Kruisbloemigen hebben wel een diepgaande penwortel, maar verder weinig wortels om de bodemstructuur te verzorgen. Het loof doet dat ook niet. Beperking van bodemgebonden ziekten is vaak een belangrijke reden om voor kruisbloemigen te kiezen. 

Grohmann (1951) beschrijft hoe de kruisbloemigen buitengewoon veel bloemen en zaden kunnen vormen. Het herderstasje kan 64000 zaden per plant in een seizoen produceren. Akkers van koolzaad kunnen zo geel zijn van alle bloemen, dat de gele kleur soms door de lucht wordt weerkaatst. De lucht wordt dan ook wat geel, wat van een afstand al te zien is. Tegenover het vermogen om heel sterk in bloem en zaad te gaan, staat het vermogen om een krachtige penwortel te vormen. De plant maakt de indruk de enorme gerichtheid op bloem en zaad te compenseren met een gerichtheid op de penwortel. Omhoog en omlaag; dat is een belangrijk gebaar van veel kruisbloemige groenbemesters. Graven we nu bijvoorbeeld een gele mosterd uit dan zien we dat de penwortel toch wel erg vaak een bestaande gang opzoekt en niet zelf een gang maakt. Verder zien we dat de zijwortels van de penwortel hele tere dunne worteltjes zijn die nauwelijks de grond doorwortelen. Er wordt van kruisbloemigen vaak gezegd dat ze belangrijk zijn voor de bodem vanwege de krachtige penwortel die een verdichte bodem kan losmaken. Bij nader onderzoek blijkt dit toch tegen te vallen. Kruisbloemigen zijn niet echt bodemverbeteraars. Ze vormen vooral massa boven de grond en veel minder onder de grond.


Gele mosterd in de Wieringermeer