dat. Hieronder volgen voorbeelden van situaties waar het niet goed ging, met daarbij enkele ideeën hoe het beter had gekund en voorbeelden van waar het wel lukt.

Voorbeeld 1 a, Stikstof overheerst; drijfmest Leusden

 Fig. Een enkeerdgrond bij Leusden (Den Treek)


Fig. Een overmaat van stikstof uit drijfmest heeft ertoe geleid dat de makkelijk verteerbare organische stof als koolstofbron is gebruikt. Deze organische stof verzorgde de binding van de zanddeeltjes onderling. Nu die binding er niet meer is, ligt het zand als losse deeltjes aan het oppervlak.

Bovenstaande foto is gemaakt op een maïsakker in de jaren 80 van de vorige eeuw. In die tijd was er nog geen beperking aan de maximaal te geven hoeveelheid mest en dat was de reden dat op dit bedrijf bij Leusden op een wat hoger gelegen perceel veel drijfmest werd gegeven omdat de lagere en natte gronden een deel van het jaar niet berijdbaar waren. Drijfmest bevat veel makkelijk beschikbare stikstof. In de grond heeft het bodemleven bij een grote drijfmestgift een overmaat aan stikstof tot zijn beschikking en kan daar zijn eiwitrijke lichaamssubstantie mee opbouwen, maar er zijn in verhouding te weinig koolstofrijke verbindingen als energiebron. Het gevolg is dat het bodemleven de makkelijk omzetbare koolstofrijke verbindingen in de organische stof van de bodem gaat aanspreken. Dat is nu net de organische stof die zanddeeltjes aan elkaar kit. Door de afbraak van deze organische stof komen de zanddeeltjes los te liggen en verspoelen ze bij regen. Als een witte zandlaag zien we ze aan de oppervlakte liggen. Dit proces trad op grote schaal op zandgronden op, maar ook op zavelgronden. De grote drijfmestgiften zijn nu niet meer toegestaan, maar het proces treedt, zij het wat minder sterk, overal nog op waar een overmaat aan stikstofrijke verbindingen is. Ook kunstmeststikstof kan dit proces op gang brengen. Omdat de makkelijk verteerbare organische stof vaak stikstofrijk is, kan het zijn dat er meer stikstof vrijkomt dan er met de mest gegeven is. Dit wordt ook wel “priming effect” genoemd (Kuzyakova, 2000).

Voorbeeld 1 b, Stikstof overheerst, lelieperceel Beilen, Drenthe

Fig. Op dit lelieperceel is op de voorgrond wit zand zichtbaar dat de binding met de humus is verloren omdat de actieve kittende organische stof door eenzijdig gebruik van stikstofrijke drijfmest is verdwenen. In de verte in het lager liggende gedeelte een donkere vlek. Zie volgende afbeelding.


Fig. Foto van het laaggelegen gedeelte. Dit is zeer oude heidehumus met voor de landbouw minder gunstige smerende eigenschappen. Deze is zeer koolstofrijk en bestand tegen omzetting. De actieve humus die de zanddeeltje aaneen kitte is actief en minder stabiel en verdwenen.

Voorbeeld 1c, Stikstof overheerst, preiteelt bij Kaatsheuvel in NoordBrabant.

 
 Fig. Preiteelt in Noord-Brabant bij Kaatsheuvel


 Fig. Ook hier door toepassing van veel drijfmest een scheiding tussen witgebleekt zand en zwarte koolstofrijke zeer oude humus met ongunstige eigenschappen.

Voorbeeld 2. Stikstof overheerst; proefveld Mest als Kans, Lelystad


Fig. Op een kalkrijke zavelgrond met veel bodembewerkingen is het moeilijk om het organischestofgehalte te verhogen.

Stikstof voelt zich thuis op de kermis (zie boven). Deze kalkrijke zavelgrond met als bodemgebruik groenteteelt zou je onder de bodems de kermis kunnen noemen. In het voorjaar worden ruggen opgebouwd (hier voor de teelt van pastinaak) en in de herfst wordt bij de oogst in veel teelten weer een intensieve grondbewerking toegepast. Op deze wijze komt er lucht in de grond en is er door de vele bewerkingen veel te doen en daar voelt stikstof zich thuis. In de bodem domineren stikstofrijke bacteriën boven koolstofrijke schimmels en dan krijgt koolstof het moeilijk.

