Granen en grassen zijn de basis voor een goede bodem. Veel wortels voor een goede structuur en veel organische stof voor onderhoud van het organische stofgehalte. 

Kwamen we bij vlinderbloemigen en kruisbloemigen tot de conclusie dat de betekenis voor de bodem beperkt is, bij granen en grassen ligt dat heel anders. Ze maken massaal wortels en zijn in de bovengrond in staat om een goede bodemstructuur te bewerkstelligen. De granen en grassen verdienen extra aandacht. Laten we ze eens nader beschouwen.
In grote delen van de aarde zijn grassen de belangrijkste plant. Het zijn ook de gebieden met de meest vruchtbare bodems. De Zwarte Aarden hebben tot grotere diepte een humusrijke laag en zijn diep doorwortelbaar. Grassen hebben deze grond zo vruchtbaar gemaakt. De gebieden waar de grassen groeien kenmerken zich door extreme omstandigheden. Langdurige droogte in de zomer en vaak strenge vorst in de winter. Verder is er vee dat de bovengrondse delen opeet. Planten kunnen onder deze omstandigheden alleen overleven door onder de grond een basis te vormen van waaruit ze kunnen uitlopen. Een intensieve beworteling is deze basis. Die intensieve beworteling is weer de basis voor voldoende organische stof in de grond.
Grassen moeten bij de keuze van een groenbemesters steeds overwogen worden. De combinatie met klaver kan een extra gunstige rol voor de bodem betekenen. Onderzaai onder granen is een van de mogelijkheden.
Granen behoren ook tot de familie van de grasachtigen, de gramineae. Ook zij hebben een intensief wortelstelsel dat diep de grond ingaat. Er zijn wel verschillen tussen de graansoorten. De beworteling bij zomergranen is aanzienlijk minder dan bij wintergraan. Vooral winterrogge kenmerkt zich door een intensief wortelstelsel, vooral ook in de bovengrond.


Intensief wortelstelsel onder rogge.

Literatuur: Grohmann, G., 1951. Die Pflanze T 2. Verlag Freies Geistesleben Stuttgart.