Bodem en mens in de tijd.

In het onderdeel bodemontwikkelingen wordt ingegaan op eigenschappen van bodems en landschappen. Er zijn bodems die nog bijna geheel uit zand en klei bestaan en waar weinig organische stof in zit. In het zand en de klei zitten veel mineralen die voor de plant van belang zijn en samen met het beschikbare grondwater geven deze in landbouw en landschap vaak een weelderige groei. Aan het eind van de ontwikkeling zijn met uitzondering van kiezel bijna alle mineralen verdwenen en bevat de grond wel koolstofrijke organische stof. Deze koolstofrijke organische stof is afkomstig uit de koolzuur uit de lucht en onder invloed van de zon in het warme deel van het jaar gevormd. Vanuit de vier elementen beschouwd zijn aarde (mineralen uit gesteentes) en water sterk bepalend bij de jonge gronden. Aan het eind zijn dit lucht en warmte. In het midden worden de zand en klei gemengd met organische stof en is er een wisselwerking. Deze benadering vanuit tegengestelde invloeden is te gebruiken voor keuzes in de landbouw, zoals in de voorgaande hoofdstukken is gedaan, maar heeft in het verleden ook zijn betekenis gehad voor de relatie tussen mens en landschap. Tevens kan een en ander interessant zijn om eens te kijken naar een wenselijke toekomstige relatie tussen mens en landschap.

Een terugblik
De landbouw in Nederland is altijd sterk door bodem en landschap bepaald. Hierbij waren in de loop van de tijd duidelijke veranderingen te zien. In het volgende een beknopt overzicht.

Een van de eerste vormen van akkerbouw in Nederland vond plaats op kleine akkers op de hogere gronden in Nederland. Deze vorm van landbouw duurde tot ca. 400 na Chr.
Het waren akkertjes van ca 40 x 40 m, omgeven door ruggen. Op deze plaats bevindt zich nu de heide of de heideontginning.
Vervolgens ontstond het essensysteem. De akker lag op een wat hogere rug bij de beek. Naast de akker lag de boerderij en verder van de beek graasden de schapen op de heidevelden. De hooilanden lagen ook bij de beek.

Zo rond 1200 zien we dat de lagere, nattere gronden in gebruik worden genomen. De natte delen bij de beken worden hier en daar ontwaterd en bij de kust worden gronden ingepolderd.

Na 1600 is er weer een nieuwe stap. Meren worden drooggelegd. Dit begint in het westen van het land en wordt voorlopig afgesloten met de Flevopolders in de vorige eeuw.

Dit hele proces lijkt uit de techniek verklaard te kunnen worden. De heide kon door afbranden klaar voor cultuur gemaakt worden. Dit ging niet bij bossen met dikke bomen op de plaats waar nu de essen liggen. Daar was zwaarder gereedschap voor nodig. Voor ontginnen van natte gronden is de kruiwagen nodig om dijken te maken. Voor een droogmakerij is een watermolen nodig. Dit alles moet eerst beschikbaar zijn voordat een volgende stap in de ontginning genomen kan worden..

Er speelt evenwel ook nog iets anders. Niet alleen de techniek is sturend. Er moet ook een bereidheid zijn om de techniek te ontwikkelen of in te zetten . Het is voor te stellen dat het bewerken van een grond voor de mens vroeger een grote stap is geweest. Wanneer dat gebeurt, vindt dat in de eerste fase niet intensief plaats. Met een eergetouw (stok met metalen punt) werd de grond alleen oppervlakkig gewoeld en dat gebeurde alleen op bodems die ‘dicht bij de kosmos’ staan. Dat wil zeggen bij de podzolgronden waar later de heidevelden zouden komen. Hier vinden we de ‘Celtic fields’. Pas later, zo tussen 700 en 1000 na Chr. ontstaat het essensysteem. De akker ligt dan al wat lager: juist tussen het licht van de heide en de duisternis van het broekbos in. Interessant is dat deze ontwikkeling samenviel met de intrede van het Christendom in Europa. Het is mogelijk een parallel te trekken tussen het gaan wonen tussen de 'lichte' hei en het 'donkere' broekbos en het vinden van een evenwicht tussen licht en duisternis als christelijke impuls was. Vervolgens werden nattere gebieden ontgonnen. Hierbij speelden de Cisterciënzers een belangrijke rol. Ook bij hen speelde het ‘licht brengen in de duisternis’.
Na 1600 ontstaat er een ander bewustzijn en wordt de techniek volop ingezet bij droogmakerijen en vele andere polders.

De ontwikkeling in de tijd van een kleigrond gedurende een zeer lange periode blijkt precies een andere dan de ingebruikname van de gronden door de mens. Eerst worden de oude gronden in gebruik genomen, dan de midden gronden en tenslotte de jonge. De keuze van een grond geeft iets aan van de menselijke gerichtheid in een bepaalde tijd. Met het verlaten van de midden gronden is ook het bewustzijn voor de basisprincipes voor een vruchtbare bodem verloren gegaan en kon een eenzijdige aandacht voor de minerale mest ontstaan.

Nu staan we bij wijze van spreken voor de zee. Die is niet meer in te polderen. Het is een mooi moment om eens om te kijken. Zoals een bodem het beste voedsel voor de mens kan produceren wanneer de vier elementen in wisselwerking met elkaar staan, zo kan ook het landschap een goede invloed op de mens hebben wanneer in de leefomgeving de verschillende kwaliteiten regelmatig ervaren kunnen worden. Enerzijds de groei van de jonge gronden, anderzijds de rust van de oude; en tenslotte de speelsheid, de duurzaamheid die bij de wisselwerking ontstaat.
Een mooi motief voor een toekomstige vormgeving van het platteland. Werken aan bodemvruchtbaarheid en werken aan een duurzaam platteland kan op dezelfde principes berusten.