Op deze grond ligt het proefveld Mest als Kans waar mest en compostsoorten worden vergeleken. Dit proefveld laat zien hoe snel de koolstofrijke verbindingen weer uit de grond worden gewerkt en als koolzuur de lucht in gaan. Bij de veldjes waar ruim groencompost wordt ingewerkt in mei, is in de herfst al niets meer terug te vinden van deze compost; zelfs geen takjes en ander grof materiaal. Stikstof is hier de baas en koolstof moet weg. Een wisselwerking tussen beide is door bodem, vele bewerkingen en gewassen die weinig organische stof leveren nauwelijks mogelijk.

Voorbeeld 3. Koolstof overheerst; compost Kaatsheuvel


 Fig. Champost op een perceel waar preiteelt plaats zal vinden.
 Fig. Te heet geworden champost in detail. Champignonmest die erg heet is geweest tijdens de bewaring en veel makkelijk verteerbare stikstofrijke verbindingen zijn als gas de lucht ingegaan. Koolstofrijk stro overheerst.


 Fig. Resten champost uit vorige jaren die niet verteren.
Resten van champignonmest na enkele jaren. Ze verteren nauwelijks en blijven in de grond liggen zonder dat er een wisselwerking met de omliggende grond ontstaat. Het karakter van koolstof komt naar voren. Verstarring die lang kan duren.

Voorbeeld 4. Koolstof overheerst; Tongeren, België, wintertarwe op löss


 Fig. Ondergeploegde gewasresten

Wat is hier aan de hand? Op dit tarweperceel bij Tongeren in België stond vorig jaar korrelmais. De maïs is geoogst en resten van stengels, blad en kolven zijn ondergeploegd. Dit overwegend koolstofrijk materiaal is in een compacte laag op ca 20 cm diepte terecht gekomen en verteert niet, maar conserveert. De beworteling van de ondergrond wordt erdoor belemmerd. De bodem heeft te weinig bodemleven en stikstofrijk materiaal om de processen op gang te brengen. Meer egaal en minder diep door de grond brengen en combineren met een bemesting van wat drijfmest, had kunnen voorkomen dat koolstof zo duidelijk zijn karakter kon tonen.
Op deze plek gaat het om twee dingen. Enerzijds is er het probleem dat er een overmaat aan koolstof aanwezig is en te weinig stikstof; anderzijds is er het probleem dat de grond humusarm en verdicht is en er niet voldoende zuurstof voorhanden is. Er kan onvoldoende ademing plaatsvinden. De mogelijkheid om te kunnen ademen en een goede verhouding tussen koolstof en stikstof zijn twee belangrijk elementen bij een vruchtbare bodem.

Voorbeeld 5. Koolstof en stikstof in blijvend grasland; Benschop

In de biologische landbouw is grasland met een voldoende aandeel klaver essentieel. De klaver bindt stikstof uit de lucht. Deze stikstof komt ook beschikbaar voor het gras en zo kan een opbrengst van het grasklaver-mengsel van ca 15.000 kg droge stof per ha per jaar ontstaan. Door de wisselwerking tussen gras en klaver treedt ook een verbetering van de bodemkwaliteit op. De bodemstructuur verbetert en de beworteling van de bodem wordt intensiever. De stikstofrijke klaver hoort evenwel thuis in een omgeving waar veel gebeurt, bijvoorbeeld daar waar regelmatig geploegd wordt. Wanneer de bodem van een grasland niet regelmatig bewerkt wordt en grasklaver niet opnieuw ingezaaid wordt, verdwijnt de klaver. Het koolstofrijke gras gaat overheersen in deze “rustige” omgeving en verbetert de bodem verder, maar zonder de klaver als stikstofbron. De opbrengst is daarom niet zo hoog als in de klaverrijke fase en wordt op een gegeven moment te laag om een goed functionerend bedrijf in stand te houden.
De oplossing is niet gemakkelijk maar het gras met een wiedeg bewerken en klaver bijzaaien is een mogelijkheid (van Eekeren, 2012). De bewerking met de wiedeg betekent dat de “rust” wordt doorbroken en de zode enigszins bewerkt wordt. Verder moet de pH niet te laag zijn. Een wat hogere pH stimuleert de processen in de bodem en brengt beweging in de bodem. Verder is een goede kaliumvoorziening van belang. Wanneer dit allemaal niet lukt, is grondig beweging brengen in de bodem de oplossing. Dit betekent ploegen en opnieuw inzaaien, maar dit betekent ook een achteruitgang van de bodemkwaliteit.


Fig. Grasland op zware klei bij Benschop waar de klaver vrijwel uit verdwenen is

 


Fig. Links, In het eerste jaar na inzaai een goed groeiend gewas met gras en klaver; rechts de oudere grasklaver waar de klaver vrijwel geheel uit verdwenen is

 


Fig. Links: de bodem onder de recent ingezaaide grasklaver heeft een matige beworteling en matige bodemstructuur; rechts de bodem onder de oude wei heeft een goede structuur en een goede beworteling.

Voorbeeld 6. Stikstof en koolstof in evenwicht: synthese; Marle (bij Deventer)


Fig. Op de voorgrond proefveld met gras en klavercombinaties bij Marle langs de IJssel.

Bij Marle langs de IJssel kan bij een proef waarbij klaver, gras en grasklaver werden vergeleken, de invloed op de bodem van deze drie gewastypen worden bestudeerd (van Eekeren et. al., 2009, 2010).
Na twee jaar waren er duidelijke verschillen bij beworteling, bodemstructuur en bodemleven.
Op de volgende foto’s is een omgekeerde plag van 20x20 cm op 20 cm diepte te zien.


Fig. Alleen klaver. De grond is sterk verdicht, maar er zijn wel regenwormen en wormgangen.
Wanneer er uitsluitend klaver wordt ingezaaid, blijft de grond verdicht omdat klaver weinig wortels maakt. De pendelende worm, lumbricus terrestris, vindt zijn
voedsel aan de oppervlakte en maakt verticale gangen in de verdichte grond.


Fig. Klaver en gras. Wortels, goede bodemstructuur, regenwormen en de hoogste opbrengst.

Wanneer er een mengsel van gras en klaver wordt ingezaaid, gebeurt er iets wat gras en klaver afzonderlijk niet kunnen. Er zijn veel wortels, er zijn wormen (nu in twee soorten: links lumbricus terrestris en rechts a. calliginosa) en de opbrengst is hoger dan bij de gras- of de klavervariant.


Fig. Alleen gras. Veel wortels , een goede structuur en weinig regenwormen.

Dat wortels belangrijk zijn voor de bodemstructuur laat de variant met alleen gras zien. Hier zijn veel wortels. Er zijn weinig regenwormen, omdat vlinderbloemigen (en dierlijke mest) vooral regenwormen stimuleren.

Voorbeeld 7. Vaste mest, drijfmest en bodemleven, stikstof en koolstof wel en niet in evenwicht

Bij voorbeeld 1 zagen we dat drijfmest een ongunstige invloed op de bodem kan hebben. Geheel anders is dat wanneer er naast de stikstofrijke drijfmest veel koolstofrijk gras en graswortels aanwezig zijn. Regenwormen kunnen dan gestimuleerd worden. Minder dan bij vaste mest, maar meer dan bij compost waar wat drijfmest aan is toegevoegd en meer dan bij minerale bemesting (zie tabel).

Proefveld Bakel (grasland op zand)
Mestsoort                             gram regenwormen per m2
NPK                                       125
Compost met drijfmest         144
Drijfmest                               231
Stalmest                               269

Voorbeeld 8. Stikstof en koolstof in evenwicht: synthese;
Boomgaard bij Tiel

Dit is de bodem onder een hoogstamboomgaard bij Tiel. Hier zien we het resultaat van eeuwenlange synthese tussen stikstof en koolstof. Stikstof is afkomstig van klavers die in het gras groeiden en van mest die de koeien produceerden die in de boomgaard liepen. Koolstof is vooral afkomstig van het gras dat in de hoogstamboomgaard groeide. Het resultaat is een van de mooiste bodems ter wereld. De humushoudende laag is meer dan 60 cm dik. De oorspronkelijke gelaagdheid die onderin het profiel nog te zien is, is door het bodemleven verdwenen. De donkere verticale strepen en de stippen zijn de gangen van regenwormen. De wortels kunnen diep de grond in. Deze grond is eigenlijk het ideaal waar ieder bodembeheerder naar moet streven. Wat hij dan moet doen is hier ook te zien. Breng voldoende verteerbare koolstofrijke verbindingen in de grond (hier het gras) en breng voldoende stikstof in de grond (hier mest en klavers) en laat de natuur het werk doen (hier onder meer de regenwormen).

Conclusie

Er zijn gronden waar stikstof veel aandacht moet hebben. Op andere gronden geldt dit voor koolstof. Ook zijn er gronden die van nature of door langdurige landbouwcultuur een evenwicht, een doordringing, tussen beide laten zien. Bij deze laatste gaat het om onderhoud van het evenwicht. Links een kalkrijke lichte grond met weinig koolstof. Rechts een podzolgrond met verdichting door koolstof waar regenwormen al wat aan doen. Midden de grond die de extremen verbindt.

Maatregelen

Uit het voorgaande blijkt dat bij een goed beheer van de bodem de wisselwerking tussen stikstof en koolstof van belang is. Bij maatregelen om dit te bereiken hoeft niet direct gedacht te worden aan het aanvoeren van stikstof of koolstof in een bepaalde vorm. Bijna iedere maatregel rond de bodem heeft wel op enige manier invloed op de genoemde wisselwerking. Zo ontstaat door intensieve bodembewerking een omgeving waar koolstof niet thuishoort en verdwijnt, terwijl stikstof in een actieve vorm overgaat en bijvoorbeeld opgenomen kan worden door de plant. Het achterwege laten van bodembewerking betekent dat koolstof kan ophopen. Het is een omgeving die past bij koolstof. Stikstof voelt zich hier niet thuis vervluchtigt naar de lucht of spoelt uit naar het grondwater.

Vanuit dit gezichtspunt zijn vele teeltmaatregelen te beoordelen:

-Vaste mest is overal goed, maar de wenselijke composteringsduur wisselt per bodemtype
-Laat drijfmest zo snel mogelijk in contact komen met koolstofrijke verteerbare materialen  (niet vlinderbloemige groenbemesters, graan, gras)
-Meng kippenmest en geitenmest met houtachtige materialen
-Teel vlinderbloemigen in een mengsel met gras
-Wees voorzichtig met maaimeststoffen op arme grond
-Let bij de vruchtopvolging op een evenwicht tussen koolstof- en stikstofrijke gewassen
-Bodembewerking betekent: stikstof actief inzetten en koolstof verliezen
-Breng stikstof, overal waar dit vrij komt in de landbouw, direct in contact met verteerbare koolstof

Literatuur

Bockemühl, J., 1982. Levensprocessen in de natuur. Vrij Geestesleven, Zeist.
Bockemühl, J., 1984. Het stervende bos. Louis Bolk Instituut.
Bockemühl, J., 1992. Elementen en ethersoorten. Louis Bolk Instituut.
Dam, J. van, 1999. Het zesvoudige pad. Vrij Geestesleven, Zeist.
Eekeren, N.J.M. van, 2012. Zorgen om klaver. Ekoland 3 p 14,15.
Eekeren, N.J.M. van, J.G. Bokhorst, L. Brussaard., 2010. Roots and earthworms under grass, clover and a grass-clover mixture. p. 27-30. In 19th World Congress of Soil Science, Soil Solutions for a Changing World. Brisbane, Australia. 1 - 6 August 2010
Eekeren, N. van, Liere, D. van, Vries, F. de, Rutgers, M., Goede, R. de, Brussaard, L., 2009. A mixture of grass and clover combines the positive effects of both plant species on selected soil biota. Applied Soil Ecology 42, 3, p. 254-263.
Julius, F.H., 1965. Grundlagen einer phanomenologischen chemie. Verlag freies Geistesleben, Stuttgart.
Y. Kuzyakova, J.K. Friedelb, K. Stahra, 2000. Review of mechanisms and quantifcation of priming effects. Soil Biology & Biochemistry 32, 1485 1498
Mackensen,M . von. 1994. Prozesschemie aus spirituellem Ansatz. Pädagogischen Forschungsstelle Abt. Kassel. Bildungswerk Beruf und Umwelt Kassel.
Marti, T., 1997. Mensch und Landschaft eines alpinen Hochtales, Bern/Stuttgart.
Matthijsen, M.C., 2007. www.Paidos-boeken.nl
Poppelbaum, H.Tier-Wesenskunde, Dornach, 1954; A New Zoology, Dornach 1954
Romunde, D. van, 2000. Over vormende krachten in de plantenwereld. Louis Bolk Instituut Driebergen.
Schad, 1971. Säugetiere und Mensch, Stuttgart.
Steiner, R. 1917. Von Seelenrätseln (GA 21), Dornach 1983
Steiner, R. 1925. Geisteswissenschaftliche Grundlagen zum Gedeihen der Landwirtschaft (GA 327), Dornach, 1999.
Steiner, R. 1917. Mijn levensweg (GA 28). Vrij Geestesleven, Zeist, 1993.
Suchantke, A. 1994. Metamorphosen im Insektenreich, Stuttgart.
Suchantke, A. 2009. Dreigliederung, Synorganisation und Co-Evolution. Die Drei 1/2009.
Suchantke, A., 2002. Metamorphose – Kunstgriff der Evolution. Freies Geistesleben, Stuttgart.
Thienemann, A. (1956). Leben und Umwelt - Vom Gesamthaushalt der Natur. Hamburg: Rohwolt Taschenbuch Verlag.
Vahle, 1998 . Auf der Suche nach der Leitidee der nordwestdeutschen Kulturlandschaft, in: A. Suchantke (Hrsg): Goetheanistische Naturwissenschaft, Bd. 5: Ökologie, Stuttgart.